Adriean werd vermeld 1484, 1512, 1523, 1532, boer in Zuid-Maasland, leenman van Honingen,
vermeld als welgeboren man in 1532 voor het Hof van Holland.
Adriaen volgt in 1488 samen met zijn vader op bij leen 88 van Honingen in de Aalkeetpolder,
gelegen in de 1e
hoefslag in Zuid-Maasland. In 1512 gaat, na het overlijden van zijn vader, het
leen geheel op hem over. Het landgebruik van Adriaen kennen we niet, daar hij vóór de samenstelling van het hoefslagboek van 1539 overleed. In eigendom had hij, naast de 3 morgen van
zijn leen, 2Ùa morgen die we bij zijn zoon Jan Adriaensz. Jongeloes als erfgoed van zijn vader
tegenkomen. Tevens stammen de 2Ùa morgen eigen land bij zijn zoon Adriaen en de 2 morgen
bij zijn zoon Pieter vermoedelijk uit zijn bezit, wat totaal 10 morgen eigen land betekent. Het
grootste deel van zijn bewerkte land zal Adriaen, zoals de meeste Maaslandse boeren, in pacht
gehad hebben. Zijn leen gaat naar zijn zoon Adriaen, 20 jaar later echter gaat het naar de tak
van Willem Claes Allertsz.
23-7-1523: Adriaen Claes Allertsz. en Allaert Claesz. worden vermeld in een lijst van tappers,
buurlieden en schotzetters te Maasland die worden gedagvaard voor het Hof van Holland.147
In 1532 bepaalt het Hof van Holland (wederom) dat de welgeboren mannen van Maasland vrij
zijn van enig schot, lot, riemtalen en andere hofdiensten. De welgeboren mannen omschrijven
zich als edelen, doende landbouw en anders, welke met de baljuw recht en justitie hebben gedaan. Tot hen behoren Adriaen Claes Allertsz. en (zijn broer) Allert Claesz.148
Leen Honingen 88:149 3 morgen land, belend ten westen: de zeedijk, ten oosten: de middelwatering, ten noorden: de erfgenamen van Gerijt Boeyen.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Adriaen Claesz / Allertsz of Loes | ||||||||||||||||||