Zij is getrouwd met Cornelis Woijtken Croesinck.
Zij zijn getrouwd in het jaar 1418.
- kamerdienares van Jacoba van Beieren (1418) en Philips de Goede
kinderen:
1. Jacob Cruesinc, secretaris van Philips de Goede, klerk (commissie 26 nov. 1445, eed 3 jan. 1446), auditeur (commissie 31 dec. 1446, eed 20 maart 1447), raad en meester (1457) van de rekeninge (hernieuwde commissie 25 juni 1477) in Den Haag, Brussel, Mechelen, f 5 okt. 1493 4 4 , enz.
2. Floris Cruesinc, klerk van de thesaurier (1460), stadsklerk van Tholen (1462), rentmeester van Zuid - Holland (commissie 22 jan. 1461, eed 11 maart 1462).
A.R.A., Arch. Graven van Holland 231, f. 36, dd. 2 febr. 1418 (huwelijksgift van 30 nieuwe Hollandse schilden 's jaars) en f. 37v, dd. 19 april 1418 (in ruil voor de 30 schilden ontvangen zij levenslang het veer Galchoirt en Stakelberch bij Tholen);
id. 232, f. 117v, dd. 8 maart 1432 (hun zoon Jacob wordt levenslang medegerechtigd).
Verg. Jhr. G. F . Sandberg, Overzetveren in Zeeland (dissertatie 1970), blz. 108—111. Het bestaan der grafelijke brieven wordt bevestigd in de rekening betreffende Tholen en Schakerloo van de Zeeuwse rekenkamer van het jaar 1446/'47 (het veer heet hier Galchoert en Scakelberch), waar bovendien nog confirmatiebrieven dd. 16 aug. 1418 (van Jacoba van Beieren) en 2 juli 1432 (van Philips van Bourgondië) worden gememoreerd (R.A. Middelburg, Arch. Zeeuwse Rekenkamer I, Bourgondisch-Oostenrijks tijdvak, inv.nr. 1367).
De pacht van het veer (nu Botkynsveer geheten) komt pro memorie voor in de rentmeestersrekeningen van 1445/'46 tot en met 1461/'62 (inv. nrs. 1366 t/m 1382). In het jaar 1450/51 staat in de marge „obiit de voirs. Cornelis" (inv.nr. 1371).
Arch. Graven van Holland 238, f. 161v, en Grafelijkheidsrekenkamer, register 2, f. 170v, dd. 1 dec. 1462 (de stad Tholen
belooft de erfpacht van de molens en de veren van Tholen en Schakerloo te betalen, maar zal aan GEERBURGH HEYNRICK TEYLINCX DOCHTER en aan haar oudste zoon Jacob Cruesinck levenslang 13 pond groten 's jaars uitreiken). Dit gebeurde nadat op 29 sept. 1462 de hertog aan die van Tholen, op hun verzoek tot afschaffing van dijkgeld, dat geheven werd toen door de heer van Bergen een dam was gelegd, alle veren waaronder het Botkynsveer in erfpacht had afgestaan en tevens had toegestaan dat Tholen over de scholasterie en het klerkambacht van de stad mocht beschikken na het afsterven van de toenmalige functionarissen Dxrck van Zanden en Floris Cruesinck (Gem.- arch. Tholen, regesten van charters, dd. 29 sept. 1462, nrs. 44 t/m 47). Verg. C. Hollestelle, De geschiedenis der Thoolsche veren, in: Sinte Geertruydtsbronne 1929, blz. 7, en S. J. F. Slootmans, Halsteren, zijn geschiedenis en zijn archief, blz. 135. Een afschrift van de akten van 1 dec. 1462 bevindt zich in het archief van de Zeeuwse Rekenkamer, vierde copulaat, f. 367. Reeds in eerdere rekeningen werd de naam Geerburgh Heynricsdochter door een tussenvoeging in contemporair handschrift gewijzigd in Geerburgh Heynrick Teylincx dochter: jaren 1450/"51, 1459/'60 en 1461/'62 (Zeeuwse Rekenkamer I, Bourg.- Oost. tijdvak, inv.nrs. 1371, 1380 en 1382). Van 1462/'63 af wordt de erfpacht gedeeltelijk aan de rentmeester betaald en voor de rest aan Geerburgh, die dan steeds Cornelis Cruesinck weduwe wordt genoemd. De rekening van 1475/'76 vermeldt in de marge: „obijt de voirs. Geerburch" (inv.nr. 1403). Tot zijn dood in 1493 krijgt daarna Jacob Cruesinck het overige deel van de erfpacht. De stadsrekening van Tholen vermeldt hem reeds als ontvanger in het jaar 1472/'73; zijn overlijden dringt daar pas door in 1496/'97: tot en met dat jaar wordt hij als gerechtigde genoemd (Gem.arch. Tholen).
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Geerburch Henricksdr. Teylinc | ||||||||||
1418 | ||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.