Verdrag gesloten tusschen Lodewijk (II), graaf van Loon, en den bisschop van Utrecht. De graaf verklaart zich den dienstplichtigen man des prelaats, en staat hem de rechtsmacht af over deze zijner «ministrialen» en zijner lijeigenen welke in de domeinen van het bisdom wonen.
De bisschop, van zijnen kant, ziet van al zijn rechten af op zijn leenmannen in Holland.
De twee partijen verbinden zich den handel niet te hinderen en komen overeen aangaande hun recht op Frieland,
Staan o.a. vermeld : Wilhelmus de Petersem, burggraaf van Bronsteme, Razeo de Curtrece (Wolters leest Boronem de Curtreze) en Wolterus de Milem.
Kluit : Hollandia,II,pars I,269. - Van Mieris : Graaven Holland,I,144 (in 't latijn en in Hollandsch). - Wolters : Codex Loss., 68, n° 139. - Müller : Utrecht, 188. - Ontl. bij W.,III,223, onder datum April-Juni 1204; 3,XI,364.
Getuige: Wilhelmum de Petersem burchgravium de Bronsteme
Acta sunt hec anno Verbi incarnati M° CC° VI°.... Louis, comte de Looz (Los), résigne entre les mains de Henri (Ier), duc de Lotharingie, pour ensuite les reprendre de lui en fief, le château de Chaumont (Chalmunt), son alleu, et trois cents marcs par an assignés sur la totalité de son autre alleu de Herderen (Herderen), à condition toutefois que s'il venait à décéder sans laisser descendance légitime, les dits fiefs passeraient à son héritier le plus proche. Il s'engage de plus à servir de ce chef le duc comme son homme lige contre tous, hormis l'église de Liége, taut que celle-ci n'attaquera pas injustement le duc, et à charge pour celui-ci de le défendre aussi contre tons ses ennemis. En garantie de l'observation stricte desquels engagements se lit un échange d'ôtages. Ceux du comte furent : Roger de Meerhem (Merchem), Thierri d'Altena, Otton de Born (Bornen), Guillaume de Petersheim, Arnould d'Elsloo et son frère Herman, Robert de Baarle (Berle), Rasse de Cortryck (Curtheraco), Guillaume de Gothem, et Thierri, châtelain de Looz ; et ceux du duc : Godefroid de Schooten (Scoten), Arnould de Nest, Gérard de Grimberghen (Grentbergisi, Gérard de Jauche (Jacia), Godefroid (d'Aa), châtelain de Bruxelles, Arnould de Walhain (Walehem), Arnould de Wesemael, le sénéchal Arnould (de Rotselaer ), Gossuin d'Héverlé (Hauerla), et Robert de Tirlemont (Thenis). 1206.
Lodewijk (II), graaf van Los, doet afstand in handen des hertogen Hendrik (I) van Lotharingen en Brabant, van zijn kasteel van Chalmunt alias Chalmont, en bekomt het van hem te leen. Daarenboven bestemt hij aan den hertog drie honderd mark tot jaarlijksche rente op zijn alodiaal goed en kasteel van Herdenen. De graaf erkent den hertog te moeten bijstaan tegen allen, uitgezonderd tegen de kerk van Luik, en beide prinsen geven aan elkander tien hunner leenmannen als gijzelaar of borgen.
Onder die van den graaf bevinden zich : Wilhelmus de Pietersheim, Raso de Curtheraco, Wilhelmus de Gotthem, Thedoricus, castellanus de Los.
Butkens : Trophées, I,bewijsstukken,58 - Rucueil des traitez,I,46. Dumont : Droit des gens,I,1ste 135. - LÜnig : Codex,II, 1079. - Kluit : Hollandia, II,1ste deel,327. - Van Mieris : Graaven Holland,I,151. - Van den Bergh : Holland, 128. - de Borman : Colmont, 23. - B I A L, V,115. - Ont. bij W.,III,271. - Daris : Looz,I,445. - Diederik, kastelein van Loo, hierboven vermeld, niet te verwarren met den gelijktijdigen Diederik van Loon, broeder des graven. Cf. Limburgsche Bijdragen, jaargaang 1902, bl. 149.
« Hi sunt obsides comitis: oa. Willelmus de Petershem »
Getuige: Terric. filium Willielmi de Petreshem
Testes: Wilhelmus de Pietershem
Getuige: Wilhelmus de Pieterseim
Getuige: Willelmo videlicet de Petersem
Lodewijk (II), graaf van Loon, verklaart dat hij van alle afpersing afziet op de hoeve «curtis» welke de Sint Laurensabdij te Heers bezit. Hij zal ze beschermen in hoedanigheid van voogd, mits een jaarlijksche betaling, Waren o.a. tegenwoordig : Willem van Pietersem, Godfried van Lewis, edellieden; Walter van Mellin, seneschalk; Diederik van Loon, Lambrecht van Brusthem, Rembald van Duras, Willem van Montenaeken, slotvoogden ; Raes van Cortessem, Herman van Heers, Renier en Gunther van Veulen en Willem van Ryckel, ridders.
Ontl. bij Darus: Notices, XI, 88 - B S A H L, II, 208.
Willem, heer van Pietersheim, scheldt aan de abdij van Hocht de honderd schoven rogge kwijt, die de abdij jaarlijks aan de heer van Pietersheim verschuldigd was op haar goederen in Lanaken.
Hij bevestigd tevens haar visrecht op de Maas dat haar door zijn voorzaten geschonken was.
Testes: Wilhelmus de Pietersheim
Testes: Wilhelmus de Pieterseim, Walterus frater ejus
Testes: Wilhelmus de Pietershem
Arnold (III), graaf van Loon, verklaart dat zijn broeder, Lodewijk (II), vier honderd Luiker marken van de kloosterzusters van Herkenrode ontvangen had, om naar Jerusalem te vertrekken, en dat Lodewijk daarna, toen hij zich op het sterfbed bevond, aan de abdij voor eeuwig afgestaan had de tienden van Hasselt, Kermt, Kuringen en Stokrooie. Arnold bekrachtigt deze gift, en voegt er nog het patronaat der kerk van Hasselt bij en der kerken die er van afhangen, alsmede de vischvangst vanaf de groote brug tot aan de molen van Thulte. Getuigen: Wilhelmus, persona de Hasselt, Wilhelmus de Pietersheim, Conradus de Hubertinchen, Robetrus de Corswerem, Lambertus, kastelien de Brustemio, Philippus de Herck en diens broeder, Godefridus de Lewis, Arnoldus de Weldeke, Egidius de Hasselt, gastmeester, enz. - Acta sunt hæc A° gratiæ millesimo ducentesimo decimo octavo.
Matelius : Hist. Loss., pars I, 126 - Miraeus : Op. Dipl.,II,846. - Kluit : Hollandia, II, pars I, 420. - Wolters : Herckenrode, 66. - Delescluse en Brouwers : Henri de Gueldre, 432. - A H E B . XVI, 252. - Brokstuk in B I A L , X, 472. - Daris : Notices, IV, 16. - B S A H L, XVIII, 211. - Ontl. bij W., III, 503; VII. 529;XI, 428. - Cfr. P. Bibl., IV, 1371.
Arnold (III), graaf van Los, keurt de giften goed welke aan de abdij van Herckenrode gedaan door Arnoldus de Veldeke en zijn moeder Florida, namelijk de tienden Sulre, goedren te Wilre en te Kermte. Getuigen: Wilhelmus, persona de Hasselt, Wilhelmus de Pietersheim, Balduinis de Wido, enz. - Factum A° Dom. Incarn.. M.CC. octavo decimo.
B I A L , XI, 103. - Daris : Notices, IV, 135. - Ontl. bij W., VI, 529.
Testes: Wilhelmus de Pietershem
Willem van Pietersheim verklaart aan de abdij van Val-Dieu te schenken:
acht Luikse stuivers, een landgoed en de cijns van zes bunder in Bemelen (Ned.-Limburg) voor het brood en de wijn van het altaar.
Arnold (IV), graaf van Loon, verklaart dat hij aan Agnes, echtgenote van zijn trouwe leenman Willem van Pietersheim, het vruchtgebruik van het kasteel van Pietersheim en van alle goederen die genoemde Willem van hem in leen houdt, gegeven heeft zolang zij leeft.
Indien Willem en Agnes zonder nakomelingen zouden overlijden, dan zal het kasteel met alles wat erbij hoort als leen ten deel vallen aan Bisela, zuster van genoemde Willem.
Getuigen: Conrardus de Hubertingen, Nobilis; Renerus de Rulingen, Alardus de Haskesdael, Wilhelmus de Tungris, Wilhelmus, burgravius de Montenacken, Godefridus de Hertene, Wilhelmus de Hercke, enz.
Acta Autum hæc apud Pietersheim, Aº gratie M.CC. vigesimo septimo, indictione decima quinta, Mense Maio.
Daris : Notices, VI, 146. - Ont. bij W., VII, 611.
Joannis, bisschop van Luik, verklaart dat Wilhelmus, heer van Pytressen, de voogdij van Bruste (Ned.-Limburg) aan het kapittel van Sint-Martinus te Luik heeft verkocht.
Joannes Dei gratia Leod. episcopus, universis ad quos praesentes litterae pervenerint salutem in perpetuum. Noverint universi, quod cum decanus et ecclesia sancti Martini in Leodio advocatiam de Bruste a nobili viro Wilhelmo, domino de Pytressen, emissent et acquisivissent et eadem advocatia a domino Renardo de Argenteal descenderet, et ab ipso teneatur, tandem dominus Wilhelmus et Renardus in praesentia nostra comparaverunt et saepedictus Wilhelmus dictam advocatiam in manu dicti Renardi, a quo tenebat, ad opus ecclesiae sancti Martini reportavit; ipse autem Renardus cum eandem advocatiam a nobis teneret, in manus nostras, tanquam in manus superioris domini ad opus similiter praedictae ecclesi reportavit; et tam ipse Renardus quam praedictus Wilhelmus judicio et sub testimonio parium suorum eandem advocatiam resignarunt et effestucaverunt. Nos vero habito consilio majoris ecclesiae Leodien. et cum hominibus nostris quam pluribus adstantibus prefatam advocatiam ecclesiae beati Martini, cum omnibus juribus ad eam pertinentibus, tanquam allodium suum, reddidimus in perpetuum possidendum; verum saepedicta ecclesia habitis consilio et deliberatione postmodum in capitulo suo advocatum in villa de Brust nos elegit et prefeti, et successores nostros; ita tamen quod quinque solidos Leodien. nomine advocatiae, solummodo pro tribus generalibus placitis per annum recipere poterimus, vel successores nostri tertium denarium forescis et de vadiis quae ad curiam faciemus deduci nullam exactionem, vel talliam in hominibus facere vel recipere poterimus, nec aliquem militent vel alium de dicta advocatia infeodare poterimus, vel successores nostri, sed penes nos, et successores nostros in perpetuum ut dictum est remanebit, homines liberi erunt ab omni servitute, quam solebant exhibere aliis advocatis, praeter hoc, quod cum guerram habuerimus ad exercitum nostrum cum aliis hominibus de Nivelle venire tene buntur. Datum anno domini MCC trigesimo secto mense septembri, collatione facta cum primo libro chartarum ecclesiae Leodien. concordat Gual. Doupcy notarius
Op 11 mei 1237 erkent Willem, heer van Pietresem, van het kapittel van Sint-Martinus te Luik 160 Luikse marken te hebben ontvangen als koopprijs voor de voogdij van Broste. Willem belooft het Kapittel te vrijwaren tegen uitwinning en aanspraak van derden.
1237 11 mai. - Datum anno Domini M CC XXX septimo, mense maio, in die Gengulphi martyris.
Guillaume, seigneur de Pietresem (Petersheim, canton de Mechelen, arrondissement de Tongres), reconnaît avoir reçu du Chapitre de St Martin, à Liège, le payement intègral de 160 marcs liègeois, prix de vente de l'avouerie de Broste (Brus) acquise par ce Chapitre. Le même seigneur promet de garantir le Chapitre de toute éviction et principalement contre les prétentions de Thierry de Boubais, chevalier; de Guillaume (sic) et des fils de Maul de Moins (Heugem). Se sont portés garants de sa promesse : Renier de Lexi (Lexhy), Guillaume de Bekes, Othon deHacuus, Heineman (Jean) de Oez, François de Wic, Gislebert de Meuse et Guillaume (sic) chevaliers.
Note: Orig sur parchemin muni primitivement du sceau de la cathédrale et de celui du seigneur de Petersheim mais le dernier de ces sceaux a disparu
presentibus nobili viro Wilelmo de Pitresen
Willem vam Pietersheim, heer van Neerharen, geeft met de toestemming zijner vrouw Agnes, aan de abdij van Hocht de tienden van Neerharen.
Vermeld bij de Crassier L Neerhaereb, 5 (overgedrukt uit PSHAL, LXIII). - Dezelfde : Hocht, 23 en 177. - De gift werd waarschijnlijk gedaan toen zijn zuster, Gisela van Petershem, abdis was of bij gelegenheid harer verkiezing tot die waardigheid.
Willem van Pietersheim, heer van Neerharen, bekrachtigt de schenking van de tienden van Neerharen aan de Abdij van Hocht en verkoopt aan de abdij voor vijftig mark het vruchtgebruik dat hij zich hierop voorbehouden had.
De heer Hendrik van Ladenaeken, alias Ladenaecken, is o.a. tegenwoordig.
Vermeld bij de Crassier : Neerhaeren, 5 en 9. - Id. Hocht, 177.
Robrecht (van Thourotte), bisschop van Luik, bekrachtigd de gift van het vorige jaar aan de abdij van Hocht gedaan door Willem van Pietersheim, heer van Neerharen.
Vermeld bij de Crassier : Neerhaeren, 6. - Id. Hocht, 177.
Getuige: dom. Willelmus de Pitersheim
Testes autem hujus rei sunt : Wilhelmus persona de
Hasselt, Theodericus de Heinsberg, Oste de Borne,
Willelmus de Pitershem, enz.
Hij is getrouwd met Agnes de Berthout.
Zij zijn getrouwd
Kind(eren):
Willem I van Petersheim | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Agnes de Berthout | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Codex diplomaticus Lossensis ou Recueil et analyse de chartes servant de preuves à l'histoire de l'ancien conté de Looz (1849) door M.J. Wolters, pag. 70
Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 1261, 1265 en 1266
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek
Codex diplomaticus Lossensis ou Recueil et analyse de chartes servant de preuves à l'histoire de l'ancien conté de Looz (1849) door M.J. Wolters, pag. 70 en Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 607
Rijksarchief België op http://search.arch.be
Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 685 en Oorkondenboek van Holland en Zeeland 1866, door Laurent Philippe Charles van den Bergh en James De Fremery, pag. 128
Codex diplomaticus Lossensis ou Recueil et analyse de chartes servant de preuves à l'histoire de l'ancien conté de Looz (1849) door M.J. Wolters, pag. 82
Notice historique sur l'ancienne abbaye de Herckenrode, dans la province actuelle de Limbourg (1849), door M.J. Wolters, pag. 59/60 en Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 737 t/m 740
Notice historique sur l'ancienne abbaye de Herckenrode, dans la province actuelle de Limbourg (1849), door M.J. Wolters, pag. 57/58
Codex diplomaticus Lossensis ou Recueil et analyse de chartes servant de preuves à l'histoire de l'ancien conté de Looz (1849) door M.J. Wolters, pag. 84 en Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 735
Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 754
Artikel "De heren van Pietersheim (12de-15de eeuw)" in Tijdschrift Limburg, Jaargang 72, 1993, pag. 18, door J. Brouwers en Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 785
Notice historique sur l'ancienne abbaye de Herckenrode, dans la province actuelle de Limbourg (1849), door M.J. Wolters, pag. 66/67
Notice historique sur l'ancienne abbaye de Herckenrode, dans la province actuelle de Limbourg (1849), door M.J. Wolters, pag. 64/65
Notice historique sur l'ancienne abbaye de Herckenrode, dans la province actuelle de Limbourg (1849), door M.J. Wolters, pag. 70/71
Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 810
Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 811
Diplomata Lossensia, sive privilegia, paces, pacta, donationes, infeudationes, &c. concernentia tam comites, quàm comitatum de Looz (1717), part. 2, door Joannes Mantels en Laurentius Robyns, pag. 176
Artikel "De heren van Pietersheim (12de-15de eeuw)" in Tijdschrift Limburg, Jaargang 72, 1993, pag. 18, door J. Brouwers en Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 879
Artikel "De heren van Pietersheim (12de-15de eeuw)" in Tijdschrift Limburg, Jaargang 72, 1993, pag. 18/19, door J. Brouwers en Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 955
Artikel "De heren van Pietersheim (12de-15de eeuw)" in Tijdschrift Limburg, Jaargang 72, 1993, pag. 19, door J. Brouwers en Notice historique sur les anciens seigneurs de Steyn et de Pietersheim (1854), door M.J. Wolters, pag. 167/168
Inventaire analytique et chronologique des chartres du chapitre de Saint-Martin, à Liège (1871), door J.C. Schoonbroodt, pag. 13
Oeuvres de Jacques de Hemricourt, door C. de Borman en E. Poncelet (1925), deel II, pag. 4
Artikel "De heren van Pietersheim (12de-15de eeuw)" in Tijdschrift Limburg, Jaargang 72, 1993, pag. 19, door J. Brouwers en Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 1261
Artikel "De heren van Pietersheim (12de-15de eeuw)" in Tijdschrift Limburg, Jaargang 72, 1993, pag. 19, door J. Brouwers en Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 1265
Limburgsche Oorkonden, deel I, door J. Coenen 1932, nummer 1265
Catalogue des actes de Henri de Gueldre prince-évêque de Liége door Delecluse en Brouwers, 1900, blz. 431-434