in Spakenburg: aan zowel de Gereformeerde lagere school als aan de Christe-lijke Normaalschool en aan de Visserijschool.
Gereformeerd: te Harkstede 1933, te Haarlem 1936, te Utrecht 1941-1946 (vanaf 17 augustus 1945 vrijgemaakt, na geschorst te zijn).
aan de Theologische Hogeschool der Geref. Kerken (Vrijgemaakt) te Kampen 1946-1968 (homiletiek, catechetiek, poimeniek, diaconiek, evangelistiek, liturgiek en filosofie).
in 1955 (tijdelijk)
in 1954
Hij is getrouwd met Marretje Maria Bakker.
Zij zijn getrouwd op 11 mei 1933 te Doorn, hij was toen 31 jaar oud.Bron 7
Kind(eren):
Het vijfde deel van het Biografisch Lexikon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme besteedt in enkele bijdragen aandacht aan personen, die een rol speelden in de (voor)geschiedenis van de Nederlands Gereformeerde Kerken, daaronder Cornelis Veenhof:
VEENHOF, CORNELIS (Kees), * Doorn 2 maart 1902, † Oudemirdum (Friesland) 7 februari 1983. Zoon van Jan Veenhof, bakker, en Johanna Kraan.
Onderwijzer en leraar in Spakenburg 1920-1926. Student theologie in Kampen 1926. Gereformeerd predikant te Harkstede 1933, te Haarlem 1936, te Utrecht 1941-1946 (vanaf 17 augustus 1945 vrijgemaakt, na geschorst te zijn).
Hoogleraar Theologische Hogeschool der Geref. Kerken (Vrijgemaakt) te Kampen 1946-1968 (homiletiek, catechetiek, poimeniek, diaconiek, evangelistiek, liturgiek en filosofie).
In 1969 buiten het verband van de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) geraakt, als gevolg van de buiten verband-plaatsing van de later zo geheten Nederlands Gereformeerde Kerk te Kampen waarvan hij lid was.
Hij huwde 11 mei 1933 met predikantsdochter Marretje Maria Bakker (1899-1979). Zoon Jan Veenhof (* 1934) volgde G.C. Berkouwer op als hoogleraar dogmatiek aan de Vrije Universiteit; zoon Klaas Roelof Veenhof (* 1935) werd hoogleraar assyriologie aan de VU, later te Leiden. Veenhof woonde zijn laatste levensjaren in bij dochter Margriet Naber-Veenhof (* 1938).
-
Veenhofs leven was nauw verweven met de voorgeschiedenis van de vrijmaking (1944) en met de spanningen in de vrijgemaakte kerken, die leidden tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken (aanvankelijk: Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt buiten verband) (1968).
Veenhofs leven was nauw verweven met de voorgeschiedenis van de vrijmaking (1944) en met de spanningen in de vrijgemaakte kerken, die leidden tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken (aanvankelijk: Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt buiten verband) (1968).
Met de wens predikant te worden, behaalde Veenhof vanuit Spakenburg via avondstudie in 1926 het diploma gymnasium-alfa. In Kampen raakte hij geboeid door de herbezinning binnen de Gereformeerde Kerken op de erfenis van Abraham Kuyper en Herman Bavinck, onder leiding van de latere hoogleraar K. Schilder, A. Janse, hoofdonderwijzer in Biggekerke, en D.H.Th. Vollenhoven en H. Dooyeweerd, grondleggers van de wijsbegeerte der wetsidee.
Met hen ontstonden intensieve contacten, in het bijzonder met Schilder.
Aan de kerkelijk-theologische en wijsgerige vernieuwingsbeweging die zij op gang brachten – door Veenhof in een gelijknamig geschrift (1949) als ‘voortgaande reformatie’ getypeerd – nam Veenhof actief deel. Aan de Calvinistische (voorheen: Gereformeerde) Studenten Beweging, in 1930 onder zijn voorzitterschap opgericht, gaf Veenhof nieuwe impulsen, onder meer door er de calvinistische wijsbegeerte te propageren (waaraan hij levenslang trouw is gebleven).
Zijn aanvankelijke bewondering voor Kuyper kwam onder andere tot uitdrukking in publicaties die gewijd waren aan diens invloed op de calvinistische wijsbegeerte (In Kuypers lijn, 1939) en aan diens gedachten over de souvereiniteit in eigen kring en de prediking (Souvereiniteit in eigen kring, 1939; Predik het Woord, 1942). Van de bevriende en vereerde Schilder gaf Veenhof verzamelde preken, lezingen, artikelen en schriftoverdenkingen uit. In zijn reserve tegenover Schilders Godsleer werkte invloed van de antispeculatieve Vollenhoven door. Veenhof trachtte Schilder in nauwer contact met Vollenhoven en Janse te brengen.
Met de laatste wees Veenhof op het concrete spreken van de Schrift over het verbond, tegenover scholastiek en subjectivistische vroomheid (onder andere in Der Rechtsstreit des HERRN mit Israel über die Herrlichkeit und Beständigkeit seines Bundes, 1935).
In Utrecht, waar het gezin Veenhof tijdens de oorlog een joods meisje in huis had, was Veenhof als predikant van de roepende kerk adviseur van de synodes van (1939-)1943 en 1943-1945 (waarvan de laatste werd voorgezeten door G.C. Berkouwer). Met collega M. de Goede maakte Veenhof bezwaar tegen het bindend verklaren van de leeruitspraken uit 1905 inzake Kuypers leer van de veronderstelde wedergeboorte.
In zijn lijn nam de kerkenraad in de hongerwinter een ‘Godsvrede’ in acht. Veenhof kritiseerde intussen Schilders radicalisme, wilde de vrijmakingsvergadering in Den Haag (11 augustus 1944) niet bijwonen en ondertekende de Acte van Vrijmaking of Wederkeer niet. Tot Schilders teleurstelling maakte hij zich pas een jaar later vrij, toen een na de bevrijding door Veenhof en andere Utrechtse bezwaarden ter synode ingediende nadere verklaring over de strijdpunten niet de gezochte opening bood.
Tijdelijk groeide afstand tot Janse, die in de Duitse bezetting Gods straffende hand zag, en tot Vollenhoven en Dooyeweerd, die niet met de vrijmaking meegingen.
Veenhof maakte indruk door zijn prediking en preekcolleges. Waar hij voorging, moesten dikwijls velen met een staanplaats genoegen nemen. Via zijn preekcolleges drukte Veenhof zijn stempel op de verkondiging binnen eigen kring.
Veel van Veenhofs publicaties vonden hun aanleiding in de kerkelijke conflicten van zijn dagen. Zo verscheen in 1944 een historische schets over de synodebesluiten van 1905, Rondom ‘1905’, met een ‘Woord vooraf’ van Vollenhoven. Veenhof en zijn medeauteurs R.J. Dam en B. Holwerda beoogden ermee, de oorspronkelijke bedoeling van de leeruitspraken (in hun ogen: pacificatie-formules) alsook de herinterpretatie ervan via Praeadvies en Toelichting van 1942 in het licht te stellen. Veenhof was ervan overtuigd, dat uitvoerig gedocumenteerde, contemporaine historiografie een vertekening van het verleden ter zelflegitimatie kon voorkomen. Zijn beschrijving van de voorgeschiedenis van de vrijmaking in Om de ‘Unica Catholica’.
Een beschouwing over de positie van de bezwaarden onder en over de synodocratie (1949) moest verhoeden ‘wat met de uitspraken van 1905 is geschied’: ‘We hebben het immers beleefd, dat, na nog geen veertig jaar, door de groote massa van de werkelijke betekenis en bedoeling der toen geformuleerde leeruitspraken niets meer werd verstaan’. Zijn historische belangstelling verschoof intussen van Kuyper naar G. Groen van Prinsterer, Willem van den Bergh, de afscheiding van 1834 en de reformatie van de zestiende eeuw (zie Prediking en Uitverkiezing, 1959, over de plaats van de uitverkiezingsleer in de prediking in de Christelijke Afgescheiden Gereformeerde Kerk, 1850-1870). In Om kerk te blijven (1966) kapittelde Veenhof de zijns inziens onhistorische visie die inmiddels in eigen kring over de vrijmaking was gegroeid – als een door God geschonken reformatie – ter legitimatie van de eigen, ware kerk. Met een publicatie over Bavincks kerkbeschouwing (1969) hoopte hij, onder de vlag van Bavincks gezag en orthodoxie, de confessionaliteit van zijn kerkvisie kracht bij te zetten. Na de breuk in de vrijgemaakte kerken beschreef hij in de informatieboekjes voor de Nederlands Gereformeerde Kerken van 1974 en 1975 de voorgeschiedenis, het ontstaan en de eerste ontwikkeling van deze nieuwe kerkengroep.
In Kerkgemeenschap en Kerkorde (1974) presenteerde hij de strijd in de afgescheiden kerken tussen 1836 en 1840 over kerkgemeenschap en kerkenorde als een waarschuwend voorbeeld voor deze over de functie van confessie en kerkorde verdeelde Nederlands Gereformeerde Kerken.
Van Veenhofs kerkelijke verbondenheid en invloed getuigen onder andere de meer dan 2000 bijdragen van zijn hand in de door hem (mede) geredigeerde bladen De Reformatie (1934-1956, redacteur 1952-1956), Opbouw (redacteur 1957-1983, opgericht in 1957, nadat Veenhof in 1956 de redactie van De Reformatie had moeten verlaten omdat hij het niet tot haar taak rekende, in de geest van de ‘doorgaande reformatie’ leiding aan het kerkelijke leven te geven) en Dienst (redacteur 1947-1968). Veenhofs maatschappelijke engagement kwam tot uiting in lezingen en publicaties over sociale en juridische vragen en in het bijzonder over de Algemene Bijstandswet (waarvan hij een verklaard tegenstander was: Christelijke diakonie en ABW, 1966), en in de vervulling van adviseurs- en bestuursfuncties ten behoeve van de Gereformeerde Kinderbescherming, de Centrale diaconale conferentie, de Reformatorische bijbelschool en het Sanatorium Sonnevanck.
Na eervol ontslag in 1968 werden Veenhof door de synode van Hoogeveen (1969) wegens het ‘verlenen van doortocht aan dwaling’ het lidmaatschap van de academische senaat en zijn emeritaatsrechten ontnomen.
Veenhof stond steeds kerkelijke vereniging met de Christelijke Gereformeerde Kerken voor. Als emeritus publiceerde hij in toenemende mate over de gevaren van het leninistisch marxisme
(bron: Biografisch Lexikon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme).
=
Op de site http://www.christenhistorici.nl/content/20021331/Eerherstel%20voor%20Cornelis%20Veenhof is een levendiger beschrijving van Cornelis Veenhof te vinden, inclusief inbreng van zijn zoon Jan en van oud-studenten.
=
'In het klimaat van het absolute - C.Veenhof (1902-1983) leven en werk' is de titel van het academisch proefschrift waarop Adriaan Pieter van Langevelde tot doctor in de theologie promoveert. Het is een biografie van Cornelis Veenhof. Een online beschikbare versie omvat 662 pagina's. Werk en leven komen beide uitgebreid aan bod. Het voert te ver in het kader van de stamboom alles passages over zijn leven op te nemen. Wel worden deze vaak als bron voor informatie in de stamboom gebruikt (telkens met bronvermelding). Ook is een beperkt aantal feiten en omstandigheden hieronder opgenomen die een beeld geven van Cornelis Veenhof en het gezin waar hij uit voorkomt:
1. het bakkersgezin van vader Jan Veenhof en moeder Johanna Kraan woont Kampweg 34 in Doorn. Cornelis wordt wordt vernoemd naar zijn grootvader van moeders kant. Zijn vader noemt hem ook zo, zijn moeder zegt Knelis, anderen zeggen Kees.
2. Doorn werd in de jonge jaren van Cornelis 'het dorp van de donder' genoemd. Bij hevige regen was er wateroverlast, de Kampweg werd tot een onbegaanbaar moeras. Na de verhardering van de weg kreeg de Kampweg met vele winkels als bijnaam de Doornse Kalverstraat. In die tijd telde Doorn maar liefst twaalf bakkers en twee banketbakkers, veel concurrentie dus voor bakker Jan Veenhof. Hij was een klein mannetje met een sikje.
3. de vader van Cornelis had geen knecht. Hij ging met een broodkar langs zijn klanten. Deze duwde hij zelf, soms spande hij de hond ervoor. In dat geval zat hij zelf op een plank waarover zijn achterwerk uitstak. Het leverde hem de bijnaam 'bakker Kont' op. Later gebruikte hij een fiets met een grote broodmand. In de Sinterklaas gingen zijn kinderen, ook Cornelis, met zakjes speculaas langs de deuren. Per verkocht pond kregen de kinderen twee-en-een-halve cent voor hun spaarpot.
4. als hij 18 is, in 1920, haalt Cornelis zijn onderwijzersdiploma aan de Jan van Nassau kweekschool in Utrecht. Hij wordt aangesteld als onderwijzer aan de 'oude' School met den Bijbel in Spakenburg. Hij gaf les aan een klas met 52 leerlingen, verdiende fl. 76 per maand, waar fl. 60 van afging voor kostgeld. In zijn vrije tijd studeerde hij verder want hij wilde naar de universiteit om predikant te worden. In 1921 krijgt zijn broer Herman een aanstelling aan dezelfde school. Ze gaan samen in een pension wonen, vlak bij de haven.
5. De broers gaven ook les op de visserschool. Op een dag gingen ze op de Zuiderzee op spiering vissen. Ook schooldirecteur A. Blokhuis ging mee. Veenhof kwam geregeld bij hem thuis en leerde zo zijn nichtje kennen: Marretje Maria (Marrie) Bakker, een domineesdochter. Hun eerste ontmoeting had plaats toen Cornelis de band van haar fiets oppompte. Ze kregen verkering.
6. in 1923 keert Cornelis terug naar Doorn. De combinatie van les geven op drie scholen, bestuurlijke activiteiten voor christelijke verenigingen en zijn studie werd hem teveel. Hij wilde zich volledig op zijn studie richten. In 1926 haalde hij het staatsexamen gymnasium. De ouders van Marrie feliciteerden hem per brief en gaven daarin ook toestemming voor hun verloving. Dit vanwege 'de overwinning die ge hebt behaald op het hart van onze oudste dochter.
7. .................... wordt vervolgd.........................
(Adriaan Pieter van Langevelde, de promovendus, is op exact dezelfde datum als de opsteller van deze stamboom geboren, t.w. 25 februari 1954 - jv)
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Cornelis Veenhof | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1933 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Marretje Maria Bakker | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Biografisch Lexikon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme
familiebericht (verkregen via Centraal Bureau voor Genealogie) - proefschrift 'in het klimaat van het absolute'
proefschrift 'in het klimaat van het absolute'
Biografisch Lexikon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme - Het Utrechts Archief