Begraven op 14-8-1989 te Bloemendaal op het Adelbertus kerkhof
Hij is getrouwd met Margaretha Petronella van Velsen.
Zij zijn getrouwd op 26 april 1939 te Haarlemmermeer, hij was toen 26 jaar oud.Bron 2
Hier volgt een verhaal geschreven door Johannes Blijleven (geboren 7-4-1913), opgetekend in 1987.
[bron: Greet Kolhorn-Blijleven, zijn dochter]
-
AMSTELVEENSCHEWEG
Terwijl hij liep te wandelen, langs de voetbalvelden om zo zijn rondje te maken over de Bergweg naar de ruïne van Brederode, dat is een oude weg, die er al eerder was dan de Brederodelaan, waar nu alle verkeer langs, op, of over rijdt.
Hoewel hij het zelf niet heeft meegemaakt, wist hij nog wel van vroeger dat er een groot gedeelte niet geheel bestraat was. Een paardenpaadje was wel bestraat en er stonden toen bar dikke bomen langs de weg.
Het deed wat romantisch aan, als je het terug riep in je gedachten, och zo was het misschien ook wel. Je zou er eigenlijk een paar notities van moeten maken dan zou je dat later in een boekvorm kunnen schrijven, als je tenminste schrijven kon.
Dan begon je bijvoorbeeld van heel vroeger, je eerste herinneringen. Dat zou er ongeveer als volgt uit zien.
Ga maar met (me) hem mee, weer naar een weg met een paardenpaadje en aan weerskanten grote bomen en ook een graskant, dus geen berm die bestond toen nog niet en daarnaast aan weerskanten sloten. Je hoort de kikkers erin en aan de andere kant van de sloot liepen de koeien en paarden. Die weg liep langs mijn (zijn) huis, Hij kwam van Amstelveen en ging naar Amsterdam, waar de tegenwoordige bosbaan aan de Amstelveense weg aankomt, daar stond zijn geboortehuis.
-
RONDJE KALFJESLAAN, OUDERKERK
In die tijd zag men alleen maar paard en wagens en hondenkarren, hele mooie tilburries, tentwagens, vigelante, twee- en vierwielige wagens met 1 en 2 en 4 paarden er voor met palfenier achter op de wagen, die maakte een rondje Kalfjeslaan, Ouwerkerk aaan de Amstel, Honderden hondenkarren ook soms met 3 stuks voor een kar. Meestal waren dit schilleboeren, die de schillen in Amsterdam bij de mensen en bij de horeca vandaan haalden, ze verkochten dan die schillen en ander afval aan boeren, die wel koeien hadden, maar geen land hadden. Dat kwam omdat ze hun land hadden verkocht aan mensen die dat land gingen vervenen. Daar werd de zogenoemde korte, harde turf gemaakt. Die polder heette het Karnemelksegat.
-
BLIJLEVEN, VERVENERS
Nou daar heeft mijn grootvader nog geveend, zoals dat toen nog heette. Hij was eerst rietsnijder en baggeraar en is ergens bij Woerden of Boscoop uit de lucht komen vallen.
De naam Karnemelkse gat komt nog van de tijd dat de Haarlemmermeer nog water was en met zuidwester storm er zoveel schuimkoppen op de golven stonden dat het wel karnemelk leek, en de melk van de boeren werd met schuiten naar Leiden en den Haag gevaren, alles nog in bussen. Bij aankomst bleek in veel bussen dan ook met slecht weer door het schommelen al boter te zitten en vanzelf ook karnemelk. (Je ziet het ook aan mijn schrijven!)
Nou goed, die Grootvader van me is door een veenboer, zo werden ze genoemd, hij heette van de Broek, geholpen om voor zijn eigen te beginnen. Hij had reeds een paar jaar bij hem gewerkt.
Mijnheer Van de Broek, zo ging dat toen, vond mijn grootvader tamelijk intelligent, want hij had onder dienst rekenen en lezen geleerd bij een kaptijn. Schrijven ging iets minder, vandaar dat ik toch nog iets van hem heb! Hij kon een jaar lang elke week geld van hem halen ( f 3,=) en hij mocht ook al het gereedschap gebruiken wat hij nodig had, dat was niet alleen schop en stikijzer (jullie zeggen steekijzer, wij niet) maar ook 2 schuiten (wij noemden die bokken). Ze waren plus minus 10 - 15 ton laadvermogen (5 of 7,5 last) ook vaarbenodigheden, vaarbomen, zeilen, toeter, (Ome Kees heb nog altijd die toeter) die had je nodig als je door de brug moest, om de brugwachter wakker te maken. Schuiten met riet, om de turf droog te houden. Daar hoefde hij vroeger geen rente voor te betalen, als ie de boel van mijnheer Van de Broek ook maar een beetje in de gaten hield. Er konden rietschelven omwaaien, of schuiten losraken door storm, dan deed je wat nodig was, en zo hoort het ook.
Na enige jaren ging het heel goed, temeer daar mijn opa twee jongens had en een dochter, dus die konden mooi meewerken. Zo kocht hij later land om te vervenen in Broek en Waterland en ook in Ilpendam allemaal voor turf. Het laatst kocht hij in 1920 18 bunder land tussen Halfweg en Sloterdijk. Daar heb ik met Kees en Piet ook gewerkt. Dat land kostte 5 x 18.000 = 90.000 gld.
De oude Piet zo heette hij in de volksmond had toen ongeveer 14 mensen in dienst. Een zoon Dirk ging op zijn eigen werken in Ilpendam en behartigde ook de zaken die zn vader daar ook had met de turf. In die tijd ging Grootvader 1x per week naar Krasnapolskie voor zaken. Hij liet toen ook een ringbaard staan. Zo kenden wij hem. (Ome Dirk begon in Ilpendam, nadat oma was gestorven, door de boedelscheiding kon hij dat land kopen. De geschatte waarden was 100.000,=)
Maar zijn gedachten gingen terug hij zou b.v. ook kunnen schrijven van zijn verblijf bij zijn familie. t Zat namelijk zo:
Hij woonde aan de Amstelveenscheweg in een verbouwde boerderij, dus was er van de stal 3 of 4 huizen gemaakt. Hij kon zich nog herinneren dat de groep in de keuken nog wel te zien was. (een groep, wat dat is?, nou in een groep scheette?, schijtte?, scheite? de koeien). Nu was het een afvoer in de keuken, de pomp zon koperen met een kromme slinger er aan.
De herinneringen van dat huis zijn niet zo heel veel, maar wel wat indrukken die je niet vergeet. Twee keer een heel mooi kistje gezien met eerst een keer een broertje (Adriaan?) erin. Vader liet het me zien, hij zag erg wit toen ik hem zag en hij had hele dunne, platte vingertjes en hij sliep werd er gezegd, maar hij was wel dood. De tweede keer weer een wit kistje daar lag Jansje in, met een kroontje op haar hoofd. Vader liet ons dat zien, waar moeder was, kan ik me niet herinneren, maar het meisje werd 1 november 1917 te Buitenveldert begraven, nu nog bekend.
.
BIJ HET OVERLIJDEN VAN ZIJN MOEDER ANNA VAN DEN BERG IN 1918.
Toen kwam de tijd, dat mijn moeder, ze heette Anna van den Berg [geboren 1881] erg ziek werd. Om het nog een beetje leefbaar te maken werden wij naar Opoe van den Berg [Petronella van den Berg-Vermeer] gebracht. Daar zijn we zon groot jaar geweest, ik met Ome Piet. De andere kinderen gingen naar de een of andere tante en een andere tante hielp moeder thuis, maar op het laatst kon ze niet meer van bed. Ze had TBC en verzwakte steeds meer. Op een dag ik weet het nog of het gisteren was gebeurt, ik speelde naast de schuur zon lange schuur en hij rook naar teer, waar alle bewoners een gedeelte van hadden. Het voorste gedeelte had Geilswijk, die hield er varkens en er stond ook een paard, van die varkens werd iedere dag een paar plakken spek van hun neus gesnede, daarom hebben ze van die platte neuzen.
Bij ons in de schuur lag turf en twee geiten stonden er in de winter. Zomers stonden die geiten aan een touw langs de spoorbaan, die baan liep van Amsterdam naar Amstelveen en zo door naar Bovenkerk en nog verder. Soms brak de geit los en liep dan op de spoorbaan. Ik heb zelf gezien dat Bello, zo hete die trein, omdat als hij reed hij altijd moest bellen, moest stoppen om de geit van de spoorbaan te jagen. Verder had KEES GOMES [waarschijnlijk een broer van Cornelia Gomes, zie aldaar] ook een gedeelte van die schuur, hij was scheepmaker en onderhield de bokken (waar ik van geschreven heb) en de roeiboten van de verveners. Kees Gomes was ongelukkig, hij liep met een stok en zijn knieen zaten aan elkaar. Ik keek met hem naar de vliegtuigen die van Schiphol kwamen, en toen scholt hij er al op) en daar achter stond dan de plee. Kun je nagaan als je s nachts of s avonds naar de plee moest, dan moest je op je blote benen in je klompen de hele werf over lopen om naar de plee te kunnen. Ik heb een keer meegemaakt dat ik er was, en toen zat de buurvrouw er op, dan ging je maar zoveel mogelijk uit de wind staan!
Maar goed ik was toen aan het spelen zoals ik al zei, toen Vader me van achteren oppakte en zei dat ik even mee naar binnen moest komen. Toen ik binnen was waren er veel mensen, wie weet ik niet meer, maar ik stond met Piet aan het hoofdeinde van het ijzeren ledikant wat beneden stond, dat is het enige wat ik van mijn moeder kan herinneren. Ze lag zwaar te hijgen en keek ons aan met hele grote ogen, bruine grote ogen. Ze wilde wat zeggen, maar ik weet niet wat het was. Na een poosje werd ik opgetild en mocht ik mijn moeder een kusje geven maar ze keek niet meer.
-
BEGRAFENIS ANNA BLIJLEVEN-VAN DEN BERG
Even later kwam ik een keer naar buiten, ik had vast een nieuw pak aan, want het zat allemaal zo mooi en ik mocht niet spelen, ik keek ons pad af, het was een oprijlaan en op het eind van het pad aan de Amstelveensche weg stonden 2 grote dikke bomen en daar op de weg zag ik een zwarte wagen en 2 zwarte paarden en die hadden van die grote pluimen op hun kop, ook zwart en hele lange dekens over hun heen, ook zwart, alles was zwart, die paarden konden niet zo goed stilstaan steeds maar met die koppen (geen hoofden!) heen en weer. Ik heb gezien dat ze de kist in de wagen laden, maar wie erin lag drong niet tot me door.
Het laatste wat ik verder nog weet is dat de kist in de kuil lag en er zand op werd gegooid, dat gaf zon dof geluid en verder dat Piet erg huilde, misschien heb hij ze ook wel het meest gemist, daarom mocht hij misschien wel als eerste weer naar haar toe.
-
NAAR HET WEESHUIS
Op een dag ik geloof dat het zondag was gingen we met Vader mee naar een heel mooi huis. Voor het huis stonden aan een poort bij de sloot aan weerskanten 2 grote treurwilgen (wel een beetje simbolies). In de kamer stonden rood fluwelen stoelen en een mahonie houten ronde tafel, een kleed op de grond, een prachtige kachel met daarachter allemaal prachtige tegels en er stonden planten voor het raam en hele mooie gordijnen.
Toen kwam er een zuster, die ging met vader praten?? Enfin even later gingen we door een gang naar een andere kamer, daar stonden 2 grote tafels met aan weerskanten banken en aan de andere kant een grote kast met allemaal deurtjes, voor ieder kind een kastje om je speelgoed en andere dingen in te doen, als je die al had.
Toen we binnen waren kwam er een hele mooie tentwagen met een paard er voor, die werd op tafel gezet en ook een hele mooie kerk van hout en voor de ramen mooi rood papier, als er dan een kaarsje in werd gezet was het een heel mooi gezicht, door dat roode papier.
Enfin vader nam afscheid, de tentwagen en de kerk en het treintje werden opgeborgen en ik heb ze praktisch nooit meer gezien, alleen als er weer een paar nieuwe kinderen kwamen.
Het was er eerlijk gezegd niet zo heel erg leuk, maar ik was te jong (4 jaar) om dat precies te beseffen. Alles op de bel, als de bel ging moest je aan tafel gaan zitten op de bank, dan ging de bel en ging je staan en werd er gebeden met de zuster, die stond aan het begin van de tafel, daar stonden dan de borden en ook een hele grote pan met eten, wat er in zat weet ik niet meer, maar het was altijd stamppot en ook wel aardappelen die niet geschild waren, t was immers in de eerste wereldoorlog, maar de zuster schepte op een bord en gaf dat aan het eerste kind, die pakte dat met een buiging aan en gaf het door aan het volgende kind ook weer met een buiging, die het verste weg zat kreeg dus het eerste, maar die moest wel wachten tot ze allemaal hadden, dan ging de bel en mocht je beginnen, dat betekende wel, dat je alles moest opeten, niet lusten was er niet bij, als het niet op was, moest je blijven zitten en anders kreeg je het s avonds weer.
Mijn zuster Nel heb het eten nog eens een keer in een sloopje van een poppebedje gekieperd, maar dat kwam later toch weer uit. Hoe het verder is gegaan weet ik niet meer en dat zou je dus aan haar moeten vragen.
In het weeshuis, moesten de kleintjes waar ik ook bijhoorde allemaal lapjes goed van de naaikamer uitelkaar rafelen, daar werden dan weer kussens van gemaakt als vulling. Ook elke dag je portie aardappelen schillen moest gebeuren, later hoefde dat niet meer. t was oorlog dus toen was er ook gebrek aan alles, dus de aardappelen werden met schil en al gekookt. Ik weet ook nog wel dat het brood dat we kregen, daar zat de leng [een soort verschimmeling] in, dat kon je zien als je je sneetje brak, dan zaten er allemaal draden in, dan deden we wie de langste draden had in zn brood. Het goede meel werd verkocht aan Duitsland en het slechte meel was vochtig geweest en bleef voor de Nederlanders. Geld stonk toen ook al niet!
Daar heb ik mijn eerste toneelstuk opgevoerd wat de zusters ons hadden geleerd. Familie in de zaal nou ja... zaal, een grote kamer waar we anders kleuterschool hadden en wat ik nog weet is een zin Ik mijnheer de Glad, kom zojuist uit de stad met mijn tien kleine negertjes, dat was alles en ik had een hoge hoed op en een zwart jasje. Ook iedere ochtend naar de kapel en ook voor het avondgebed als je langs de kapel liep, moest je altijd knielen. Naar verloop van tijd, was ik al mijn zusters en broers kwijt, ik wist helemaal niet meer wie bij wie hoorde, en ik maakte er ook geen punt van.
Toen ik na 2,5 of 3 jaar weer naar huis mocht, merkte ik dat ik weer broers en zusters had. Mijn vader trouwde met mijn tweede moeder en toen mochten we het weeshuis verlaten.
Ik herinnerde me nog, ze waren in de kerk getrouwd van de Buitenvelder, ik was er niet bij, maar ik werd opgehaald, door mijn zuster Martha en Piet en Lena Favié, dit waren namelijk de 2 kinderen van mijn tweede moeder. Toen ik thuis kwam zeiden ze, dat is nu je moeder en ik vond het best.
-
Later zijn we nog eens terug geweest om de zusters gedag te zeggen. Zuster Irma, de liefste, Zuster Vianda, niet zo leuk, Zuster Carolina, een hele dikke, die bakte altijd brood en ik mocht ook eens een klein broodje maken van deeg en later toen het gebakken was mocht ik het opeten, ik vond ze heel aardig. Het waren wel veel duitse zusters, er waren er nog meer, maar ik kon ze niet allemaal van naam. Een keer een reünie, omdat er een jongen die ook in het weeshuis was geweest, kapelaan was gewijd, toen op dat feest heeft mijn zuster Martha en ook Nelly kennis gekregen aan Valentinus Smit en Joop Smit, twee broers die allemaal in hetzelfde huis waren geweest.
-
TURFSCHUIT
In de vaart bij ons huis lag een schuit. Vader had er turf mee naar de Overtoom gebracht en was teruggekomen en had de schuit bij huis vastgemaakt. Hij had hem verlopig niet nodig, wij mochten er niet op, maar ja dat is een uitnodiging om er juist wel op te gaan en ik er ook op, maar het duurde niet lang of ik lag in het water. Het water was groen en ik zonk al onder die schuit. Ik schopte met mijn klompen tegen de bodem en dronk steeds meer water, tot dat ik werd gepakt aan een been, en dat was de Bullebak waar ze ons altijd voor waarschuwde als je te dicht bij het water kwam. Hij zou me wel opeten of zo, maar dat was eigenlijk geen punt meer, maar na een poosje liep ik weer op de werf en er was ook zon want ik moest goed in de zon lopen, dan was het gauw over en ik moest ook overgeven, meer weet ik er niet meer van.
-
OPOE VAN DEN BERG-VERMEER, 't OOIEVAARSNEST, OP DE MUZIEK
Dat was wel zon beetje de Amstelveensche weg, waar Opoe v.d. Berg in t Ooievaarsnest heeft gewoond, dat is op een keer helemaal afgebrand. Later woonde zij tegen over de dikke molen van van de Burgs.
Achter dat huisje had ze een regenput, met een aker en een touw er boven op.
En voor de ramen op de vensterbank buiten altijd rooie bloempotten met floxinias, ik vond het rot bloemen, en daarom heen een klein groen hekje met witte puntjes, zodat die potten niet van de vensterbank konden vallen. Mijn ooms, er waren er nog maar een paar getrouwd, de rest was nog thuis, waren allemaal op de muziek. Allemaal blaasinstrumenten en een herrie! Opoe werd er krezie van, maar wel gezellig, en mijn tantes hadden jongens die ook op de muziek waren, alles kwam na de hoogmis naar Opoe en me tantes konden ook nog goed zingen, maar zo goed als mijn moeder kon zingen, was er geen een. Zij zong veel op bruiloften en op Koninginnefeest, of andere gelegenheden. Dit heb ik later gehoord van mijn ooms en ook wel van Martha.
-
DE VADER VAN OPOE VAN DEN BERG.
De Opa [waarschijnlijk bedoelt hij haar vader Cornelis Vermeer, geboren 1820, overlijdensdatum onbekend] van mijn Opoe van den Berg heb ik maar één keer gezien tijdens mijn verblijf bij haar. Dat was toen hij na maanden of jaren terug kwam van de barbier, het juiste is me nooit verteld, maar hij moest meteen naar boven van mijn Opoe en ze was nog kwaad ook op hem en wij moesten maar niks zeggen tegen hem, hij had zijn geld verloren. Hoe het zat ik weet het niet, want hij heette geloof ik van de Meere? [Vermeer]. Ik heb hem toen hij s morgens wegging nooit meer gehoord of gezien. Wel liep hij rechter als toen hij kwam.
-
DE OUDSTE DOCHTER VAN OPOE VAN DEN BERG, CATHARINA STOKKEL-VAN DEN BERG
Opoe had een dochter, die was getrouwd met een schilleboer en die hete Stokkel. Die woonde aan de Noordammerdijk even voorbij Bovenkerk. Daar ben ik een keer geweest met mijn grootmoeder met het spoor van Amstelveen naar Bovenkerk (kosten 1 dubbeltje) daar kreeg ik peultjes te eten, ik moest op een stoof zitten met mijn bord op mijn knieën. Ik zag alleen maar zwarte gebreide kousen en van die bittere peulen. Ik haalde de wortels er tussen uit, dat ging wel, maar ik moet nu nog die schillen niet.
-
TAAIE RAKKERS
Op een keer kwam er een dochter van Ome Stokkel, ik geloof, dat hij op visite was toen, en ome Piet was 15 jaar en ik 14 en Cees 12. Wij vroegen wat haar vader deed en toen zei zij: Mijn Pa is schilleboer. Wij bescheurden ons allemaal, want hoe kan een Pa nu schilleboer zijn!
Maar goed dat was de eerste keer dat ik in de trein gezeten heb. Dat waren allemaal apparte coupé s, houten banken en een treeplank langs de hele wagon.
Ome Jan is 93, Oom Cornelis is 96, Tante Marie 89, Opoe 82, Tante Jans 96, Tante To 56 jaar geworden. Allemaal betrekkelijk oud.
-
We gaan eerst een eindje om en dan schrijven we straks wel weer verder.
Dat is dus 14 dagen geworden, maar dat mag hem niet hinderen. De tijd gaat gewoon door.
-
OP SCHOOL
We gingen bij Meester Bertels op school. Die school stond tegenover de begraafplaats Buitenveldert, nu nog wel bekend, omdat daar allemaal mensen liggen die er niet meer zijn, dus in veel gevallen onbekend zijn.
Naast onze school staat nu het voetbalstadion, maar in mijn tijd stond het voetbalstadion op het tegenwoordige Stationsplein en t was een houte beweging.
Maar in 1921 was het Karnemelkse gat uitgeveend en hadden mijn grootvader en mijn vader land gekocht in de nieuwe veenderij die toen moest beginnen, om er turf te baggeren. Zodoende verhuisden wij van de Amstelveenseweg naar de Osdorperweg C 268 want de nieuw polder zoals hij genoemd werd lag tussen de Osdorperweg en de Haarlemmerweg.
Wij betrokken een mooi nieuw huis, wij waren de eerste bewoners. Toen de schuit waarmee we van de Amstelveensche weg naar de Osdorpwegweg verhuisde over de Nieuwe meer voer heb ik nog een bal verspeeld, hij viel over boord. We voeren gewoon door. Zo iets vergeet je niet.
De knechts van mijn vader hielpen mee laden van de schuit en het lossen. De knechts heten Hannes van Rooyen en Tijs de Jong en Pol Tijssen de vader van Nico Tijsen, waar ik nog mee op de foto sta.
t Was mooi weer en we gingen een dag later naar school op Osdorp bij Meester Bos en Juffrouw Barendsen, later ook meester Beer.
De laatste had Ome Piet een keer een paar tikken gegeven, en dat kwam vader te horen doordat alle kinderen erover praten. Die ging eventjes naar school om even met hem te praten, nou dat ging ongeveer zo, dat je er nu misschien wel een regeringscrisis van zou krijgen. Beertje scheet dikke strond, want zijn kerkhof was hem op niet mis te verstane woorden aangezegt als hij het nog maar een keer zou proberen om naar hem te wijzen of naar een ander kind van de school.
Beer is niet lang op die school geweest. Hij moest altijd voorbij ons huis lopen, dat vond hij niet zo fijn.
-
WONEN
De zomer ging voorbij en het werd najaar met regen en wind. Met wind woeien er altijd pannen van het dak, dat maakte een herrie of heel de hel was losgebroken, je schrok je altijd lam. En dan het laatste stuk van de goot naar de grond, dat gaf ook weer een rot klap, dan waaide de luiken steeds open en dan met een rot klap weer dicht, noch erger werd het als het erbij regende, dat werden er overal emmers, potten, schalen neergezet, want het lekte als een mand. Nou wil het geval dat wij er in kwamen er geen behang op de muur zat. Moeder wilde behang, vader vond het heel best, dus vraag maar aan Hein Jansen de schoenmaker, die kwam de huishuur ophalen, maar Concordia, zo heette de Woningvereniging van de Veenderij gaf geen behang, daar moest je zelf voor zorgen.
Vader vond dat het een grote misdaad zou zijn als je voor 8 kinderen en een vrouw en voor je zelf brood moest kopen, om dan je geld op de muur te plakken, met als gevolg dat er dus geen behang op de muur zat en als het dan lekte, lekte het ook niet op het behang, wat dan losliet.
Maar het was geen punt. Op een kalkmuur kon je ook schrijven desnoods met een spijker. Onze namen zijn tot heden nog te lezen als ze het behang er voorzichtig afhalen.
Maar goed het regende s nachts weer eens en nog onweer ook, dus dat werd weer emmertjes, pannen en zelfs pispotten her en der neergezet, het bed opzij gezet en aan het voeteind een paraplu. Maar met dat al kwam men wel s nachts rust te kort, geen regen in de regenput maar wel in huis en daarvoor voor moest dan f 6,= huur betaald worden. En dat je in 1921 een oerdroge zomer buiten de onweersbuien om, die je zo leek het altans iedere avond had, toch zonder water kwam te zitten. Water om te drinken moesten we van Halfweg halen. Op de hoek van de Oranje Nassaulaan waar nu tweedehands meubelen te koop zijn, was toen een bottelarij van bier, die man heette Cornelisse, kostte 10 cent een emmer.
-
Wassen deed je in de sloot achter de tuin, maar dat was voor ons niet zo belangrijk, dorst was veel erger. Op school hadden de juf en de meester er geen benul van, die dachten dat we zoveel van onze grootmoeders hielden dat we met blote handen ze uit hun graf gehaald hadden, maar ze waren nog niet eens dood, maar aan onze nagels te zien konden ze zien dat we in de rouw waren.
Maar vader als een goed sociaal voelend mens nam maatregelen. Toen hij eens een keer s morgens om 4 uur naar het land roeide en het begon te regenen. Hij roeide terug omdat hij wel zag dat het de hele dag zou blijven regenen. De deur, het was de voordeur, die achter bij de keuken was en het was de enigste, zat op de grendel, daar wij nog nooit een sleutel op een deur hadden gehad, er was zogezegd toch niks te halen, moest er geklopt worden. Moeder was hardhorend en hoorde niets toen er op de ruit geklopt werd, dus geen reactie. En maar regenen, en een huis hebben van f 6,= per week en voor de regen naar huis gaan en er dan niet in kunnen!!!
Daar moest een oplossing voor komen en gauw ook, vier passen achteruit, met een gang naar voren, je schouder tegen de deur en er dan dwars doorheen, dat was helemaal geen probleem.
-
Om half acht gingen we naar de kerk op Halfweg. Cor de Kooter en zn broer kwamen ons ophalen. We konden zo door de deur, terwijl je niets open hoefde te doen, dat demonstreerde we wel 4 keer, heen en terug. Na enige weken merkten we welke maatregelen vader had genomen, want we hoorde moeder tegen Hein Hansen zeggen, als het dak niet meer lekte kon hij terug komen om de huur te innen, maar hij kwam elke week trouw om de huur. Ondertussen werden de pannen hier en daar weer goed gelegd en de stukkende werden vervangen, er werden houten hekken opgelegd, maar met wind waaide er toch weer pannen af, dan maar hier en daar wat asfaltpapier onder de pannen, dan kon de huur tenminste worden geïnt. Maar vader zei: we zullen eerst maar eens een bui afwachten en kijken of het dicht is. Het was inmiddels 20 weken huurschuld, maar het dak en ramen lekte nog aan alle kanten. Toen bood vader aan om het dicht te laten maken als de vereniging het betaalde, maar daar gingen ze niet mee accoord. Hij had het helemaal met lood willen laten bekleden, want dicht zou het worden!
t Was inmiddels 25 weken huurschuld, dat was f 150,= er werd met moeder over gepraat of vader de schuur in het land met dat geld kon vertimmeren en dan maar in die schuur wonen, maar daar was geen licht en je moest altijd met een roeibootje naar de weg, om naar school en de kruidenier te gaan. Moeder zag dat niet zitten en het gevaar dat er een zou verdrinken. Ondertussen zou de deurwaarder komen, geld op straat. Toen ging maandag Hein Jansen met 162 gulden weg en alles ging weer gewoon door. En als er weer eens een zware donderbui s nachts over kwam ging moeder met een palmtakje in de wijwater gedoopt door het huis en vader met de nodige vloeken weer een pan of een emmer hier en daar neerzetten.
Maar de wereld draait door. Eens per jaar werd er gewit op de muur, dat was goedkoper dan behang. Nou hadden ze, ik weet echt niet meer wie, maar er was een kast gewit onder de trap, daar hingen altijd wat kleren. Nou ging men vroeger altijd eens per week naar de Barbier om je te laten scheren, dat werd ook wel eens een keer per twee weken maar dat mocht m de pret niet drukken.
Zo ook vader, pakt zijn jas uit de kast, doet hem aan en ziet in een oogopslag dat zn mouw wit is, nou was het misschien een slechte kwaliteit wit, want het ging er heel, heel moeilijk van af en toen werd hij kwaad en vroeg wie het in zn kop had gekregen om die muren te witten. Daar hij zwaar pruimde, kon hij door zijn kwaadheid niet uit zijn woorden komen, en toen werd hij nog kwaaier omdat wij een beetje lachtten, en toen gaf hij een straal spuug van tabak zo tegen de witte muur, het spatte alle kanten uit naar beneden.
-
Nou had ik een broer en die heette Kees, zeer begaafd en intelligent, met bijzondere gave. t Is nooit door een ander opgemerkt, maar ik stond perplex van zijn scherpe opmerkingsgave, want ondanks alle tumult zag hij als eerste dat de stralen tabaksap op de muur de vorm aannamen van een olifant en hij was de eerste die het tegen vader zei: dat wordt een olifant! Blijf dan nog maar eens kwaad.
Maar goed, het leven gaat verder, ook voor de Blijlevens.
-
WERKEN
Na 10 jaar aan de Haarlemmerweg gewoond te hebben gingen we weer terug naar de Osdorperweg omdat de veenderij in de Osdorperpolder werd verkocht aan de Heidemaatschappij. Daar kwamen nadat de polder was drooggemalen allemaal werkelose mensen te werken, om de zaak vlak te maken, er lagen n.l. allemaal akkers land, hetzelfde als je nu nog in Vinkeveen ziet, dus die akkers die overgebleven waren na het droogmalen van de polder werden door die mensen vlak gekruit, met een kruiwagen en met een lorry en smalspoor. Die werkeloze kregen dan 1 tot 4 gulden meer als hun uitkering. Dat zat m in de aard van je eigen beroep, een kapper kon b.v. niet zo goed met schop werken als een straatmaker of een boer. Enfin nu zit KO ZAAL er als boer en lopen er koeien en bij Sloterdijk liggen nu allemaal sportvelden.
Aan de Osdorperweg kwamen we in een nieuw huis, dat stond net voor het bruggetje wat over de Osdorperweg ligt, van Halfweg af, rechts.
Het was toen een Middenstandswoning en deed f 7,= huur. Het was eigendom van Bremen, die ook een brandstoffenzaak had in Haarlem. Die van Bremen had ook land in de Osdorperbinnenpolder en daar huurde vader toen t land van ca 2 bunder. Dat zat zo: de veenderij was weg en vader had dus geen werk. Maar mijn broers Piet, Kees en Theo hadden ook geen werk en als er een baantje was, zo van: een flinke jongen gevraagd boven de 25 jaar (voor jongensgeld natuurlijk), dan waren er 2 millioen voor je, dus niet zaniken, gewoon voor je eigen wat beginnen, dus land gehuurd en gaan tuinen, ploegen, spitten, eggen, zaaien, schoffelen, wieden, bemesten en uiteindelijk de eerste oogst n.l. tuinbonen naar de markt in Amsterdam. Daar werden ze geveild, maar wat bleek, dat wisten we allang hoor je moest een teeltvergunning hebben en die had een nummer en onder dat nummer kan er alleen geveild worden, wij dus geen nummer, neem maar mooi weer mee naar huis en dan kon je het op de vuilhoop gooien. Maar oom Jaap van de Voort, ja goed gelezen, t was nog familie, die had nog een half bundertje teeltvergunning over en op die vergunning werd het later toch geveild.
Later kregen ze toch wel vergunning om groente te telen. Broer Piet ging naar de land- en tuinbouwschool, zodoende kreeg hij ook nog een sierteeltvergunning, toen mocht hij ook bloemen telen en kon hij ze naar de veiling in Aalsmeer laten veilen.
Daar hebben ze nooit veel werk van gemaakt, dat kwam door omstandigheden. Piet werd invalide (spierziekte) dus kon dat werk niet meer doen en Theo kreeg typhus, net na de oorlog. Hij was 25 jaar en stierf. Het was een fijne knul, hij voetbalde graag, de ene zondag voetbalde hij nog en de andere zondag werd hij door zijn voetbalvrienden in de kerk gedragen; dat was een hele klap vooral voor vader en moeder. Ze waren in een week ineens oud geworden.
Vader heb nog een tijd doorgetuind met Ome Kees, maar toen moeder was overleden had hij er niet zoveel zin meer in.
Hij heeft de hele zaak aan Ome Kees overgedaan. Maar toen vader later aan een hartaanval overleed, dat gebeurde toen hij voor Piet groente ging halen in Halfweg en hij onderweg zo neerviel en dus even later dood thuis gebracht werd zonder groente.
Kees heeft nog een paar jaar getuind en heb toen de boel verkocht aan ene Geers en Kees ging toen op de suikerfabriek werken waarvan hij nu nog een pensioentje heeft. Vervolg:
-
VERKERING
Maar wat is er verder te vertellen, je krijgt verkering met een meid, wat je werkelijk het einde vind. Dat ging eerst niet zo makkelijk. We waren zo als wel meer gebeurde met je kameraden naar de Pijp gegaan, dat was aan de Lijnden, omdat daar een uitvoering werd gegeven met een loterij en dansen na. Dansen was niet mijn sterkste kant, maar ik zag een heel mooi blond meisje dansen, en die kwam iedere keer als er een dans uit was, steeds dichter bij mij staan.
Ik hoorde van een paar jongens, dat zij zouden proberen blonde Greetje naar huis te brengen, maar waar ik oog op had was ook wel blond, maar die zou wel geen Greetje genoemd worden. Maar later toen ik ze naar huis bracht hete ze wel Greetje. De concurrentieslag was geslagen. Er was er toch weer een uit een ander dorp die met de eer ging strijken. Dat ging toen nog zo n beetje zo: dorp tegen dorp.
Na een paar weken iedere zaterdag en zondag samen gefietst en gewandeld te hebben, kon ik dan toch bij haar thuis komen.
Zij hadden thuis een bakkerij, dus moesten ze allemaal meewerken. De jongens in de bakkerij en de meiden in de winkel. Nu hadden ze ook verschillende klanten in de buurt en die werden allemaal van brood voorzien door Greetje, dus was ze altijd aan de weg en er moesten altijd boodschappen gehaald worden en dat deden we zaterdags altijd samen. (Tegenwoordig doen we dit altijd op vrijdag, toch mooi een dag ingelopen in de 50 jaar).
Dat ging zo als je als bakker brood bracht bij een slager, dan moest je wel vleesch bij hem halen, anders was je een klant kwijt.
Nou hadden ze drie slagers als klant, drie melkboeren, 4 groenteboeren, 3 kruideniers, dus overal wat halen zodoende raakte ik aardig bekent bij de Middenstand.
Enfin, toen we een poosje verkering hadden werd er bij de Molenaar die altijd meel bracht en die op Halfweg woonde, geinformeerd wie of wat ik eigenlijk voor iemand was, zo ging dat, als er goede rapporten kwamen dan kon de verkering doorgaan, nou die informatie was goed dus werd het vaste verkering, totdat de vastentijd kwam, want in de vasten dan mocht je niet bij je meisje thuis komen, maar daar wisten we wel wat op. We vonden het dikwijls nog leuker als thuis. Greet had altijd wel een paar klanten waar we naar toe gingen, praten, theedrinken, radio luisteren, want ze hield wel van muziek en dan weer wandelen, en iedere keer was ze te laat thuis. De brug van Sloten heb wat keren open gestaan, ja en dan kon je nooit op tijd thuis zijn.
In mijn verkeringstijd had ik vakantie en wilde wel eens weg. Ik had een auto gehuurd van mijn baas Hoenderdos de kolenboer, hij kostte
f 25,= per week 5 dagen, zaterdag en zondag moest hij hem zelf gebruiken. We mochten wel weg met de auto maar Tante Nel moest mee en mijn schoonmoeder, nou dat gebeurde zo. (Ik vond, dat Greet toch wel een hele goeie knul getroffen had!)
Wij zijn toen naar Nijmegen geweest, dat was hetzelfde als nu naar Bulgarije (goed hè). Later zijn we ook nog eens naar Schiedam en Overschie geweest, Schiedam daar kwam haar vader vandaan. Greet dr opa heeft altijd in een distilleerderij gewerkt, ik weet niet wat dit is, maar het was geen melk.
Een zuster van Greet haar vader die heette Marie, dus dat was tante Marie. Aangezien het een kleine wereldreis was in die dagen, we schrijven 1936-1937, bleven we overnachten, d.w.z. Greet met haar vader en moeder bij Tante Marie en ik kon bij een broer van Greet haar moeder slapen, maar die woonde in het dorp Kethel. Die was timmerman/aannemer, had een hele goede zaak, hij bouwde ook schepen en hij heette Peters.
Toen vader van Velsen vanuit Schiedam kwam naar de Lijnderdijk had hij een bakkerij overgenomen van ene Spiering op afbetaling, maar hij had het geld ook weer geleend op borg(tocht) van Ome (B)Arend Peters, enfin dat ging goed, totdat de Hr. Spiering het in zijn hoofd kreeg om naar Amerika te gaan, maar daar had hij geen geld genoeg voor. Toen ging hij naar vader van Velsen en zei als je me nou betaald neem ik genoegen met de helft van de schuld en ben jij je schuld kwijt.
Daar voelde vader van Velsen wel voor, maar hij had ook zelf niks, dus ging hij naar zn zwager Arend Peters, daar de zaak even uit de doeken gedaan en hij ging met een bom duiten naar Spiering.
Spiering naar Amerika, vader van Velsen verdiende de helft van zijn schuld terug en allemaal blij. t Ging toch ongeveer om zon bedrag van f 3.000,= mooi meegenomen vooral in die tijd. Nou komt het: Spiering komt na een half jaar weer terug uit Amerika.
Spiering had een paar kinderen, een jongen van Spiering is getrouwd met een zuster van Piet Stoop (vriend van me) en hij heette Wim. Deze ging later naar Australië en is nu 2 maanden geleden gestorven. Nu is er een broer van Wim Spiering gestorven 18-2-1889, (dit even terzijde).
Zo ging dat vroeger.
-
Dan had ik nog verschillende bruiloften gehad, tante Martha met Valentin Smit. Oom Joop en tante Nel, Oom Piet Favié en tante Jo Verlaan. Toen waren wij aan de beurt op 26-4-1939.
Ik werkte al 10 jaren in de kolen oftewel brandstoffenhandel in Haarlem, dus daar naar een huis gezocht, een beetje dicht bij de baas, dan hoefde ik niet meer een uur te fietsen, dus dat werd Grebbestraat 2 b bij de Deo.
-
Hier eindigt het verhaal van mijn vader (opgetekend in 1987).
Hij heeft het nooit verder afgeschreven, omdat hij in augustus 1889 is overleden.
[bron: Greet Kolhorn-Blijleven, dochter van Johannes Blijleven]
~
Johannes (Jan) Blijleven, zoon van Petrus Blijleven en Anna van den Berg, veenwerker, chauffeur bij Hoenderdos (kolen), Brocades (geneesmidddelen), ovenbouwer bij de Hoogovens te IJmuiden, geboren op 7-4-1913 te Nieuwer-Amstel (rk). Overleden op 10-8-1989 te Bloemendaal. Begraven op 14-8-1989 te Bloemendaal op het Adelbertus kerkhof
Ondertrouw op 12-4-1939 te Haarlemmermeer.
Gehuwd op 26-4-1939 te Haarlemmermeer met Margaretha Petronella (Greet) van Velsen, geboren op 30-3-1916 te Haarlemmermeer (rk), dochter van Cornelis Theodorus van Velsen en Johanna Cornelia Maria Peters. Getuigen: Cornelis Blijleven, 24 jaar oud, tuinder van beroep en broer van de bruidegom, wonende te Amsterdam. (Halfweg).
Martinus van Velsen, 27 jaar oud, bakkervan beroep, broer van de bruid, wonende te Haarlemmermeer.
-
Kinderen uit dit huwelijk:
1.Johanna Catharina Maria (Anneke), geboren op 17-5-1940 te Haarlemmerliede.
2.Johanna Cornelia Maria (Joke), geboren op 6-1-1942 te Haarlem.
3.Margaretha Leatitia Fidentius Maria (Greet), geboren op 31-12-1944 te Haarlem.
4.Theodora Alida Maria (Thea), geboren op 28-3-1946 te Haarlem.
5.Hendrika Maria (Henny), geboren op 3-7-1947 te Haarlem.
6.Martina Petronella Maria (Tineke), geboren op 22-4-1950 te Haarlem.
7.Gemma Theresia Maria (Gemma), geboren op 10-10-1951 te Haarlem.
8.Petrus Theodorus (Theo), geboren op 15-9-1953 te Haarlem.
9.Johannes Cornelis Maria (Jan), geboren op 13-4-1955 te Haarlem.
[bron: Greet Kolhorn-Blijleven, dochter van Johannes Blijleven]
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Johannes Blijleven | ||||||||||||||||||
1939 | ||||||||||||||||||
Margaretha Petronella van Velsen | ||||||||||||||||||