Kind(eren):
- ook geschreven Willem Aert Loijen...
- overleden tussen juni 1562 en 1564...
- woonde op het Moerschot in Gestel...
- heet hij wellicht Willem Aert Loijen Donkers, g.m. Emken met zoon Aert..???
schepenprotocol SMG:
473 Er is een zekere kwestie ontstaan tussen Jan Henricks ter ener zijde en Lenaert Jan Glavimans en ook mede namens de andere erfgenamen van wijlen Mercelis Janssen ter andere zijde over een pad en het omgekapte eikenhout en andere kwesties die ze tot nu toe met elkaar hadden. Partijen hebben zich nu onderworpen aan bemiddeling van arbiters, te weten dat Jan Henricks daarin kiest voor Henrick van Beeck en WILLEM AERT LOIJEN en genoemde Lenaert Jan Dircks en Joost van Gemert, en ze hebben voor schepenen beloofd om de uitspraak van hun bemiddelaars na te komen. De arbiters die kennis hebben genomen van de kwesties, verklaren hierbij dat Jan Henricks de halve pad die nu eigendom is van Lenart Jan Glavimans, vanaf de straat tot aan het hek toe van de *missie* van Niclaes Janssen zal mogen gebruiken en door deze Jan en Lenaert samen zal worden gebruikt, voor Jan vanaf het hek van de *missie* op zijn eigen erf met een lading hooi of koren tot de andere pad die eigendom van Lenaert is. De arbiters bepalen echter wel dat de *palingen * moeten worden gerespecteerd van de erven van genoemde Jan tot aan de pad toe die eigendom is van Lenaert of zoals die nog zullen worden aangebracht. Partijen beloven deze afspraken eerlijk na te komen, op straffe van een boete van 50 karolusguldens, elke gulden van 20 stuivers, welke afpaling is gebeurd door Daniel van der Ameijden als schout van Gestel. Voor het verteer heeft Jan Henricks twee derde delen betaald van 2 karolusguldens en Lenaert een derde deel. Schepenen hierbij Peter Schuermans en Goijaert Willemse van der Merendonck, datum 15 juni 1560.
503 Wij Henrick Willems van Beeck en Jan Michiels, Henrick Jan Emonts, Peter Jan Schuermans en Goijaert Willems van de Merendonck als schepenen verklaren dat voor ons is verschenen Goossen zoon wijlen Jan Henricks die ons in gebannen vierschaar heeft verklaard dat wijlen Jan Henricks en Aleijt wettige dochter van wijlen Goessen Erberts, zijnde zijn ouders, zijn gestorven en dat voor hem Willem Goerts en WILLEM AERT LOIJEN als voogden waren aangesteld welke voogden zoals Goossen verklaart voor het onderhoud van hem Goessen op diens bezit de som van 25 karolusguldens hadden geleend en dat van die twee voogden er een is komen te overlijden en hij verzoekt daarom om een vervangende voogd en die de bevoegdheid te geven voor een andere lening van 25 karolusguldens, welk bedrag hij van zijn eerste voogden had ontvangen. Wij als schepenen op grond van het gebruik hierin en ook vanwege de open brief van octrooi van de keizer als hertog van Brabant, met instemming hierbij van Daniel van der Ameijden als schout van Gestel, benoemen hierbij Willem Aert Loijen en Jan Henriks als inwoners alhier die daarvoor zijn opgeroepen en omdat genoemde Goossen pas over 3 of 4 jaar meerderjarig zal zijn, stemmen wij erin toe dat de voogden het bezit van Goossen mogen belasten met 25 karolusguldens, elke gulden van 20 stuivers en dat met een schepenschuldbrief tot de tijd toe dat Goossen meerderjarig is. Daarvoor mogen de voogden diens bezit belasten en verder moeten de voogden alles doen dat goede voogden dienen te doen en moeten van hun beheer daarvan verantwoording afleggen op verzoek van Goossen en wel hier voor schepenen van Gestel, hetgeen de voogden ook beloofd hebben te doen. Datum 9 november 1560.
509 Voor schepenen is verschenen WILLEM zoon wijlen Aert Loijen en Jan Henricks als voogden over de minderjarige zoon van wijlen Jan Henricks en beloven als schuldenaars op grond van voogdijbrieven op onderpand van het bezit van deze minderjarige zoon aan Chatarina weduwe van Christiaen Gielis die per a.s. Maria Ontvangenisdag over een jaar 35 stuivers te betalen, nog per Maria Ontvangenisdag over 2 jaar de som van 35 stuivers met nog 25 karolusguldens. Getuigen Henrick Jan Emonts en Goijaert Willems als schepenen. Datum 7 december 1560.
837 Wij Henrick van Beeck en Goijaert Willems, schepenen verklaren dat voor ons zijn verschenen Jacop zoon wijlen Jacop Aerts oud ca. 20 jaar die ons te kennen heeft gegeven dat zijn vader Jacop en zijn moeder Dimpna dochter wijlen Jacop Hermans zijn komen te overlijden en dat hij hun enig kind is en daarom bezit heeft geerfd na dood van Jenneken weduwe van Jacop Hermans zijnde zijn grootmoeder, en wel een perceel deels heide en deels weide en akkerland, groot ca. 9 morgens, gelegen te Gestel in het Moerschot, b.p. de erfgenamen van WILLEM ARNTS LOIJEN, Coel Gerits en meer anderen, de gemeijnte daar, Jacop Hermans. ... etc. Datering 18-02-1564
> zou dit hem zijn...? (wel jong overleden?)
911 Wij Peter Schuermans en Matheus Pels, schepenen verklaren dat voor ons is verschenen Adriaen Luenis van Heeze en verkoopt aan Jacop Hermans die voortaan een jaarlijkse pacht van 1 mud rogge, maat van Den Bosch, steeds te betalen op 1 maart op onderpand van een stuk hooiland gelegen te Gestel ter plaatse genoemd ten Breekelen, b.p. de gemeenschappelijke straat, WILLEM AERT LOIJEN, welke pacht Adriaen had verkregen van Geerling zoon wijlen Evert Aernts volgens een schepenbrief van Den Bosch d.d. 18 februari 1562. De verkoper belooft de verkoop gestand te doen en alle lasten daarin van zijn kant af te handelen. Akte is voorzien van het schependomszegel. Datum 11 september 1565.
> hier leeft hij nog, of betreft het hier 1562..??
164 Goijaert zoon wijlen Cornelis Cornelis belooft aan Henrick zoon wijlen Jan Peeters een jaarlijkse rente van 6 karolusguldens, elke gulden van 20 stuivers, vrij van alle belastingen etc. te betalen op Maria Lichtmisdag en voor de eerste keer met Maria Lichtmisdag a.s. op onderpand van een weiland groot ca. 4 morgens, gelegen te Gestel in het Moerschot, b.p. vrouwe Raesen, Jan Spierincks en meer anderen, de gemeenschappelijke straat, WILLEM AERT LOIJEN. Genoemde Goijaert belooft de rente steeds tijdig te betalen en zal het onderpand in goede staat houden voor de betaling van de rente. Datum 7 februari 1569, Luikse stijl. Datering: 07-02-1569
> hier leeft hij blijkbaar ook nog...
=================221===================
Aktennr : 221; Folio : 105-r; Datum : 09-06-1593
Soort akte : Verklaring over verrekening contributie met pacht
Al degenen die deze brief zullen zien etc. Wij Gijsbrecht Willems en Jan Adriaens van Roije, schepenen verklaren dat voor ons zijn verschenen Aernt zoon wijlen Jacop Aernts oud ca. 75 jaar, Jacop zoon wijlen Dirck Janssen van Roij oud ca. 48 jaar, Henrick zoon wijlen Jan Henricks oud ca. 44 jaar, Jan zoon wijlen Henrick Jacops oud ca. 56 jaar, Pouwels zoon wijlen Dirck Horcx oud ca. 39 jaar, Leonaert zoon wijlen Adriaen Dircks oud ca. 50 jaar, Huijbrecht zoon wijlen Tonis Diercks oud ca. 50 jaar, Adriaen zoon wijlen Henrick Janssen oud ca. 55 jaar, Joris zoon wijlen Adriaen Willems oud ca. 41 jaar, allen inwoners van Gestel die hiervoor zijn opgeroepen door Willem Joris als vorster en hebben op verzoek van Henricxken weduwe van Jan Hermans en haar kinderen, onder ede nadat ze daarvoor zijn ondervraagd het volgende verklaard. Aert verklaart dat afgelopen Pinksterdag 6 jaar geleden hij is ingetrokken in de hoeve die eigendom is van Rutger Rutgers van Griensven alhier gelegen aan de Pleijn en dat hij 8 jaar op die hoeve heeft gewoond en dat de quote of tax van de dorpslasten waarin die hoeve was aangeslagen die men *rantsoen of brandgeld * noemt, hij als deponent dat wel had betaald maar verlegd en dat zijn meester of heerschap daarvan de twee derde delen diende te betalen en hij deponent een derde deel en dat de eerste het eerste pachtgedeelte van dat genoemde *nederwaerts* (de andere partij dan de koning) geld niet had verrekend en dat Rutger dat deel zelf daarvan betaalde. Genoemde Jacop Dirck Janssen als tegenwoordig pachter van de
hoeve die eigendom is van de tafel van de H. Geest van de stad Den Bosch, verklaart dat hij daar ongeveer 13 jaar op heeft gewoond en dat hij deponent maar weinig geld met zijn heerschap heeft afgerekend inzake de pacht van deze hoeve en dat hij vanwege schade en lasten op de hoeve die hij daarin had geleden die meer dan 250 gulden bedroeg, verklaart hij deponent dat zulks niet genoeg was maar wel behoord had te doen dat zijn meester voor al zijn geleden schade hem daarvoor zou hebben kwijtgescholden met net zoveel als de huur bedroeg. Genoemde Henrick zoon Jan Henricks verklaart dat hij op de hoeve die eigendom is van Joost Hessels alhier te Ruijmel een tijd van 6 jaar heeft gehuurd gehad en wel ongeveer 6 jaar geleden en dat het geld dat hij voor zover de hoeve
daarvoor werd aangeslagen in het *nederwaerts * geld heeft voorgeschoten en dat Henrick van Cueringen als rentmeester van die hoeve de twee derde delen in mindering had gebracht ondanks de condities en voorwaardes van deze hoeve die daarover geen melding maakte. Genoemde Jan zoon wijlen Henrick Jacops als pachter van de hoeve die eigendom is van de weduwe Meriken Pijnappels alhier aan de Pleijn heeft daar wel 15 of 16 jaar lang
gewoond en hij verklaart dat voor zover de hoeve werd aangesalagen in het *nederwarts* geld hij deponent dat aan de collecteurs van het dorp dikwijls heeft betaald en de twee derde delen ervan in mindering was gebrecht door de pachters, ondanks dat daarover niets van in de pachtcedullen staat vermeld. Pouwels zoon wijlen Dirck Horcx verklaart dat hij jarenlang op het bezit heeft gewoond van Willem Peters en daarna op het bezit van Mercelis
van Casteren en thans woont op het bezit van Erkelen weduwe van Peter Damen en dat hij altijd het geld daarvoor die bezittingen werden aangeslagen in het *nederwaartse * geld zelf had betaald en zijn meester hem voor de twee derde delen dat aan hem in mindering had gebracht ook ondanks het feit dat zulks niet in de pachtcedullen staat vermeld. Genoemde Leonaert zoon wijlen Adriaen Dircks verklaart dat hij alhier op het bezit heeft gewoond eigendom van de kinderen van Henrick Rutten en wel voor 3 jaar en dat voorwaardes van dat bezit die hij met die kinderen had gemaakt staat dat de inkomsten van die kinderen *vrijgeld* zou zijn (dus netto zonder enige vermindeing) en dat men hem als deponent voor dat *nederwaartse* geld niet wilden korten waarover hij een proces was begonnen en waarin door bemiddeling van goede mannen besloten was dat hij deponent door de kinderen voor dat nederwaartse geld en voor de schade die hij op dat bezit had geleden werd tegemoetgekomen voor een bedrag van 17 karolusguldens en 1 malder rogge. Genoemde Tonis Huijbrechts zoon wijlen Tonis Diercks en genoemde Lenaert verklaren dat een zekere Gerit van Gerwen op het bezit van hun vader WILLEM AERTS LOIJEN had gewoond en dat in de voorwaardes was vastgelegd dat de pachtsom *vrij geld van alle van de goederen te ontvangen* (dat de verpachter voor alles wat uit de hoeve was te ontvangen voor alle lasten
werd vrijgesteld) en dat genoemde Gerit van dat bezit hen nog 27 gulden schuldig was en nog twee mud rogge en dat zij deponenten daarover in proces zijn waarin comissarissen zijn benoemd om daarover te besluiten en dat die commissarissen deze 27 gulden en twee mud rogge volledig hebben toegewezen en dat Gerit voor zijn nederwaarts geld en de schade die hij op de hoeve had geleden werd vergoed en dat zij deponenten de heren
commissarissen nog een karolusgulden hebben gegeven. Genoemde Adriaen zoon wijlen Henrick Jansen verklaart dat hij alhier een huis en tuin heeft dat hij jaarlijks verhuurt en de pachter van dat bezit het nederwaerts geld betaalt en dat hij deponent daarvan de twee derde delen op de pachtsom in mondering brengt. Verder verklaart de deponent nog dat hij op verzoek van de magistraat en wethouders van Gestel een visitatie heeft gedaan met Jan Adriaen Elias en Dirck Horcx als schepenen en Leonaert Adriaens als borgemeester anno 1586 over de schade die de 3 compagnieen ruiters juist voor de oogsttijd die hier voor 13 of 14 dagen waren gelegerd, hadden veroorzaakt en dat de genoemde weduwe en haar kinderen toen in huis waren en dat de overste van de 3 compagnieen met wel 20 paarden dat hadden veroorzaakt. Deze zelfde deponent verklaart nog dat hij Adriaen de schade die elke inwoner op zijn koren had geleden had opgeschreven en er een register van had gemaakt en dat de weduwe en haar kinderen boven het onderhoud dat ze aan deze overste en diens volk had geboden nog aan haar koren een schade had geleden van 9 zesters rogge en een mud haver en nog veel meer schade zou hebben
gehad als die daar nog langer waren gebleven. Hij weet uit zijn register dat Tomas Vergoijendonck als pachter van de hoeve van Johan van Campen die voortvluchtig is, aan diens koren een schade had geleden van 1 mud en 3
zesters koren en dat Jacop Dirck als pachter van de H. Geesthoeve die ook voortvluchtig is, 6 mud en 15 lopen koren schade had, en naaste buren zijn van genoemde weduwe. Genoemde Joris zoon wijlen Adriaen Willems
verklaart dat in het jaar 1587 toen het leger te Boxtel was gelegen, hij deponent van de secretaris van Gestel de Creugentiende had gepacht die bijna volledig onder de hoeve van de genoemde weduwe was gelegen en dat er in die tiende zoveel schade was dat de secretaris hem deponent kwijtschelding had gegeven voor 1 mud koren maar dat de schade aan de tiende wel 12 lopen koren bedroeg zodat de tiendenaar zijn tiendedeel verloor en de weduwe haar negen delen. Ik als schepen Gijsbert Willems verklaar dat ik gewoond heb op het bezit van de weduwe van Rut Peters voor een tijd van 13 jaar en ook thans nog en ik, Jan Adriaens schepen heb gewoond op het bezit van de weduwe van Willem Peters voor een tijd van 3 jaar en dat het *nederwaertse* geld door mij werd betaald aan de collecteurs ervan en dat geld voor twee derde deel door de weduwe werd gecompenseerd. Datum 9 juni 1593.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.