Hoofd van het domkapittel; deken van het kapittel van oudmunster.
Aanstelling Raadsheer van de Geheim raad op 1 juni 1547.
Hoven van Genderen, B. van den, De heren van de kerk. De kanunniken van Oudmunster te Utrecht in de late middeleeuwen (Zutphen 1997) p.716 en p.723.
St.Bartholomeus Gasthuis, Utrecht. Wpaenboek van het St.Bartholomeus gasthuis te Utrecht 1407 - 1814.
Memorieboeck: fol.5-r Hr. Cornelis van Mijrop deeken tot Oudemunster en. nae. domproost obijt 1573. B:
Met Recht en Rekenschap (dissertatie van Ter Braake)
Waeromme ic gedocht hadde [...] uwer edele te vermanen van den deken van den Hage, zoon van mijn heere die tresorier meester Vincent, die als ic verstae een goet, jonck, verstandich ende geleert man is die nae mijnen duncken niet qualijck ensoude dienen [...] te wesen raet extraordinaris.(1)
Eind 1533 werd Cornelis van Mierop met deze lovende woorden door Gerrit van Assendelft, president van het Hof van Holland, aanbevolen voor de functie van raadsheer. Of Cornelis van Mierop inderdaad een goede, verstandige en geleerde man was, is een oordeel waar de historicus zich op basis van het overgeleverde bronnenmateriaal niet aan mag wagen. Met zijn ongeveer 25 jaar was hij in ieder geval nog erg jong. Op afbeelding 1 zien we Cornelis op oudere leeftijd, toen hij zich liet vereeuwigen op een glasraam in de Sint-Janskerk in Gouda.(2) Cornelis dankte de voorspraak die hij kreeg voor de functie van raadsheer vooral aan zijn vader, de zeer invloedrijke rekenmeester Vincent Cornelisz.. President Gerrit van Assendelft was degene die uiteindelijk het advies aan de stadhouder overbracht.
(1) Audiëntie, inv. nr. 1446/2b, f. 38r (Gerrit van Assendelft aan Anton van Lalaing, 5 december 1533).
(2) Het is een detail uit een raam waarin bovenaan de doop van Johannes de Doper in de Jordaan staat afgebeeld met Jezus die toekijkt. Cornelis knielt tegenover Maria met Jezus op haar schoot. Achter Cornelis staat de heilige Benedictus (zie voetnoot onder). Het glasraam werd voltooid in 1556, toen Cornelis zich al enige tijd had toegelegd op zijn geestelijke waardigheden in Utrecht en zijn post van raadsheer al bijna twee decennia vaarwel had gezegd. Uitlegginge van de wydberoemde en vermaarde glazen, xvi. glas.
Voetnoot (bron: daan Koppenol). Glas 16 vertoont de eerste prediking van Jezus. Op het raam in Gouda dat Cornelis van Mierop als schenker toont van dit fraaie glas staat niet de heilige Benedictus achter Cornelis, maar de Heilige Vincentius. Sint Vincentius is afgebeeld in een blauwe dalmatiek met vuur, molensteen, scherven en vuurhaak. Deze attributen zijn gebruikt toen hij werd gemarteld. Op de vuurhaak zit een klapwiekende raaf die (volgens de legende) weer de beschermer is van de heilige Vincent. Het is niet meer te achterhalen, maar het zou mij niet verbazen als de raaf meester Jacob Ruysch symboliseert.
DNL1931-40-227 ;
„Est Cornelii Myeropii, praepositi Traiectensis. Scriptus est anno Domini X V c . X X X V I I per Johannem de Buyck, iuvenem meum."
Deze Joh. de Buyck was dus iuvenis, misschien leerling, van Gornelis van Mierop (f 1572), die o. a. raad was in het Hof van Holland, en later Domproost van Utrecht. Verder weten wij niets van den jongeling.
MIERLO (Cornelis van), heer van Ketel en Spaland, zoon van de vorige (= Mr. Vincent van Mierop, JK), was doctor in de beide regten, komt in 1534 voor als Deken van de Collegiale kerk van Oude Munster te Utrecht en de Hofkapel te 's Hage, en werd in dat jaar door keizer Karel V om zijne geleerdheid en bekwaamheid tot zijn extraordinair raad in den Hove van Holland benoemd, in 1556 prior, aardsdiaken en kanunnik van St. Salvator te Utrecht, blijkens een geschilderd glas, in hetzelfde jaar aan de Goudsche kerk gegeven, waarop zijn beeldtenis levensgroot in geestelijk gewaad afgeschilderd staat. Hij overleed in 1572 en werd begraven in de Domkerk onder een zark, overdekt met koper, waarin zijn afbeeldsel en wapen zijn uitgesneden.
Zie :
- Arnoldus Drakenborch, Aanhangsel op de Kerkelijke Oudheden van Nederland (Utrecht 1744), pp. 40, 126;
- Jacob de Riemer, Beschrijving van 's Graven-hage Deel I. (Delft, 1730), pp. 237, 238; Deel II. p. 741;
- Hugo Franciscus van Heusen, Oudheden en Gestichten van Zeeland (Leyden, Christiaan Vermey, 1722), Deel I. p. 139;
- De Navorscher Deel VI. bl. 245.
REPERTORIUM OP DE LENEN VAN DE ABDIJ RIJNSBURG, 1227-1649
MONSTER ; 8. De tiende (1560: met haar smaltiende) op de plaats, genaamd Alensgeest, (1515: of Raaphorsttiende), (1383: in Monster).
31-1-1506: Willem van Naaldwijk, gehuwd met Johan, heer van Montfoort enz., draagt over aan Barbara van Montfoort, hun dochter, LRK 123 c. Nd.-Holland fol. 15.
16-7-1560: Sebastiaan Heinemansz., ambachtsheer van Ketel, bij dode van mr. Heineman, ambachtsheer van Ketel, zijn vader, met lijftocht van Anna, diens weduwe, gemaakt 14-10-1545, 700 fol. 6.
28-2-1568: Mr. Cornelis Duyst voor Jan Heinemansz., ambachtsheer van Ketel en ’sGravenambacht, bij dode van Sebastiaan Heinemansz., diens broer, 700 fol. 15.
31-5-1570: Mr. Witte Wittenz., raad in het Hof van Holland, voor heer Cornelis van Mierop, domproost en aartsdiaken te Utrecht, bij dode van Jan Heinemansz. van de Ketel, 700 fol. 20 en fol. 271.
24-7-1573: Jan Boodt voor Jacob Wittenz., zijn neef, ook voor diens vijf broers en zusters bij dode van mr. Witte Wittenz., hun vader, die aankwam van Cornelis van Mierop, 700 fol. 271v272.
24-7-1573: Mr. Rutger van IJlem, advokaat bij het Hof van Holland, voor heer Jacob Vincentsz. van Mierop, heer van Cabauw, bij dode van Cornelis van Mierop, domproost, 700 fol. 272v-273 en fol. 201-204v.
Cornelis liet het huis aan de gracht in Utrecht bouwen tussen Ottone (Hieronymuskerk) en de Jeruzalemstraat. Hij woonde er van 1542 tot 1572.
uit: Utr.Mon.fonds: Het huis van domproost Cornelis van Mierop.
Rep Graf. Lenen van Delft 1268-1648 ; DELFT
5. Het patronaatschap over 6 kapelrieën, elk ter waarde van 8 pond groot Vlaams per jaar, in het college van Sint Hieronimus binnen de stad Delff, en het huis dat op kosten
van meester Vincent Cornelisz. door het college voor diens woning is gebouwd.
31-12-1549: Meester Vincent Cornelisz., tresorier generaal, na opdracht uit eigen samen met het collatierecht van de kerk van Kethel en 2 proven en 2 vicarieën in de Sint Pancraes kerk binnen Leyden, ruim, 150 jaar geleden door meester Philips van Leyden gesticht, als toevoeging aan de ambachtsheerlijkheid Kethel, die hij van de graaf in leen houdt. Het college is op verzoek d.d. 6-4-1537 door de bewoners van het klooster van Sint Jeronimus van de Sint Pouwels orde gesticht na de grote brand van Delff op 3-5-1536, toen de kerk en het klooster verloren gingen en waarna de kerkmeesters van de beide hoofdkerken aldaar, die ook verbrand waren, geweigerd hadden de kerkelijke verplichtingen over te nemen. Zij hebben hiertoe op 9-5-1537 toestemming van de bisschop gekregen, die op 22-3-1538 door de rekenkamer is bevestigd, n.l om eerst gedurende 10 jaar met 4 kapelanen en daarna met 7 een college te vormen. Meester Vincent heeft het college 2 in zijn bezit zijnde kapelrieën geschonken, zodat dit er nu 6 bezit, die gemiddeld elk 8 pond groot Vlaams per jaar waard zijn. Het college heeft hem met toestemming van de bisschop van Uytrecht d.d. 9-4-1538 tot patroon benoemd (L.H. 127, tap N.H., fol. 60).
3-10-1550: Heyman van den Ketel, meester van de rekeningen, bij dode van zijn vader meester Vincent Cornelisz., raad en tresorier van alle domeinen, behoudens de lijftocht van diens weduwe Maria Jacobsdochter (L.H. 127, cap. N.H., fol. 61v).
13-5-1560: Sebastiaen van den Ketel bij dode van zijn vader Heyman van den Ketel (L.H. 129, cap. N.H., fol. 10v).
15-7-1567: Jan Heymansz. van den Ketel, ambachtsheer van ’s-Gravenambacht, bij dode van zijn broer Sebastiaen van den Ketel (L.H. 131, cap. N.H., fol. 23).
28-5-1570: Heer Cornelis van Myerop, domproost te Utrecht, hulde door meester Witte Wittensz., raad in het Hof van Holland, volgens procuratie d.d. 27-5-1570, bij dode van zijn neef Jan Heymansz. van den Ketel (L.H. 131, cap. N.H., fol. 58).
3-8-1573: Meester Jacob van Cabau bij dode van zijn broer meester Cornelis van Myerop, domproost te Utrecht (L.H. 132, cap. N.H., fol. 7v).
7-12-1592: Jacob heer van Cabau, tocht zijn vrouw jonkvrouwe Catharine d’Oosterlinor (L.H. 135, fol. 113v).
10-4-1593: Adriaen van Ylen Rutgersz. volgens procuratie verleend op 5-4-1593 door meester Jan Stalpert, Cornelis van Bleyenburch, jonkheer Jan van der Mijle namens zijn vrouw, Philips van Gindertalen en meester Quirijn Jacob Wittensz., namens de erfgenamen van Jacob van Mierop, heer van Cabau, zijnde de kinderen en de kleinkinderen van diens zuster Margaretha, Eva, Maddalena en Martha, volgens octrooi d.d. 6-12-1581 en diens testament d.d. 3-3-1593, behoudens de lijftocht van diens weduwe (L.H. 138, fol. 122-130).
3-8-1573: Meester Jacob van Cabau, hulde door zijn neef Cornelis van Mierop volgens procuratie op 14-7-1573 verleden voor het gerecht van Gendt, bij dode van zijn broer heer Cornelis van Myerop, domproost (G, fol. 42).
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Cornelis Vincentsz [dr Domproost] van Mierop | ||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.