in 1980
in 2013
in 2008
Hij is getrouwd met Jannetje Brama.
Zij zijn getrouwd op 24 april 1957 te Bussum, hij was toen 20 jaar oud.Bron 7
Kind(eren):
Ter gelegenheid van vaderdag 2013 plaatst Rim Voorhaar, de zoon van Gerrit, een verhaal over zijn vader op de website www.websitevanhank.nl. Het is een korte schets van hoe hij zijn vader kent, gevolgd door 20 vragen aan en antwoorden van zijn vader:
20 VRAGEN AAN MIJN VADER
Mijn vader heeft nog nooit een luier verschoond. Koken deed hij ook niet. Dat was de afdeling van de vrouw in huis. Ja, mijn vader was nogal van de oude stempel. Tegen mijn moeder heeft hij zelfs weleens gezegd dat haar enige recht het aanrecht was. Een geintje, zegt hij nu.
Wist mijn vader veel. Hij bokste. Reageren deed je in die tijd vooral met je handen. Zijn eerste jaar op de meubelmakervakschool in de Amsterdamse Jordaan maakte hij niet af. Hij had een leraar ‘een gooi’ gegeven. Die arme man stuiterde achterover precies met zijn achterwerk in een prullenbak.
Een vak leerde mijn pa uiteindelijk in de praktijk. Onder meer in de bouw waar hij ooit van dichtbij zag hoe een alcoholische voorman zich net uit een worp in de cementmolen wist te redden toen bekend werd dat hij de loonzakjes van zijn manschappen had verzopen in de kroeg.
Ik heb nog nooit gevochten. Ik ben wel ooit weggerend. Stond ik ’s avonds laat te wachten bij een busstation toen ik ineens te pakken werd genomen door een grote groep jongens die uit het niets op mij begonnen in te trappen en slaan. Ik wist mij los te rukken en ging er als een haas vandoor. Om ergens verderop bij wildvreemden aan te bellen met de vraag of ze mijn vader wilden bellen – van mobiele telefoons had toen nog niemand gehoord – om mij op te komen halen. Zelden heb ik mij veiliger gevoeld dan toen in de auto bij mijn vader.
Nu ben ik zelf vader van een zoon, Ko, geboren op 08-09-2010. Ooit zal ik hem meer vertellen over zijn opa die inmiddels ook alweer richting de tachtig gaat. Maar ja, wat vertel ik? Wat weet ik eigenlijk echt over mijn vader? Beter: wat wist ik over hem?
Toen mijn ouders vijftig jaar getrouwd waren, heb ik beiden – los van elkaar - een groot aantal levensvragen gesteld. En hun antwoorden afzonderlijk verwerkt in een verhaal dat door een bevriende vormgever in een ‘echt’ artikel werd gegoten, alsof het een serieus tijdschriftinterview betrof. Beide verhalen hangen sinds die tijd op een prominente plek in hun aanleunwoning. Ieder die op bezoek komt, moet het lezen. Vooral op aandrang van mijn vader, succes verzekerd.
Dus, mocht je nog niets weten voor vaderdag: interview je pa. Gewoon een aantal, voor jou, belangrijke en tijdloze vragen formuleren en die voorleggen. Het mooiste compliment kreeg ik destijds van de vormgever die de tekst in een mooi raamwerk goot: hij liet weten dat de tranen hem in de ogen stonden. En hij kende mijn ouders niets eens. Als voorbeeldje heb ik 20 vragen uit het interview met mijn pa bijgevoegd. Wellicht bieden ze je inspiratie bij je eigen vragenvuur.
MIJN 20 VRAGEN AAN VADER
Naam: Gerardus Wilhelmus (Gerrit) Voorhaar.
Geboren: 30 september 1936 te Amsterdam.
Getrouwd met: Jannetje (Jannie) Brama.
1. Wie was je voorbeeld?
‘Ik was altijd gek met filmster John Wayne en Moos Linneman, een Amsterdamse bokser zonder drukte. Ook was ik ‘groos’ op mijn broer Joop, een echt paardenman. En er was natuurlijk Jerry Lewis… Ik zat in dienst, lag in de Palmkazerne in Bussum. Ik bokste nog, zat er met een zwikkie Amsterdammers. En een Rotterdammer, van Indische afkomst. Ik droeg mijn haar altijd ‘bros’, zeg maar Kort Amerikaans. Op een gegeven moment zegt die Rotterdammer: “Je bent precies Jerry Lewis, ik ga je Jerry noemen.” Dat is zo gebleven. Gerrit vond ik maar een boerenlullennaam.’
2. Op wie van je ouders lijk je?
‘Van mijn vader heb ik het zwaarmoedige, het gauw in de piepzak zitten. Van mijn moeder het voorzichtige: “Kijk uit, pas op!” Het kwaaie oog noem ik het. En ik houd van netjes, net als mijn moeder. Mijn vader had dat trouwens ook. Altijd keurig op zijn pak.’
3. Wat is je grootste angst?
‘Dat er iets gebeurt met mijn vrouw en kinderen. Dat ik alleen achterblijf.’
4. Waar dagdroom je van?
‘Dan kom ik toch op het slijk der aarde: geld. Dat we bij wijze van spreken ergens een pats poen mee winnen waardoor het hele gezin gelukkig wordt. Hoe hoog dat bedrag mag zijn? Ik zeg wel ho…’
5. Geloof je?
‘Er zal best iets zijn tussen hemel en aarde, maar ik heb nooit gebeden. Hoewel, ik heb weleens iets geroepen naar boven. Veertien dagen nadat ik afzwaaide uit dienst viel een vliegtuig op de plek waar ik vaak tussen de middag zat. Jongens die ik kende zijn er bij om het leven gekomen.’
6. Wat zag je toen je haar voor het eerst ontmoette?
‘Liefde op het eerste gezicht. Ze zat aan een tafeltje, in De Karseboom aan de Groest in Hilversum. Die tent bestaat allang niet meer, maar ik zie haar nog zo zitten. Ze zat met een vriendinnetje. Ze droeg rode schoentjes met hoge hakken en een truitje dat haar goed stond. Maar eigenlijk stond alles haar goed. Ik zei tegen mijn moeder dat ik een mannequin aan de haak had geslagen. Uit Bussum. Tot ik op een zaterdagavond voor het eerst bij haar thuiskwam om kennis te maken met de familie. Het was niet bepaald het Spiegel, de dure wijk van Bussum, waar ze woonde. Ik liep een paar keer langs het huis. Ik durfde niet naar binnen te gaan. Ineens zag ik een man met een rode zakdoek de kleine raampjes van zijn woning schoonmaken. Haar vader. ‘Daar komt het soldaatje aan,’ riep hij. Toen moest ik wel.’
7. Wat vind je mooi aan haar?
‘Alles. Mooie ogen, mooi haar, een knap lichaam. Nog steeds. Ze is ook altijd goed gekleed. Ze heeft een prachtkarakter. En een sterke inborst. Wat ze in haar hoofd heeft… Zij is het gewoon. En ze blijft het.’
8. Wat is geluk?
‘Je hebt het of je hebt het niet. Je kunt het niet afdwingen. Ik heb het geluk dat ik een fijne vrouw heb, drie mooie kinderen, vijf heerlijke kleinkinderen en inmiddels zelfs drie schitterende achterkleinkinderen. Dan heb je geluk, vind ik.’
9. Als je iets kon veranderen aan jezelf, wat zou dat dan zijn?
‘Misschien mijn kleine moppie; mijn neus. En die grote moedervlek tussen mijn ogen. Rotding.’
10. Wat is een vriend?
‘Dan leen ik iets van wijlen Toon Hermans: ‘Pas als je iemand hebt die met je lacht en grient, dan pas kun je zeggen: ik heb een vriend.” De meeste vriendschappen van vroeger zijn verwaterd. Of die mensen zijn er niet meer. Ook mijn broer Joop is gaan hemelen, in 2005. Hij was vroeger vaak weg van huis, dan zat hij tussen de paarden. Wanneer hij thuis was bij mijn moeder werd het weleens knokken. Toch was het vaak ook gewoon heel gezellig met zijn drietjes.’
11. Van wie heb je het meeste geleerd?
‘Van ome Rinus, die man die me ooit hielp met het opbouwen van het zomerhuisje dat mijn moeder jarenlang had op Zandvoort. En in de bouw heb ik veel geleerd van ome Teus en Eddy Tjan a Way, hij kwam uit Suriname. Een moordvent.’
12. Wat was je grootste triomf?
‘Mijn eerste bokswedstrijd, in Frascati, in de C-klasse. Ik stond tegenover een jongen die veel meer ringervaring had dan ik. Een lange gozer, afkomstig van boksschool DAP, toen in de Haarlemmerhouttuinen.’
13. Hoe ontspan je?
‘Als ik televisie kijk of een mooi boek lees. Hoewel, dat lezen schiet er steeds vaker bij in. Na een paar pagina’s zak ik al weg.’
14. Waar ben je het meeste aan gehecht?
‘Aan mijn gezin. En aan een paar foto’s. Zoals die van mijn vader zittend op een paard, een familiefoto met mijn moeder en een foto waar alle drie mijn kinderen op staan. Dat was voor die tijd nog nooit gebeurd.’
15. Wat is je grootste ondeugd?
‘Commentaar leveren op anderen. Later denk ik dan vaak: had ik maar mijn mond gehouden. Maar ja, ik moet me laten horen, he. Is de aard van het beestje. Ik houd voor niemand mijn mond. Anderen kroppen het op en krijgen last van hun maag. Ik gooi het eruit. En het lekkerste is om bij nader inzien toch gelijk te krijgen. Dat ik kan zeggen: zie je wel, heb ik altijd al gezegd.’
16. Wat staat er op jouw wandtegeltje?
‘Pluk de dag. Of hoe heet dat in het Latijn: Carpe Diem. Het kan immers ineens afgelopen zijn.’
17. Wat was je gelukkigste periode?
‘Tussen 24 april 1957 tot nu. Oftewel: de periode dat ik met Jannie, je moeder, ben getrouwd. En dan vooral de periode dat ik in Hilversum bij de NOS en later de NOB werkte. Eerst als brandwacht en vervolgens als magazijnmeester van de decors voor televisieprogramma’s. Ik stopte vanwege de VUT. Ik had graag nog iets langer gewerkt. De televisiewereld is heel apart. Ik maakte best wat mee. En ik zag mijn werk ’s avonds terug op televisie.’
18. Wat doe jij zodra zij eerder overlijdt?
‘Ik heb altijd gezegd: Niet blijven zitten, hoor. Niet in je eentje zitten kniezen. Ga gerust verder en maak het leven vol met een ander.’
19. Wat wilde je vroeger worden?
‘Timmerman. Ik had er een neusje voor. En nog. Ik ben het ook geworden. En gebleven. Zo heb ik een pakhuis gemaakt voor mijn jongste kleinzoon. Was ik erg trots op.’
20. Wil je nog ergens op terugkomen?
‘Nee. Of het moet zijn dat de liefde voor het mooie meisje met het fijne karakter van toen nog steeds intact is. En dat we het samen toch hebben gered. Ondanks dat we zo arm zijn getrouwd. Een zaaltje afhuren bij onze bruiloft zat er bijvoorbeeld niet in. We vierden het bij mijn schoonouders thuis, waar we ook inwoonden. Aan het eind van de avond – bijna iedereen was al weg – werd het nog matten. Mijn zwager deed vervelend. Ik gaf hem een broodje lever. Was het gelijk over. Maar de liefde voor haar is altijd gebleven.’
(bron: www.websitevanhank.nl)
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Gerardus Wilhelmus Voorhaar | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1957 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Jannetje Brama | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||