Het klooster van 's Hertogen Eiland (Insula ducis) te Gempe
(Pellenberg 1219-1229, Sint-Joris-Winge 1229-1793)
De stichting van het Norbertinessenklooster van Gempe in 1219 wordt toegeschreven aan ridder Renier van Udekem, heer van Schaffen en Lubbeek.
Volgens de legende zou de ridder uit financiële overwegingen en ertoe aangespoord door de Heilige Geest, beslist hebben zijn hof te Pellenberg om te vormen tot een vrouwenklooster, om een waardige toekomst te verzekeren aan zijn acht vrome dochters. De nieuwe instelling kwam zeer vlug in moeilijkheden met de abdij van Park te Heverlee[1]: volgens de regels van Prémontré lag het klooster te dicht bij de abdij[2].
Hendrik I, hertog van Brabant, redde het klooster van een verzekerde afschaffing door de Orde van Prémontré, doordat hij in 1229 12 bunder laag gelegen grond en een watermolen schonk, gelegen te Gempe onder Sint-Joris-Winge[3]. De hertog voerde hiermee een bewuste politiek: door de schenking van onontgonnen gronden aan kloosters en abdijen werd het hertogdom verder ontgonnen.
De nieuwe kloostergemeenschap vestigde zich te Gempe, ergens in de buurt van het huidige gehucht. Het klooster verkreeg het tiendenrecht van drie parochies uit de omgeving, nl. Kortrijk-Dutsel, Nieuwrode en Sint-Joris-Winge. Met de watermolen, de gronden en de tienden ontstond een zekere financiële autonomie ten opzichte van de abdij van Park . Het klooster werd op die manier bestendigd (andere zusterkloosters van abdijen hebben deze kans niet gekregen en werden in de loop van de 13de eeuw afgeschaft). Een periode van gestadige groei ving aan dank zij vele schenkingen van grond, geld en renten[4].
De vestiging te Gempe schonk geen voldoening: de toenmalige baan van Leuven naar Diest lag te dichtbij en de plaats was te vochtig. In 1252 verhuisde het klooster naar zijn definitieve vestigingsplaats op 600 meter ten zuiden van het gehucht Gempe, stroomopwaarts langs de Molenbeek. Het is niet duidelijk of de naam "'s Hertogen Eiland" van de eerste of de tweede vestiging te Gempe afkomtig is.
bron: dissertatie Jean Steenberghen / KUL-1981.
In 1219 stichtte Reiner Udekem een norbertinessenklooster in Pellenberg, later gekend als het klooster van Gempe, waarin hij zijn dochters onderbracht. In 1263 verwerft Nicolaas een weide naast zijn woning gelegen in Korbeek. Een andere ridder Nicolaas Udekem blijkt in 1367 een watermolen en pachthof "d'Udekem met vijvers gelegen te Udekem in de parochie Korbeek-Lo" te bezitten in het gehucht Udekem.
Aangezien een watermolen aan een beek moet liggen en de Molenbeek de enige waterloop van allure te Korbeek-Lo is, komt Van Ermen via deductie tot het besluit dat de watermolen en het bijhorende hof daar dus moeten liggen.
De Leuvense professor Middeleeuwen Van Ermen vond in het oudste schepenregisters van Leuven de nodige bewijzen.
In 1219 stichtte Reiner Udekem een Norbertinessenklooster in Pellenberg waarin hij zijn dochters onderbracht. In 1263 verwerft Nicolaas een weide naast zijn woning gelegen in Korbeek. Een andere ridder Nicolaas Udekem blijkt in 1367 een watermolen en pachthof "d'Udekem met vijvers gelegen te Udekem in de parochie Korbeek-Lo" te bezitten in het gehucht Udekem (Udecom).
Aangezien een watermolen aan een beek moet liggen en de Molenbeek de enige waterloop van allure te Korbeek-Lo is, komt Van Ermen via deductie tot het besluit dat de watermolen en het bijhorende hof daar dus moeten liggen.
https://www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=189
Zij is getrouwd met Ywanus [militis - ridder] van Winghe, dict. Stalpart.
Zij zijn getrouwd
De acte uit 1263 vermeld Ywanus de Winghe en Elisbeth als diens vrouw (uxoris mee).
De relatie met de familie Overloo wordt benoemd. Vermoedelijk was Elisabeth een mogelijk dochter van Lambertus van Overloe, zuster van Godfried van Overloo.
Kind(eren):
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Elisabeth van Overloo | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ywanus [militis - ridder] van Winghe, dict. Stalpart | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.