Plaats: (Banjoemas)
Militaire staat van dienst:
- Op 3 maart 1948 bij het regiment Grenadiers ingelijfd als gewoon dienstplichtige uit de Gemeente Rotterdam.
- Uit Nederland vertrokken dd. 30 juli 1948 per ms. Zuiderkruis; in Nederlandsch IndiN op 25 augustus 1945 aangekomen.
- Bevorderd tot soldaat 1e klasse met ingang van 1 december 1948.
- Gesneuveld op 30 maart 1949 nadij de kampong Sindu Radja en dd. 31 maart 1949 ter aarde besteld op het ereveld "Banjoemas" te Pandoe Bandoeng.
- Posthuum toegekend het ereteken voor Orde en Vrede van het Ministerie van Overzeesche Gebiedsdelen. (1950)
De hinderlaag bij Sindoeradja in 1949.(1)
Een boek vol herinneringen.
" Het is een fotootje van een lachende jongen erop: een jongen van rond de twintig, zittend op een witstenen muurtje, bij een brug, ergens aan de kampongrand. Een Lee-Enfield-geweer over zijn knieën, de vechtpet wat schuin naar achteren. Op de donkere achtergrond staat met witte inkt geschreven: Jan Seekles, gesneuveld op 30 maart 1949 bij Sindoeradja"
Dit is één van de persoonlijke herinneringen van Hans Gerritsen aan Jan Seekles. Gerritsen, toenmalig luitenant bij de 3e compagnie van het 411de Bataljon Garderegiment Grenadiers, heeft zijn ervaringen en belevenissen tijdens de politionele acties in Midden-Java in de jaren 1948-1950 in een boek beschreven. Het boek werd geschreven ter nagedachtenis aan Jan Seekles, Jan Lowies en Frans Lelieveld, die in Indonesië sneuvelden, en werd opgedragen aan de oud-strijders van het bataljon.
Kampong Kadjalan in december 1948.
Luitenant Hans Gerritsen was pelotonscommandant van het 2e peloton van de 3e compagnie van het 411de Bataljon Infanterie Garderegiment Grenadiers. Dit bataljon was op 30 juli 1948 aan boord van de SS Zuiderkruis uit Nederland vertrokken en kwam op 22 augustus 1948 in Nederlands-Indie aan. De 3e compagnie bestond uit drie pelotons. Het 2e peloton kende drie gevechtsgroepen. Soldaat Jan Seekles maakte deel uit van de 3e groep, die onder leiding stond van korporaal J. van Oorspronk,
Op 3 november 1948 vertrokken de kwartiermakers van de compagnie naar de nieuw te betrekken posten ergens in de bergen achter Salatiga. Twee dagen later verlieten we Soemowono en verhuisden met ons peloton naar Kopeng aan de voet van de berg Merbaboe. De officieren kwamen terecht in een vrijstaand stenen huis met de naam "Electra", de soldaten zaten in Kamponghuisjes. De demarcatielijn (de uit 1947 daterende bestandslijn) met de Republiek Indonesië bevond zich op enkele honderden meters. Regelmatig gingen we s' nachts in hinderlaag, als er Republikeinse infiltratiepogingen werden verwacht. Tegen het vallen van de duisternis togen we dan op pad. Heel behoedzaam en zonder gerucht slopen we over kampongpaden, bang van de stilte van de tropennacht te doorbreken en onze aanwezigheid te verraden. Eens op een stikdonkere nacht, begin december 1948, tijdens zo'n hinderlaag werd een soldaat door één van onze eigen jongens in zijn dijbeen geschoten. Bij die actie was Jan Seekles aanwezig, zoals blijkt uit het hieronder weergegeven rapport van de korporaal D.J.G. van Rijen:
De ondergetekende, korporaal D.J.G. van Dijen, rapporteert dat op zijn patrouille zich het volgende heeft voorgedaan. Toen ik ingevolge mijn patrouilleopdracht in de buurt van het coördinatiepunt 953688 bij de driesprong in hinderlaag lag, werd er in de kampong Kadjalan lawaai gemaakt, zodat ik dacht dat er misschien een bende uit de kampong zou komen. Toen dit lawaai ongeveer een uur geduurd had, besloot ik de hinderlaag op te heffen, om een onderzoek in te stellen, daar bij mij de overtuiging had postgevat dat we verraden werden.
Dit besluit deelde ik mee aan de soldaten die bij mij lagen, te weten de soldaat 1ste klas Ebbers, soldaat Stok, soldaat Slabbekoorn, soldaat Sels en soldaat Wolfswinkel. Door te sissen trachtte ik dit besluit te doen weten aan de soldaat 1e klas Lowies en de soldaat Seekles, die 2 meter hoger op een sawahdijk lagen en de dekking naar achteren verzorgden. Daar zij dit sissen niet hoorden, stuurde ik de soldaat 1e klas Ebbers naar boven om deze beide soldaten te waarschuwen.
Soldaat 1e klas Ebbers was net boven toen er plotseling een schot viel. Ik gaf hierop aan soldaat Seekles en soldaat 1e klas Lowies het commando "vuren" en stuurde de brendrager naar boven, terwijl ik zelf ook naar boven klom. Direct na het schot zei soldaat 1e klas Ebbers, dat hij in zijn been getroffen was. Nadat ik soldaat Seekles, die ik het eerste zag, nogmaals het commando vuren gaf en hij een schot afvuurde, hoorde ik van soldaat Seekles dat het eerste schot door soldaat 1e klas Lowies was afgevuurd.
Nadat ik drie rode lichtkogels met mijn seinpistool had afgevuurd, hetgeen het sein voor het kampement was om versterking te sturen, verbond ik het dijbeen van soldaat 1e klas Ebbers. Tijdens het verbinden stuurde ik de soldaten Seekles, Sels en Wolfswinkel naar het kampement Kedajan om op te bellen en te vragen of er een ambulance kwam met een hospitaalsoldaat.
Het schot waardoor soldaat 1e klas Ebbers getroffen werd, viel tussen ongeveer 04.15 uur en 04.30 uur. Een driekwartonner kwam met twee hospitaalsoldaten en een patrouille onder commando van vaandrig Gerritsen arriveerde om 05.15 uur. Nadat de soldaat 1e klas Ebbers weggebracht was, gingen we via de Japanse weg naar Kedajan, vanwaar we per driekwarttonner naar het kampement teruggingen, alwaar we om 06.15 uur arriveerden.
De rapporteur,
D.J.G. van Dijen
Toenemende vijandelijke infiltraties in 1949
De periode januari-augustus 1949 was een aaneenschakeling van patrouilles, hinderlagen en andere gevechtsacties. Naarmate de tijd verstreek kregen we met steeds heviger tegenstand te maken. Gaandeweg kwamen er steeds meer meldingen van vijandelijke troepenbewegingen bij ons binnen. Ze infiltreerden langs de noord- en zuidkant van de nog werkende vulkaan Slamet. Sommige eenheden waren op doortocht naar West Java. Het bleek ook al vrij spoedig dat we niet meer met een man of vijftien a twintig op patrouille konden gaan, zoals in de eerste weken van ons verblijf in Poerbolinggo. Dat werd veel te gevaarlijk. Gelukkig was het tot nu toe steeds redelijk goed afgelopen, dankzij het slechte schieten van de tegenstander.
De hinderlaag bij Sindoeradja
Toen kwam 30 maart 1949. Op die dag was er een grootscheepse actie gepland. Het was een veeg teken dat we van het begin af nergens mensen op de sawah's zagen werken en dat ook de kampongs waar we doorheen trokken, uitgestorven waren. Er hing een onwerkelijke stilt over heel die prachtige streek waar wij doortrokken. Ongeveer een uur of drie waren we nu onderweg. Het liep tegen een uur of tien. De zon stond inmiddels al hoog aan de hemel en het begon erg warm te worden. We waren nog niet eerder in die buurt geweest. Wat was het hier mooi! Wat een paradij-selijke natuur met de verspreid liggende groene kampongs en alang-alangvelden. Er viel geen sterveling te bekennen. In de kampongs troffen we hooguit wat oude en zieke mensen aan.
Hoe verder we door die lege wereld trokken, hoe beklemder we ons voelden. In de verte blafte soms een hond of kraaide een haan. Maar dat waren dan ook de enige geluiden die we hoorden. Zover het oog reikte viel er geen levend wezen te bespeuren. Na verloop van tijd werd er door ons alleen nog maar heel zachtjes gefluisterd of met gebaren gewerkt. We liepen nu in de grasbermen en vermeden de hardere weggedeelten, bang om lawaai te maken. Bij een driesprong sloegen we linksaf en gingen in oostelijke richting verder. Links van de weg lagen een paar kleine maïsaanplantingen met daarachter een kampong. Rechts van de weg stonden wat kamponghuisjes een eindje van de weg af. Ik liep vrij vooraan ergens in de pits in de linkerberm. Voor mij rechts liepen een paar verkenners, onder wie Joop Langeveld en Jan Seekles. Zij liepen een paar meter van de weg af, door de kampong, met het geweer in de aanslag. We waren allemaal zeer alert.
Op een gegeven ogenblik kwamen we bij een meer open terreingedeelte met aan de linkerkant een alang-alangveld, dor hoog gras van ongeveer halve meter hoog. Rechts van de weg een paar meter uit de berm vandaan was een gevlochten bamboehekwerk van ongeveer anderhalve meter hoog. Daarachter stonden verspreid enkele kamponghuisjes tussen struikgewas, bamboestoelen en klapperbomen. Het was een heuvelig terreingedeelte, doorsneden met droge, ondiepe greppels.
Bij het begin van het alang-alangveld barstte de hel ineens los. Van voren, vanaf een bocht in de weg en van links over het gras daalde een regen van kogels op ons neer. Mijn eerste reflex, plat voorover en wegrollen, was iets dat me jarenlang was ingestampt en tot een tweede natuur was geworden. Van de weg af. Dekken kon niet! Snel kroop ik zo dicht mogelijk tegen de alang-alang aan om in ieder geval zo min mogelijk in het oog te lopen. Ja, er was toch een heel flauwe geul, misschien maar een decimeter diep, en ik schoof ernaar toe. Onderwijl zoemden de kogels als woedende bijen door het gras. Grashalmen knakten vlak voor mijn ogen af. Het was een hels spektakel, een oorverdovend geknetter en geratel uit allerlei soorten wapens. Ik was bang, heel erg bang en had het gevoel dat ik helemaal alleen was. Kogels vlogen over en langs me heen en ketsten vlak naast me op de keien. Het was een wurgende verstikkende angst. Nu is het met je gebeurd, ging het door me heen. Net eenentwintig en moet het nu al afgelopen zijn?
Na een paar keer diep ademhalen werd ik wat kalmer. Rustig blijven, hield ik mezelf voor, en de ergste angst ebde weg. Op die onbeschutte plek kon ik niet langer blijven. In gedachten telde ik tot drie, sprong op en onder een regen van kogels vloog ik de weg over, dook rakelings over het bamboehekwerk, maakte een koprol en kwam tussen de struiken en dorre bladeren in de kampongrand terecht. Ik kwam vlak naast Leen Slobbe terecht. Hij bracht zijn 2-inch mortier in stelling en samen hebben we de ene mortiergranaat na de andere over het alang-alangveld heen de kampong ingejaagd. Even later vielen daar rake klappen. Ondertussen hadden onze jongens geleidelijk aan het vuren overgenomen. In onze gelederen heerste de nodige verwarring rondom me hoorde ik kreunen en steunen. Niet ver van me vandaan lag een jongen die ernstig gewond wasgeraakt; vlak daarnaast lag een soldaat die zachtjes om zijn moeder riep. Verderop lag iemand van pijn te vloeken. Toen de situatie wat overzichtelijker werd, volgde een korte uitval naar voren in de richting van een klein kerkhof waarvandaan we ook beschoten waren. De vijand bleek inmiddels al verdwenen.
Na afloop van de schietpartij kwam een van de jongens naar me toe gerend en zei gejaagd: "Jan is dood". Ik wist niet meteen wie hij bedoelde, want we hadden meer jongens met die voornaam in ons peloton. Snel liep ik met hem mee. Het bleek Jan Seekles te zijn, die goedlachse, altijd opgewekte jongen uit Zeeuws-Vlaanderen. Door een kopschot was hij geveld, hij moet meteen dood zijn geweest. Zijn gezicht was gedeeltelijk weggeslagen. Het was verschrikkelijk hem daar zo te zien liggen. Woede en droefenis welden in me op, maar wonderlijk genoeg ook een euforisch gevoel dat mij niets was overkomen.
Jan Seekles werd op een van de begindagen van april 1949 met militaire eer begraven op het heuvelachtige ereveld in Banjoemas. Wij waren er allemaal kapot van. Daarbij staat me ook voor de geest hoe ik na terugkeer in Nederland, omstreeks juli 1950, op een dag naar Breskens ben gereisd om zijn ouders te bezoeken. Wat vond ik dat een zware opgave, wetende dat hij hun enige zoon was geweest. Wat had ik er als 22-jarige tegenop gezien zijn ouders te moeten vertellen hoe het allemaal gebeurd was. Ja, het was voor mij een moeilijke overtocht met de veerboot uit Vlissingen. Wat had ik te doen met die arme mensen die hun enig kind hadden verloren. En waarvoor? Vraag je je nu af.
Vertrek uit Indie.
Luitenant Gerritsen en het 411e e bataljon werden op 23 mei 1950 geconsigneerd voor vertrek. Op 24 mei bracht een volgeladen trein het bataljon naar Tandjong Priok, de haven van Djakarta, waar de General Greely, een gecharterd Amerikaans troepentransportschip al klaar lag. De 25e mei s'ochtends vroeg gingen de trossen los en voer het schip langzaam de haven uit. Vaarwel Java…
(1) Hans Gerritsen, De hinderlaag bij Sindoeradja, militaire acties op Java, 1948-1950, Uitgeverij Hollandia BV, 1987, Baarn (ISBN 906045 5794)
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.