Claes Henrick van der Heijden en diens wettige zuster Jutta Henrick van der Heidjen met haar voogd verkopen samen met schepenbrieven daarvan aan hun broer Willem een stuk land waarvan Katalijn de weduwe van genoemde Henrick nog het vruchtgebruik heeft maar vandaag afstand van haar recht van vruchtgebruik heeft gedaan. Het betreft de beemd genoemd de Streep, groot ca. een zesterzaad gelegen in herdgang Spoordonk, b.p. de kinderen van Loijen Timmermans, Henrick Wouters van der Heijden, de straat, de heer van Merode. De verkopers beloven alle lasten van hun kant af te handelen ook de ongenoemde, behalve 2 en een halve oude groten als cijns die ze samen zullen betalen. Datum 13 december 1491, getuigen Crom en Kaerle.
Claes zoon wijlen Henrick van der Heijden verkoopt met schepenbrieven van Oirschot aan Loijch Loich Timmermans een pacht van anderhalf mud rogge, maat van Oirschot, uit een pacht van 5 en een halve mud rogge, welke pacht Willem en Jutten met hun voogd, zijnde kinderen van wijlen Henrick van der Heijden hadden beloofd aan genoemde Claes, steeds op Maria Lichtmisdag op onderpand van bezit dat Willem en Jutten van deze Claes hadden gekocht, te weten het derde deel van een huis, tuin etc., zoals hun vader Henrik van der Heijden dat eerder had gekocht van Jacop Jan Marcelis van Vessem. Nog op onderpand van het derde deel van een beemd genoemd dat Cleijn Beemdeken, nog uit het derde deel van een bunder beemd genoemd de Zes Bunders, nog uit het derde deel van een beemd genoemd de Tielenbeemd, nog zijn deel in een beemd genoemd de Maercolf, zoals dat bezit door Willem en Jutta van deze Claes was gekocht voor de vermelde pacht van 5 en een half mud rogge, alles volgens de brief daarover d.d. 27 augustus 1486. De verkoper belooft alle lasten van zijn kant af te handelen, maar houdt wel zijn aflossingsrecht van de pacht, maar daarbij zal als er in mindere geldsoorten wordt betaald dan een vuurstaal voor 3 vlaamschen, de goudgulden voor 27 stuivers, dat Claes dat verschil dan aan Loijch zal bijbetalen. Datum de andere dag in februari 1495, getuigen Loijch en Ansems.
Schepenen in Oirschot verklaren hierbij dat we een schepenbrief hebben gezien voorzien van het Oirschots zegel en nog geheel intact met de volgende inhoud :
Wij, Daniel van Vlierden, Jacop van Dormalen, Henrick de Crom, Joerden Ansems van Liefveld, Peter Gielis Snellaerts, Joerden Dirck Hoppenbrouwers en Jan Henricks van der Vloeten, schepenen verklaren dat voor ons zijn verschenen Willem en Jutta wettige kinderen van wijlen Henrick van der Heijden welke Jutta vergezeld is door haar voogd, en ze pachten nu ( in feite kopen tegen een pacht, JT) van hun wettige broer Nicolaes het derde deel van een huis, tuin etc., zoals hun vader Henrick van der Heijden dat had gekocht van Jacop Jan Marcelis van Vessem. Nog het derde deel van een beemd genoemd dat Cleijn Beemdeken, nog het derde deel van een bunder beemd genoemd de Zes Bunders, nog het derde deel van een beemd genoemd de Tielenbeemd, nog zijn deel in een beemd genoemd de Maercolf, zoals dat bezit door Claes was geerfd en was toebedeeld in de deling tussen Willem en Jutten met hun moeder Katerijn. Dat was gebeurd voor de grondchijns en nog voor het derde deel van 2 pond paijment aan de heer van Helmond, nog voor het derde deel van anderhalf pond paijment aan Jan Vughts of aan de joffrouw van Geldrop, nog tegen betaling van 2 pond paijment aan het altaar of het gilde van St. Katharina te Oirschot, nog voor het derde deel van 9 en een halve lopen rogge aan Peter Gielis Snellen, nog voor het derde deel van anderhalf mud rogge aan de kinderen van Willem Aelbrechts, nog voor het derde deel van een half mud rogge aan Goossen Vos natuurlijke zoon, nog voor het derde deel van een half mud rogge aan Goijaert Hacken, nog voor het derde deel van een half mud rogge aan Peter Aleijten, nog voor het derde deel van een half mud rogge aan Goijaert Hacken, nog voor het derde deel van een half mud rogge aan Ermgard van Kervelem, nog voor het derde deel van een mud rogge aan heer Henrick Belaerts, alles maat van Oirschot. Daarnaast nog voor een pacht van 5 en een half lopen rogge Oirschotse maat, steeds op Maria Lichtmisdag aan genoemde Claes te betalen en voor de eerste keer per a.s. Maria Lichtmisdag over een jaar. Genoemde Willem en Juet beloven het onderpand in goede staat te houden voor de betaling van de 5 en een halve mud rogge. Opgemaakt op 27 augustus 1486.
Nadat we de brief hebben gelezen is verder verschenen Loijch Loijch Timmermans en heeft belooft aan Dirck de Cort en aan Claes Henricks van der Heijden dat hij aan elk van hen beide
27-v)
de onbeschadigde brief over de 5 en een halve mud rogge zal overhandigen, zodat elk van hen daarmee zijn rechten kan uitoefenen als dat nodig is en nadat zulks is gebeurd dienen deze Dirck en Claes de brief weer onbeschadigd terug te geven aan genoemde Loijch, behalve als de brief verongelukt door brand of ongeval buiten hun schuld. Genoemde Dirck de Cort en Claes wensen van deze brief een gezegelde akte te ontvangen. Datum 2 februari 1495, getuigen Loijch en Ansems.
Claes Henricks van der Heijden heeft aan zijn broerWillem beloofd dat hij hem zal vrijwaren voor een borgstelling die Willem eerder voor Claes heeft gedaan voor de pacht van de hoeve van de heren van Merode gelegen in herdgang Spoordonk, welke belofte Claes had gedaan voor Adriaen Vos als schout en rentmeester voor de Merodes en voor jonker Goijaert Torck, welke pacht Willem weer had overgegeven aan Aert Aernt Vos zoals ze zeiden. Als er schade daarin zou ontstaan dan zal Claes daarvoor garant staan, alles op onderpand van zijn persoon en bezit. Datum 27 maart 1496, getuigen Peter en Henrick.
Claes Henricks van der Heijden verkoopt nu aan here Henrick van Esch, priester, die een pacht van 3 en een half mud rogge per jaar, Oirschotse maat, uit een jaarlijkse pacht van 5 en een half mud rogge, welke pacht Willem Henricks van der Heijden en met hem diens wettige zuster Jutten met haar voogd hadden beloofd aan gemoemde Claes, steeds op Maria Lichtmisdag op onderpand van de volgende percelen, welk bezit Willem en Jutten hadden gepacht van van genoemde Claes voor die 5 en een half mud rogge en meer andere lasten eruit. Dat betreft het derde deel van een huis, tuin etc., zoals Henrick van der Heijden hun vader dat had gekocht van Jacop Jan Marcelis van Vessem, nog het derde deel van een beemd genoemd dat Cleijn Beemdeken. Nog het derde deel van een beemd genoemd de Tielenbeemd, nog zijn deel in een beemd genoemd de Maercolf alles volgens een brief d.d. 27 augustus 1486. Genoemde Claes belooft alle lasten hierin van zijn kant af te handelen, behalve wat betreft het aflossingsrecht dat Claes eerder was gegeven door genoemde Willem en Jutten, en ook met uitzondering van het aflossingsrecht van een half mud rogge als Willem en Jutten van der Heijden eerder hadden afgelost uit een pacht van de 5 en een halve mud rogge. Datum 2 april 1497, getuigen Rutger Stayakker en Dirck.
Bossche Protocollen Oirschot op http://geneaknowhow.net/script/dewit/oirschot-start.htm