Hij is getrouwd met N.n. vrouwe de Mailly de l'Orsignol.
Zij zijn getrouwd
Kind(eren):
- mogelijk was zijn moeder Aleijd van Ochten, de 3e vrouw van zijn vader...??
- op 24 Juni 1274 was deze Giselbertus de Hemerte een getuige voor Jan (Heer van Heusden).
- ook in die tijd gebruikte de familie zowel de naam Cock als de naam van Hemert. Het is dan ook zeer waarschijnlijk dat dit dezelfde persoon is als vermeld in het Oorkondeboek van Holland en Zeeland III: "Giselberti Coci, militus de Hemerte" datum 27 maart 1250.
Een kleinzoon van hem, Gijsbert de Cocq van Neerijnen, ridder, bouwde in het jaar 1350, op 1000 meter afstand van kasteel Waardenburg, een kasteel “Clingelenburg”, later “Neerijnen” geheten. Beide kastelen hebben altijd dezelfde bezitters gehad. In 1974 werd huize Neerijnen, samen met ca 300 ha uniek natuurgebied, verkocht voor de lieve som van fl. 2.210.000,-- aan de “Stichting Het Gelders Landschap”, die nauw samenwerkt met de “Stichting Vrienden der Gelderse Kastelen”.
Het geslacht De Cocq van Neerijnen stierf uit in 1934.
bron: http://www.decocqvandelwijnen.nl/
Wapenalbum Bommelerwaard [P. v.d. Zalm: 2007].
Nr. cock/ 599. DE COCK VAN NEERIJNEN
= Wapen: het châtillonwapen, met in het schildhoofd van goud, drie hamers van sabel, naast elkaar geplaatst. In het Liber Sigillorum van de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, nr.2874/2, de dato 28 en 29 oktober 1455, wordt genoemd: het châtillonwapen, met in het schildhoofd drie schuinrechts en naast elkaar geplaatste hamers; de schildhouder: links achter het schild een zittende griffioen met de kop in een steekhelm; het helmteken: twee ramshorens; het randschrift vermeldt: “/S’.GHIISBERT//-DE-KOCK-/.”; het wapen betreft: “Ghiisbert die Kocke van Nederijnen, scepen in Tuel” (twee zegels van hem).
= Bron: temeer daar het genoemd wapen eerder in dit wapenalbum is opgenomen, volgt hier zeer beknopt de genealogische oorsprong van het geslacht “De Cock van Neerijnen”, met een aantal heraldische aantekeningen. Gijsbert de oude De Cock, erfde Neerijnen en was een zoon van Rudolfus of Roelof de Cock (Van Opijnen). Zijn zoon Rikoldus Cock van Neerijnen, ridder (1325), kreeg twee zonen: Gijsbert genaamd Cock van Neerijnen (1362), ridder en Johannes de Cock van Neerijnen, ridder, ook van Giffen genoemd, naar zijn vrouw, de erfdochter van Giffen. Hij overleed in 1359. Gijsbert veranderde zijn wapen en nam de drie hamers van sabel, in een goud schildhoofd aan, met als helmteken een vlucht, terwijl zijn broer Johan de rode hamers handhaafde, met als helmteken, twee ongebogen horens. Later zou Gijsbert Gijsbertsz. De Cock van Neerijnen, gehuwd met Elisabeth de Pol - toen de mannelijke stam van genoemde Johannes was uitgestorven - ook de rode hamers, alsmede de horens als helmteken aannemen. Dit gegeven vindt men terug in een overeenkomst van 1447, waar hij en zijn broer Willem met verschillende wapens zegelde (zie: de WH.1914, pg.370-371). Opmerkelijk is overigens, dat Rijcolt den Koc, reeds op 1 maart 1333 zegelde met het wapen: drie vairpalen en in het schildhoofd drie hamers. Hij zegelde op die datum samen met graaf Reynaut van Gelre. Het zegel hangt aan het charter nr.112 in het hertogelijk archief van Gelderland (RAG; de NL. 1978, kol.349-350).
De leden van het geslacht zaten in de Ridderschap van Nijmegen vanaf 1587. Het wapen toont de hamers van sabel en een vlucht van zilver als helmteken. Het NBW. pg.62, benoemt nog het wapen: drie palen van vair en een schildhoofd beladen met drie schuinlinks geplaatste klophamers. Dit wapen komt voor op de grafzerk van de kannunik Johannes de Cock in de St. Janskerk, te ’s-Hertogenbosch. Hij overleed in 1495. De HB.1876, pg.111, benoemt het wapen als volgt: het châtillonwapen, met drie schuinliggende klophamers van sabel in het schildhoofd; een gouden kroon; het helmteken: een vlucht van sabel. Tot slot: de zegels van Vrederick Koc(k), 1388 en 1392, schepen in Tuil, hangende aan het charter nr.488 van de Gelderse Rekenkamer, aan charter nr.320 in het Huisarchief van Waardenburg en aan twee charters in doos nr.16 in het heerlijkheidsarchief van Waardenburg en Neerijnen, vertonen als wapen: drie vairpalen en in het schildhoofd drie hamers, of wel drie hamers met daarboven vergezeld van een barensteel (de NL.1978, kol.350).
Wapenalbum Bommelerwaard [P. v.d. Zalm: 2007].
Nr. cock/ 552. DE COCQ, INLEIDEND.
De benaming “châtillonwapen” is een verwijzing naar het wapen, dat door de leden van het oud-adellijk geslacht “Van Châtillon” gevoerd werd (al dan niet met breuken, aangebracht in het schildhoofd). Illustratief is het vers, dat betrekking heeft op de heer van Châtillon en diens betrokkenheid bij de “Grimbergsche oorlog”:
“ Hier na gereden quam ~ Mijn here Jacob van Tsastelioen ~ Met sine baniere, die menegen coen ~ Riddere brachte gevaren. ~ Sijn scilt ende baniere was een, ~ Van kelen met dry staken, wit ~ Ende blau gevariert (van vaar) scone, ~ Met enen hofde (hoofd), al sonder hone, ~ Van goude, ene meerle daerin ~ Van sable, meer no min “ (“Grondtrekken der Nederlandsche Wapenkunde”, door mr. L.Ph.C. van den Bergh, uitgave S. en J. Luchtmans te Leiden, Ao.1847, pg.49).
Rietstap’s Armorial Génèral geeft 15 verschillende wapens “Châtillon”. Het in het vers vermelde is dat van “Châtillon, comtes de Porcean (Bretange)” en ook van “Châtillon de la Fere (Champagne)” maar dit laatste geslacht voert soms in het schildhoofd, in plaats van een meerltje van sabel, een leeuw van keel. Algemeen wordt aangenomen, dat het châtillonwapen in hoofdzaak zijn toegang tot de Bommelerwaard heeft gevonden, via het geslacht De Cocq. De vroegst bekende “De Cocq” wordt genoemd in de oorkonde van 27 maart 1250: “GISELBERTI COCI, militis De Hemerte (samen met), Jacobi, militis de Hedele; Everardi, militis de Amersoi en Johannes de Husden” (oorkondenboek van Holland en Zeeland, III, door mr. L.Ph.C. van der Bergh).
In 1265 gaf Otto, graaf van Gelre, Hiern (de heerlijkheid Waardenburg) in het bezit zijnde van de graven van Gelre, alsmede Opijnen en Neerijnen, ten geschenke aan Rudolf Cock, ridder, en gaf hem tevens verlof op de berg te Hiern een huis te bouwen, dat de naam Waardenburg ontving (de NL.1978, kol.348). Niet veel later op 4 juli 1292 wendden Roelof en Hendrik de Cock, beide ridders, zich met een verzoek inzake de Kerk te Hedel tot de Deken en Kapittel van St. Marie te Utrecht. Daarbij is het vermoeden, dat met name Hendrik, de jongere van deze twee, belangrijke rechten kon doen gelden op Hedel en dat beiden de voorgangers waren van de heren van Cranendonck, die in de eerste helft van de 14e eeuw, de heren van Hedel werden (zie: TAX.1924. pg. 145-146).
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Gijselbert de Cocq van Neerijnen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
N.n. vrouwe de Mailly de l'Orsignol | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.