Hij is getrouwd met Jantien Julsing.
Zij zijn getrouwd voor 1655.
Kind(eren):
De vroegste vermelding van Jacob Ottens dateert van 1666, wanneer hij als getuige optreedt bij een lening. In 1671 ondertekende Jacob Ottens met zijn broers Otto en Hindrick een wilkeur in verband met de Oostermoerse venen. In 1673 trad hij namens het Oostermoer op als landdagcomparant. Hij was in 1687 armvoogd van de hervormde kerk te Gieten. In 1682 leenden Jacob en zijn vrouw Jantien 2000 gulden van hun neef en nicht Derk Lageman (gehuwd met Hillichien Hillebrants van Wieringa) en Wennechien Hillebrants van Wieringa, weduwe van Aeldert Aelders. Enkele maanden later lenen zij van Boele Hamming en Warmoltien Epping volgens obligatie van 26 mei 1680 een bedrag van 600 gulden. Daarnaast blijken zij nog schuldig 50 gulden, afkomstig van obligaties van 8 december 1659 en 20 december 1669. Diezelfde dag tekenen ze een schuldbekentenis voor Carst Huisinge en Wibbegien Mensinge, zijn huisvrouw, te Gieten een bedrag van 500 gulden, volgens een obligatie van 10 juli 1669. Daarnaast nog een bedrag in verband met een obligatie van 6 mei 1680 en 1 mei 1681. Tenslotte zijn ze schuldig aan Roeloffien Nieuwenhuis, weduwe van Lambert Eppinge volgens obligaties van 10 juli 1669 en 20 december 1669 een bedrag van 250 gulden. Tenslotte kan nog vermeld worden dat Jacob Ottens en zijn vrouw samen op 23 december 1682 te Gieten belijdenis deden.
Op 3 februari 1690 kwamen de markegenoten van Gieten bijeen om enkele stukken grond te verdelen. Hierbij waren Willem Ottens namens zijn vader Jacob Ottens en Otto Ottens aanwezig. Jacob en consorten ontvingen het noordelijke deel van het Westerveldt, gelegen ten westen van Gieten en het zuidelijke deel van het veld achter de Heercamp. In 1693 wordt Jacob nog vermeld als volle boer met nering te Gieten, maar het jaar daarna staat zijn weduwe als gezinshoofd in de boeken. Die nering betreft het herbergieren en brouwen.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.