(1) Hij is getrouwd met Agnes Johannis.
Zij zijn getrouwd op 6 augustus 1594 te Schijndel.
(2) Hij is getrouwd met Johanna Hendriks.
Zij zijn getrouwd op 21 juli 1599 te Heeswijk (Nbr).
Kind(eren):
- van beroep molenaar te Schijndel op de molen van Kisldonck
info:
In 1609 trad Huijbert Goyaertsz. op als gevolgmachtigde van de weduwe van Willem van Kilsdonck, die ook nog eens weduwe van twee latere echtgenoten was geworden. Deze Willem van Kilsdonck moet een en dezelfde persoon geweest zijn als Willem zoon van wijlen Aert Janszoon van Kilsdonck. Huijbert Goyaertsz verkocht namens de weduwe de molen aan haar schoonzoon, Artus Buysen, weduwnaar van wijlen Geertruyt van Kilsdonc, Willems dochter.
Deze Artus Buysen, burger van Antwerpen, verkocht in 1613 de watermolens met de huizingen, hof, gronden en alle toebehoren, erven en gerechtigheden die daarbij hoorden aan de edele en ‘eerentvesten’ jonkers Lambert en Bruno te Heerenhoven, zonen van wijlen jonker Segewalt ten Heerenhoven. De kopers moesten onder andere de erfcijns van 36 peters aan de voormalige abdij van Binderen betalen, evenals de gebuurlijke rechten van Dinther en de halve provinge aan de vicaris en koster van Dinther ‘naer ouden hercomen’. De transactie werd betwist door Roeff Geeritss, de echtgenoot van één van de dochters van wijlen Willem Henrixssen de Molder, maar daar is op een of andere manier een einde aan gekomen.
Vanaf 1613 tot het einde van de zeventiende eeuw waren leden van de adellijke familie Ten Heerenhaeff, zoals hun naam meestal gespeld wordt, de volle eigenaren van de Molen van Kilsdonk. Tevens hadden Lambert en Bruno ten Heerenhaeff omstreeks 1613 het adellijke huis Avestein aangekocht. Het duurde niet lang of de beide broers Ten Heerenhaeff bemoeiden zich actief met de watermolen op hun gronden. De ingezetenen van Dinther zagen graag dat zij een wind- of rosmolen zouden plaatsen. In 1614 vroegen en kregen de gebroeders vergunning om in de heerlijkheid Dinther een rosmolen op te richten bij de twee watermolens die zij onder Kilsdonk bezaten. De reden was dat de beide watermolens te Kilsdonk, die dienden voor het gemaal van de ingezetenen van Dinther, alleen in de winter mochten worden gebruikt, ‘tot grooten ondienst’ van de ingezetenen, die ‘s zomers twee mijlen moesten reizen om naar een molen te gaan. In de zomermaanden zou men in het vervolg een beroep kunnen doen op een molen die werkte op paardenkracht. Uiteraard had zo’n rosmolen minder capaciteit dan de watermolen met dubbele raderen. Een goed alternatief zou hij daarom niet geweest zijn. Of de paardenmolen is geplaatst is maar de vraag, want er valt in geen enkel huurcontract iets over te lezen.
In 1618 werd het huis Avestein geheel op naam van Bruno ten Heerenhaeff geschreven. Deze Bruno was tevens eigenaar van het voormalige ridderhof Ten Bogaerde, dat vlakbij Avestein stond. Beide behuizingen hoorden aan het einde van de veertiende eeuw nog bij het leengoed van de heren van Helmond. Bruno ten Heerenhaeff moet ook de eigenaar van de Kilsdonkse Molen zijn geworden, want hij was degene die de molen verpachtte. Uit verschillende aantekeningen blijkt dat leden van het geslacht Ten Heerenhaeff in de zeventiende eeuw werden beschouwd als heren van Dinther. Formeel was dat echter niet het geval, al kunnen er bepaalde rechten van de (halve) heerlijkheid Dinther verbonden zijn geweest aan het huis Avestein. De Kilsdonkse Molen, die de gebroeders Ten Heerenhaeff hadden gekocht, stond dichtbij landerijen die hun eigendom waren. Bruno ten Heerenhaeff en zijn opvolgers zetten de gewoonte voort om de Molen van Kilsdonk telkens voor een periode van een aantal jaren (meestal zes) te verhuren aan een molenaar. Een aantal van die huurcontracten is bewaard gebleven. Ze lijken alle sterk op het huurcontract uit 1602 van Huijbert Goyaertsz. Al bleven de formuleringen door de jaren heen vrij constant, geven ze een aardig beeld van de rechten en plichten van de huurders en verhuurders.
Pachtcondities
Het oudste pacht- of huurcontract tussen Bruno ten Heerenhaeff en een molenaar dat bewaard is gebleven stamt uit 1626. Jonker Bruno ter Herenhaeffve, zoals hij hier genoemd wordt, verpachtte aan Melchior Goyaertss een watermolen, te weten een korenmolen en een slag of oliemolen, ‘genoemt de molen tot Kilsdonck, voor de tijd van zes jaar’. Hier hoorden het huis, hof en toebehorende land en de ‘koey weyde oft groeslant’ bij. In het huurcontract wordt een aantal voorwaarden opgesomd. De pachter moest al het gaande werk in de molen onderhouden, terwijl de eigenaar de as, kamrad (‘camprat’) en al het staande werk onderhield. Verder diende de pachter zowel het woonhuis als het molenhuis te onderhouden en betaalde hij aan de verpachter onder andere vier koppels ‘smaele hoenders’ (= kleine (jonge) kippen). Waren er reparaties nodig aan het staande werk, as en kamrad, dan moest de pachter de arbeiders te eten en te drinken geven; de kosten van de werkzaamheden zelf waren voor rekening van de verpachter.
De pachter was verantwoordelijk voor het onderhoud van de dijken en de sluishoofden. Hij mocht geen hout gebruiken of afhouwen, maar de resten van het schaarhout (= hakhout) mocht hij gebruiken als ‘heynsel’ (= omheining). Behalve de dienaren van het gerecht mocht de pachter niemand over zijn erf laten rijden of drijven, tenzij met toestemming van de verpachter.Gedurende de zes jaren van zijn pachttermijn moest de pachter zich behelpen met de molenstenen die op de molen lagen. Hij mocht de verpachter geen molster of loon berekenen wanneer hij voor hem zou malen of olie slaan.
bron: http://home.kpn.nl/ARoo1934/kwartierstaatvanelswijk.htm
Melchior Goijaerts Hanegraeff | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
(1) 1594 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Agnes Johannis | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
(2) 1599 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Johanna Hendriks | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.