Hij werd gedoopt te Helden op 4.2.1714 en Wilhelmus Knippenberg en Joanna zeelen waren de doopgetuigen. Hij overleed ongehuwd te Helden Panningen de 1.11.1776. Volgende de beleningen in het overkwartier van Gelder, in de periode 1715-1747, werd "Ter Braeken" verheven door Peter Knippenberg voor hem en zijn deelgenoten op 25.8.1738. Voor Renier Johan Theodoor, baron den Dornick, heer Van Walbeeck en Twistede, geheimraad vna Z.K.M. en kanselier in Gelderland en stadhouder van de lenen , verscheen op 29.1.1740 de E.H. Aerts, vicaris te Helden, die met toelating van de bisschop van roermond verleend op 17.1.1740 en met de toestemming van de landdeken en pastoor van Helden van 24.1.1740, zou willen verkopen ongeveer één morgen land , toebehorende aan de kapel van Helden aan Jan Joosten. Dit land behoorde onder het leen "Ter Braken" gelegen te Helden, waarvan Peter van Knippenbergh de leendrager was. De kapelaan verzoekt aan de stadhouder op aan deze overdracht toe te stemmen omdat deze grond aan het leen zou verbonden blijven en alzo de lasten zal helpen dragen. (Dit document was geparafeerd "Dornickus" en was voorzien van het koninklijk zegel gedrukt in een ronde hostie en overdekt met wit papier.)
Peter ontving voor het jaar 1741en ook in 1748 een bedrag van 3 gulden en 10 stuivers als rente op het kapitaal ten laste van de gemeente Helden, dat zijn moeder, de weduwe Hendrik Knippenberg, had uitstaan. Op 1.5.1747 is hij huwelijksgetuige te Helden voor zijn broer Henricus en op 11.9.1749 is hij doopgetuige te Heythuysen van Petrus, een. zoon van Hendrik. Onder het "Capitatiegeld" van 11.9.1748 vinden wij de samenstelling van het gezin van de weduwe Hendrik Knippenbergh, met één zoon Peter en één dochter Elisabeth, beiden ouder dan 16 jaar. De lijst van de "bestialen" maakt melding van het bezit van twee koeien.
Op een lijst van 1755 over de intresten van de verschuldigde oude kapitalen aan 3,5% ten laste van de gemeente, die in het jaar 1787 zullen vervallen vinden wij Peter terug met een kapitaal van 755,5 gulden. Op een lijst van, 1757 over andere intresten van verschuldigde kapitalen, opgenomen door de gemeente tijdens de oorlog en aanvangende in het jaar 1757, wordt Peter nogmaals genoemd met een kapitaal van 433 gulden 68 stuivers en nog met een andere som van 65 gulden 34 stuivers.
Op 9.10.1770 werden er 40 korven met kolen naar Gelder gebracht door Peter en andere voerlui. Op Donderdag voor de kermis van Helden in 1773 heeft Peter tezamen met Joannes Jeucken ongeveer 12 karren leem gestoken in de nieuwe kamp van Michiel Hoebers. Zij schenen echter in de mening te zijn dat zij zich op gemeentegrond bevonden. Op kermismaandag wilden zij hiervoor Michiel Hoebers vergoeden. 0m de eventuele gerechtskosten te beperken, Michiel vroeg 6 pistolen vergoeding, doch Joannes Jeucken oordeelde dat deze som te hoog was. Daarom stelde hij voor om een scheidsrechterlijke uitspraak van een schepen te vragen en aldus tot een schappelijk vergelijk te kunnen komen. Michiel blijft bij zijn eis en verlangt 4 schellingen per kar leem.
In een donatie voor het gerecht te Helden van 31.10.1775 verleend door Peter Coumans ten voordele van het echtpaar . Jacobus Van Knippenberg en Anna Peters, is er sprake van 1 morgen hoefslagh, genoemd "Speckbemt", die belast was met een bedrag van 200 gulden ten voordele van Peter. Ten huize van Peter en Elisabeth, broer en zus, wordt op 21.10.1776 hun gemeenschappelijk testament opgesteld, in tegenwoordigheid van de schepenen en de secretaris van Helden. Peter is ziek, doch nog goed bij verstand en tezamen met zijn zuster Elisabeth laten zij hun laatste wilopstellen. Zij verlangen dat hun een christelijke begrafenis zou heschoren worden en zij vermaken wederkerig hun gerede goederen aan de langstlevende, die er over mag beschikken naar welgevallen. Ter bevordering van de ware godsdienst en in. het bijzonder voor de vermeerdering van de vrijdagse devotie ter ere van de Moeder Gods van de 1 Weeën in de kapel, wensen zij dat er een hoogmis zou opgedragen worden. Hiervoor zal de helft van hun uitgezet kapitaal bij de gemeente van 800 gulden Kleefs en van 750 gulden 5 stuivers oude roermondse munten, onmiddellijk na de dood van. een hunner beiden aan de parochieherder overgemaakt worden, waarvan de helft voor de kapel en de ander helft voor de kerk bestemd zijn. Jaarlijks mag de kerk de renten van 100 gulden Kleefs besteden aan de aankoop van ornamenten, kaarsen, wijn en brood. De rest van de intresten zal besteed worden aan het lezen van missen. Ook de kapel mag beschikken over de renten van 100 gulden II Kleefs voor het lezen van missen. De door de testateur en de testatrice gedane schenkingen aan de kerk en aan de kapel moeten dienen tot meerdere eer en glorie van God en zijn gezegende moeder en tot lafenis van de zielen van de afgestorvenen. Indien de wens van Peter en Elisabeth door zekere omstandigheden niet in vervulling kan gaan, dan blijven de bedoelde . kapitalen ten laste van de gemeente en de jaarlijkse intresten mogen dan alleen voor leesmissen. gebruikt worden.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.