Zij is getrouwd met Daniel Danielsz Croock.
Zij zijn getrouwd.
Kind(eren):
- ook genoemd Jut Gielis Dunnecop
- zij is vermoedelijk een nicht van Godefridus Henrici Dunnecop [zie in database]
uit Bossche Encyclopedie:
Achter het Wild Varken 9
Achter het Wild Varken 9 was in 1520 in bezit van Willem van Achel, die het op 9 februari 1495 had verkregen van de uitvoerders van het testament van Gijsbert Ghijsselen.
Wat betreft de oudere geschiedenis: op 14 april 1390 deden Willem, Gerit, Goiart en Liesbet (gehuwd met Wouter van den Staal?) en Sofie (gehuwd met Hendrik Goiart Dicbier), kinderen van wijlen Jan van Derenteren, afstand van dit goed ten behoeve van hun broer en zwager Jan Jansz. van Derenteren. Het was het woonhuis van hun vader en schoonvader geweest en werd gesitueerd tussen erf van Jan Leunis van Erp en erf van Gijb Herinc en zijn zuster Aleid. Jan van Derenteren senior had al op 9 augustus 1367 een cijns van 16 pond op dit complex gevestigd, dat toen gesitueerd werd tussen erf van Meus Dirks en erf van Gosen Harinc.
Het goed werd op 14 maart 1403 door Jan Jansz. van Derenteren getransporteerd aan zijn zwager Hendrik Dicbier, zoon van wijlen Goiart. Het werd omschreven als huis, erf en tuin en gesitueerd tussen erf van Hendrik Steenwech, zoon van wijlen Gerit Monics, en erf van wijlen Gijb Harinc, nu van Gosen Albert Gielisz. en mede-erfgenamen.
Op 10 juli 1434 transporteerde mr. Goiart Dicbier, kanunnik van de Sint-Jan, dit goed, dat omschreven werd als huis, erf en tuin, aan zijn broer Aart Dicbier. Waarschijnlijk waren zij zonen van Hendrik Dicbier, al staat dat niet in de akte.3 Op 7 februari 1460 droegen de kinderen van de inmiddels overleden Aart Dicbier - Goiart, Sofie (gehuwd met Aart van Vladeracken) en Heilwig (gehuwd met Gerit Boest) - het goed over aan hun broer Hendrik. Er gingen pachten uit van twee mud rogge aan genoemde Goiart, van één mud aan broeder Rutger Dicbier, kloosterling van Porta Celi bij 's-Hertogenbosch, en van één mud aan Gerit natuurlijke zoon van Goiart Dicbier.4 Zoals uit latere akten blijkt had Aart Dicbier deze pachten aan de genoemden gelegateerd. De pacht aan Rutger werd op 31 juli 1460 overgedragen aan diens medekloosterbroeder mr. Aart van Weilhusen, zoon van wijlen mr. Aart van Weilhusen; Gerit natuurlijke zoon van Goiart zoon van wijlen Aart Dicbier droeg zijn pacht op 15 juni 1462 over aan zijn vader en Goiart deze pacht en de pacht die hij van zijn vader geërfd had op 18 augustus 1464 aan Heilwig en Oedele dochters van wijlen Daneel Daneelsz. Croeck en van Jutta Gielisdr. Dunnecop. Jutta verkreeg hiervan het vruchtgebruik.
Het goed zelf werd op 7 april 1462 door Hendrik Aartsz. Dicbier overgedragen aan jonkvrouw Luitgard weduwe van wijlen Aart van Luenen. Hij had er op 2 april 1460 nog een pacht van drie mud uit verkocht aan Willem Jacobsz. van Wijk kramer. Hierin werden als belendingen opgegeven: Willem de koper en Gijsbrecht Roesmont. Het complex strekte zich uit tot aan de Dieze. De uitvoerder van het testament van de weduwe Van Luenen transporteerde het op 26 oktober 1469 aan Gijsbrecht Jansz. Gijsselen en zoals hierboven al is weergegeven droegen de uitvoerders van zijn testament het op 2 september 1495 over aan Willem van Achel, zoon van wijlen Gerit. Op 19 februari 1496 werd de bevrijding van het complex van een cijns van anderhalf mud rogge, die ook uit ander goed ging, aan het klooster op de Donk buiten Heusden, door het klooster bevestigd. Er was sprake van huis, tuin en erf, gesitueerd tussen erf van Gijsbrecht Roesmont en erf van Willem Aartsz. van Wijk.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Jutta Egidius Hendrick Dunnecop | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Daniel Danielsz Croock | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.