Hij is getrouwd met Jannetgen Willemsdr..
Zij zijn getrouwd.
Kind(eren):
- van beroep korenkoper en later lakenbereider
- hij woonde op Nieuwe Rijn 22 in Leiden (gekocht 22-10-1566); het huis werd verkocht rond september 1575
identiteit: De Jan Jacobs die het meest in aanmerking komt, woonde op de Nieuwe Rijn bij de Burgsteeg. Jan Jacobs {Heerman} kocht Nieuwe Rijn 22 in 1566. Hij is dan korenkoper, maar in 1570 is hij lakenbereider. Leiden had zijn welvaart te danken aan de lakenindustrie, maar die nam na 1560 dramatisch af, dus 1570 was niet zo’n goed moment om in te stappen.
Ook politiek en religieus was het een moeilijke tijd. In 1566 vond de beeldenstorm plaats en daarna volgde een periode van onrust en repressie, waardoor in 1567 veel inwoners de stad verlieten. Daarbij waren ook velen die de katholieke kerk steunden, omdat de beeldenstorm gericht was tegen de katholieke kerk. Maar in 1572 koos Leiden de kant van de opstandelingen tegen Spanje en toen kwamen veel gevluchte bewoners die de Prins van Oranje steunden weer terug.
Maar voor standvastige katholieken was dat geen verbetering, velen kwamen nog niet terug. In juni 1572 kwamen de Geuzen de stad binnen en daarna werden [katholieke] kerken en kloosters geplunderd. Op 20 juli 1572 werd de eerste gereformeerde dienst gehouden. Nu verlieten weer veel katholieken de stad. In november 1572 bedreigden naderende Spaanse troepen de stad. Opnieuw verlieten katholieken de stad. Ook Jan Jacobs is waarschijnlijk al vroeg gevlucht. In dec. 1567 trad Gerrit Heerman, pater, op in een akte samen met Jacob Janszn Heerman, zijn broeders zoon. Omdat Jan Jacobs later nog leefde is ook hij waarschijnlijk de stad uit gevlucht. Dit verklaart waarom er in de akte niet zaliger broeder staat. Maar Jan Jacobs is waarschijnlijk toch wel weer snel teruggekomen, omdat hij in 1570 alweer als belending staat vermeld.
1577 [NJK] Verklaart Gerrit vandr Mij Roeloffsz, oud omtrent 70 jaar:
[p15v] Ter requisitie van Gerijt Jansz den Binck, als getrout hebbende gehadt Jutgen Jan Jacobsz Heermansdr za, warachtich te wesen dat hij-deposant, met za. Ewout Arent Geritsz [†1585; g.m. Adriana Jacopsdr], inden jare 1577 in de maent van junio, geweest is ten huijsse vande nagelaten kinderen van Jan Jacobsz Heerman en Jannetgen Wmsdr beijden za, ter requisitie van mr. Gerit Heerman heurluijder eenige oom, alwaer zijl. de vs. kinderen en erffgen. gescheijden hebben in heure vaderlicke en moederlicke roerende en onroerende goederen, opt sonderlinge anhouden en begeerte van Cornelis Cornelisz cuijper, heur {half}broeder die t’uijtrecht gehuwelict was. Ende sulcx volgende ’t scriftelic schijt [scheiding] daer van zijnde, daertoe hij-getuijge hem refereert, die vs. requirants huijsvr. [Jutgen], deur tusschenspreken van mr. Gerit Heerman haer oom, hij deposant en de vs. Ewout Arent Geritsz [pregevoud, alsoo zij in de neeringe opgevoet was en haer dies wel verstont], toegevoucht is: de huijsinge en erve staende opten Nijeuwen Rijn vooren somme van CG850, sulcx Jan Jansz van Baersdorp het selve doen ter tijt daer op estimeerde, achtende zelve genouch te zijn, en dat haer daerenboven soude volgen ’t smeehuijsken, staende opte Uijterste Grafte, voor alsulcke penn. als d’ouders dat onlangs daer tevooren gecoft hadden. (…)
[Hij] Seijt meer dat mr. Gerijt Heerman wiens erffgen. zij waren, nijet en begeerde datmen ijemant mits den sekere staet vande boedel bekent soude maken en datter geen vonnissen van svaders noch van moeders zijde en waren.
[Cornelia Sijmons, 52 jaar, getuigt dat de getuigenis van Gerrit vander Mij waar is]
Dan seijt sij-getuijge meer dat mr. Gerit Heerma nemen[de] den vs. Corn. Cornelisz, bij haer-getuijge seggende: ghij sijt tot den {man} [meerderjarig {*1552}] gecomen en sout ghij, en Trijn Jans u suster, t’avont oft morgen beduncken laeten dat [Trijn Jans u jongste suster ‘t huijs te goede coop] wij Jutgen bijde scheijdinge ‘t huijs te goetcoop hadden toegeschadt, wij hebbende die buergemr. Baersdorp en gehoort, die seijt datet genouch is, soe spreect uit, voor u en voor u suster; waerop Corn. Corn.sz seijde: ‘Heeroom t’staet mijn soo hooch nijet aen ende ik bender wel meede te vreden, daer zal geen moeijte om vallen’ ende gelijcke woorden. == Panden aan Nieuwe Rijn 20, 21 en 22, Leiden
[zie scan]
bronnen:
= DNL 1992 jaargang 109, pag 173 e.v.: Het nageslacht van Willem Luutgardenz., schepen van Leiden. II. Prosopografie van het geslacht Heerman, ca. 1350-1530, door Drs. A.J. BRAND en Dr. F.J.W. VAN KAN
= "Henric Haestens Boekdrukker te Leiden 1596-1629" - N. J. Kemper (Academia.edu 2021)
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Jan Jacobsz. Heerman | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Jannetgen Willemsdr. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.