Leenman van Platvoet en Park was, voor 1369, Jan van Lantwijck (Lib.R.S.P. pag. 248)
De eerste stap tot het verwerven van de Heerlijkheid Horst door Landwijck werd gezet bij het uithuwelijken van Jan van Landwijck, in 1291, met Margaretha van Tervuren, onechte dochter van Hertog Jan I van Brabant. Beiden waren zeer jong. Overeengekomen werd tussen de ouders, dat zo een van beide verloofden voor bun huwelijk zou sterven, de ouders een hunner andere kinderen met de overblijvende partner zou laten huwen. Jan van Landwijck moest een bezit hebben, een hertogendochter waardig, daarom kreeg hij de eerste rechten op het land van Horst, maar ook de gronden te St-Truiden, Brustem en Aalst-bij-St-Truiden. Margaretha kreeg van de hertog 500 pond Leuvens mee als bruidschat, terwijl Jan van Landwijck onmiddellijk aangesteld werd tot kamerheer van de hertog.
Op te merken valt dat Amelrijk Boete reeds vanaf 1369 de grondkern der heerlijkheid afgekocht had van Jan van Landwijck, maar dat pas in 1388 deze heerlijkheid ten volle in zijn bezit kwam. Naast de rechten verkregen van de hertogin in 1388,kocht Am. Boete in 1369 volgende grondrechten en eigendommen:
Ick, Jan van Lantwijck, heere van Retie, ridder, doen condt yegenwelcken die desen brieven sien selen, en horen lesenn, alse dat ick kenne enlije dat Amelrijc Boete, poorter in Brussel, yegen mij waere en wettelijck gecocht heeft en vercregen, alsulcken goeden alse hiernae volgenn, om eene somme van twee duysentichh negen hondert en drijen twintig en eenen halven gulden penningen, geheeten mottoenen, der munten van Vilvoorden, ons heeren ‘s hertogen van Brabant; goede ende gave, en om vijftienhondert sessen vijftig florinen gulden penningen, goede ende gaeve dats te weten, drie oude gulde penningen geheeten schilde, goede ende gaeve voor vier gulde florine, des voors. gulden gerekent, daeraff ick mij kinne en volle wesen waere betaelten van hem wettelijckk vergouden, en schelde hem daeraff volkomelyck quite en gelove hem oock daeraff nemmermeer mette eyssen, in geene voegen, dats te weten dat dit goede sijn die hij tegen mij vercregen heeft, hieronder beschreven
Eerst een leen dat ick houdende was van mevrouwe van Brabant, dat es de vierde schoof te Rode, de beecke te Gempe totter molen te Rode, de warande tot Rode en twaelf manschappe daertoe horende
Voort noch eygen landt dat in die prochie van Rode gelegen is, yeerst acht bunderen landts, yegen goet gelegen voore Thunen aende Wolfseycke. Item derhalf bunder eygens lands gelegen op ‘t klein prindael. Item een half boender eygens lants gelegen op ‘t groot prindael.
Voorts de leene die ick houdende was van Lodewijck van Eerembodeghem die men hiet van Rode; yeerst ‘t Hoff ter Horst metter wooningen boven en beneden, en metter molen daerbinnen gelegen. Item een stuck elsbroeckx gelegen achter de voors. wooninge,houdende twee boender lants min ofte meer. Item een stuck elsbroeckx gelegen achter de voors. molen, houdende een boender luttel min ofte meer. Item een stuck eussels, geheeten ‘t geroede houdende een boender luttel min ofte meer, gelegen aen ‘t veken ter Horsterbroeck. Item den Ossenbempt. Item noch ‘t Horsterbroeck alsoot gelegen es.
Voorts leen dat ick houdende was van den Heere van Wesemaelle, ierst twee stucken winnens lants, geheten de Gulden Delle, gelegen achter de Eeckte, inde prochie van Rode.
Voorts de leene die ick houdende was van Heere Ywanne van Wijnge, riddere, ierst de molen die men heet den Yserstuckenmolen, achter de Nuwermolen, met haeren voorslaege, wauweren en waeteren. Iten die helft van drij boenderen bempt, geheten de Nuwermolenbemde, daeraff dat Heere van ‘t Sompeke, riddere, houdende es dander hellicht vande voors. drij boenderen vande Amelrijk Boeten. Item vier boederen, onder lant ende bosch geheten de Haselberg luttel min ofte meer.
Voort die goede die ick houdende was van den abt van Parcke ierst den molen ter Biest, gelegen inde prochie van Rode, op twee schellingen goe gelts. Item den Wouwer enden Wijngaert, daraff nu bosch gemaeckt is, gelegen bij den hoven ter Horst, op achtentwintig penningen goet gelts. Item een eusel, geheten den boonhoff. Item drije boender lants, gelegen inde hoeve Cleerwijck, op 14 penningen goeds gelts, Item een boender lants gelegen inde hoeve die de here van Horst, Willem van Crawinckele en Aert van Tune, ochtbaere geboorten, te gaere houdende waeren op 10 penningen goeds gelts. Item drije dachmalen lants, luttel min of meer, belegen in de Molenhoeve, op alsulcken recht als uytterhoeve heet, echt te gevene pleget.
Voorts dat ick houderde was van den Heren van St. Jan te Ludicke: ierst den calverbempt, houdende sesse dacht. gelegen inde prochie van Rode en te Houdert, op 8 penningen goedts gelts.
Voortsnoch ‘t goedt dat ick houdende was van de Heeren van St. Bartholomeus te Ludick, yeerst een deel bosch, geheten Roeloffsbergh, en houdt ontrent derhalf boender, luttel min of meer, gelegen inde prochie van Rode. naest die goede Wouters van Dormaelle, op 3 schellingen 6 penningen goeds gelts.
Voorts de goede die ick houdende was van de Heere van Schoonvorst ierst de warande, gelijck als ickse, Jan van Lantwijck, riddere, en mijn voorvaderen hier voortijds gehouden hebben inde prochie van Rode, over de beke en mdc prochie van Nurode en daerontrent. Item de latecheys, capuynen, evenen, ganse en ‘t heerschap daertoe behorende op eene hande goede, gelegen ter heyde, te Houdert en ter quader Strate in de prochie van Nurode, gelijck als ick en mijn voorvaderen hier voortijds gehouden hebben.
Voort de goede die ick houdende was van den hove van Leefdale; ierst den Bruggenbempt. Item den Speckbempt of eusel geheten de Geree en
Voort de goede die ick houdende was van de Heere Janne Platvoet, riddere. Ieerst 21 dachmaelen lants, luttel min oft meer, geheten d’Ourecht en de Wolfkenshaege. Item een stuck bempts gelegen te Cleerwijck, van den molen, met sijnen toebehoort, gelijck ais ickk en mijne voorderen gehouden hebben gelijck dat alle dese voors. goede, met alle haere toebehoorten, in steden voorgenoemt sijn gelegen, en den voors. Amelrijc Boeten, daer wel bewijs sijn, min oudergescheiden, behoudelijckk en uytgenomen de molen te Cleerwijc die Henri de Pape houdende es, en twee boender lants en vier capuynen die Wouter van Dormacle houdende es, die de voors. Amelrijc Boete niet gecocht heeft, van welcken alle voors. goeden ick, Jan van Lantwijck, riddere voors., voor mij voor mijn oor en voor mijne naecomelingen, bekinne...
Tot zover de volledige inventaris van de heerlijkheid Horst in 1369 tot 1388, toen deze inventaris werd bekrachtigd.
Hij is getrouwd met Margaretha bastaarde van Tervuren.
Zij zijn getrouwd
Kind(eren):
Zoals van Duffle, aanverwant met Landwijck blijkens Parks archief, behoort tot de Leuvense geslachten van Van den Calstre, zo behoort ook Platvoet tot hetzelfde geslacht, zoals trouwens ook Pinnock, en schijnt het bezit der begeerlijkheden en allodiale gronden te Rode grotendeels in handen te zijn geweest van de Van den Calstre-clan.
Het kasteel echter was eigendom gebleven van de familie de Rode, die het in leen gaf aan Landwijck. Dit blijkt duidelijk uit een notariële akte, berustend in het Parkarchief in het dossier Sint-Pieters-Rode, anno 1369, pag.246. Daaruit kunnen we ons eveneens een idee vormen over het verdeelde allodiale van de de Rode’s, in ‘t bijzonder Ludovicus de Erembodeghem: ‘Voorts de leene die ick, Jan van Lantwijck, houdende was van Lodewijck van Erembodeghem, dienen hiet van Rode, ieerst ‘t hoff ter Horst metter wooningen, boven en beneden, en mette molen daarbinnen gelegen. Item een stuck elsbroeckx, gelegen achter de wooninge, houdende 2 bunder lants, min ofte meer. Item een stuck elsbroeckx gelegen achter voorsegden molen, houdende een boender min ofte meer. Item een stuck eussels, geheeten ‘t geroede, houdende een boender min ofte meer gelegen aen ‘t veken ter Horsterbroeck. Item den Ossenbempt, Item noch ’t Horsterbroeck, alsoo ‘t gelegen es….”
Deze Ludovicus de Erembodeghem of van Rode was heer van ’t kasteel van Horst in naam van zijn vrouw, onnatuurlijke telg uit het geslacht van Rode (Cat. Don. Temp. de Horst Park).
Wat bij ons hoofdzaak is, is het volgende: Landwijck draagt een Rode-schild. Het Parkse archief, 1369, vermeldt de verklaring van Jan van Landwijck dat zijn voorouders de heerlijkheid Horst in leen hielden van de Eermbodeghem die, zoals we zagen, huwde met een de Rode, dus is er een welbepaalde continuïteit. Wellicht had het geslacht de Rode de zaken helemaal in ‘t honderd laten lopen, zodat een andere tak der familie, de Landwijck’s, heer van Horst werd tussen 1260-1300. Dit gebeurde geleidelijk aan. Uiteindelijk had Jan van Landwijck heel de heerlijkheid van Horst, ook het kasteel, zodat de naam de Rode meer en meer naar Leuven wordt overgeheveld. Arnoldus, vader van Renier, Renier zelf en zijn zoon Jan, worden dikwijls ‘Burger van Leuven’ genoemd, of ‘Advokaat te Leuven’.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Jan van Landwijck | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Margaretha bastaarde van Tervuren | ||||||||||||||||||||||||||||||||||