Hij is getrouwd met Aagje Segers.
Zij zijn getrouwd op 30 september 1872, hij was toen 29 jaar oud.
Kind(eren):
Govert had zelfstandig een bloembollenbedrijf. Hij bouwde in 1878 een huis met één verdieping (huidige Heereweg 300) dat hij Trompenburg noemde. Hiernaast liet hij een de bollenschuur bouwen. De schuur was te groot voor zijn bedrijf en dus verhuurde hij een klein gedeelte aan zijn zwager Wout Segers die niet samen ging met zijn broers die de zaak Gebr. Segers stichten.
Wout was getrouwd met Sophie Molenaar. Ze woonden op het vierkant en kregen geen kinderen. Wout had zondags als hij naar de kerk ging een hoge hoedop. Op de plaats waar hij zat stond een kistje met een deksel. De hoed werd opgeborgen in de kist.
Sophie was een zuster van de bekende aannemers Molenaar. De Molenaars waren christelijk gereformeerd.
Govert was lid van de gemeenteraad voor de A.R.P. en ouderling in de gereformeerde gemeente van 1883 tot 1911.
De opgebouwde bollenzaak werd na het overlijden van Govert gesplist.
De verhouding tussen de families Tromp was zonder meer goed en bleef ook goed nadat de broers Gerrit en Bert de zaak van Gebr. Tromp in tweeën splitsten.
Hieronder een brief aan Jan Boot, die rond de vorige eeuwwisseling leefde, en thuislezer was.
VRAGEN EN ANTWOORDEN OVER DE KERKSTAAT.
LISSE 4 Februari 1892.
Geachte Vriend!
Daar ik altijd veel van Uw persoon gehoord heb van vriend v. d. Zee, en zoodanig U kende, hoewel wij elkander nooit hadden ontmoet, sedert wij elkander bij vriend v. d. Zee ontmoet hebben, zoo is door mij over Uwe woorden nog al eens nagedacht. En daar U door de veelheid Uwer woorden mij geen tijd verleende om mijn bewijzen geregeld aan U te openbaren, zou U mij ten hoogste verplichten en een dienst doen, mij in een briefje de gronden van Uw gevoelens toe te lichten.
Ten Ie. Dat er geen Kerk of Gemeente Gods meer bestaat in Nederland.
Ten 2e. Dat er geen geroepen of gezonden Leeraars meer zijn.
Ten 3e. Dat geen Doop of Avondmaal mag bediend worden.
Ten 4e. Dat U de Formulieren afkeurt.
Ten 5e. Dat U beweert, dat de Groote Kerk onze Moederkerk is.
Ten 6e. Dat U ouderwetsch gerechtvaardigd zijt boven anderen.
Nu Vriend, in afwachting noem ik mij uit achting, Uw Vriend,
G.C. TROMP.
ANTWOORD.
DELFT, 16 Februari 1892.
Geachte Vriend!
Met dezen hoop ik, onder opzien tot den Heere, de aan mij door U gestelde vragen te beantwoorden.
Ie vraag. Ik zoude wel een atheïst moeten wezen, als ik dat stelde. De Heere zegt immers, dat de poorten der helle dezelve niet zullen overweldigen, en als er In deze dagen nog geen klein overblijfsel was, als Sodom en Gomorra zouden wij vergaan. Maar ik meen de ware Kerke, die onder de breuke van het geschonden recht en der eere Gods ligt, daar toch al de heden daagsche kerken, onder welke vlag ook, die levendige Kerke vervolgen en haten. De Heere zegt immers: als zij haar zelven schuldig keuren, zal Ik wederkomen tot Mijne plaatse. En alle opgerichte kerken zonder den Heere zijn niet anders dan het Sanhedrin: het wilde den bloedprijs niet, daar was het te vroom voor, maar wel het bloed Christi. Ziet het in Jeremia! Hoe is het dien man gegaan? Wat heeft hij niet moeten lijden van de kerkelijke menschen! En waarom? Omdat hij hun kerk wegpreekte. En hoe met de bruid? De dochteren Jeruzalems sloegen haar, omdat de bruid geestelijk, en zij zelf vleeschelijk waren. De bruid sloeg niet terug. Lees eens van die valsche profeet Hananja, die was het maar om de vaten te doen, niet om den Heere. Jeremia wilde dat ook wel, maar kreeg daarom een ijzeren, inplaats van een houten juk. En zoo is het tegenwoordig ook maar om twee vaten te doen: Doop en Avondmaal. Maar wat een chaos van verwarring! Allen doopen tegenwoordig. En het is nogal een tijd om avondmaal te houden in deze dagen van praat- en sleurchristen dom! Het is tegenwoordig wetprediken onder den schijn van genade, omdat de Heere geweken is. Lees eens Hosea 8 vers 14.
0, Sion moet door recht verlost worden. Christi rok mag niet verscheurd worden. 0, als dat nog eens gebeurde, zouden Rachels schapen wel voor den dag komen, die nog zoek zijn. Amos 8 vers 9, enz. is in deze dagen onder het rechtvaardig oordeel bevestigd, en men gaat maar door. Men kan gemakkelijker 1000 kerken bouwen, als recht op zijn plat voor den Heerè nedervallen, en zeggen van harte: wee onzer, dat wij zoo gezondigd hebben. Die dikke touwen van Ezechiël hebben ook wat tegen ons te zeggen, en daarom geloof ik, dat de opgerichte kerken buiten den Heere de levendige Kerke, die als een nachthutje in den komkommerhof verkeert, niet kunnen verdragen. 0, het zinkt alles hoe langer hoe dieper weg onder formalisme, en om de menschen maar vast te zetten in het werkverbond, daar de doode mensch in leeft.
Maar genoeg, het zal er voor U en mij maar op aan komen, of wij een levendige voetstap gekregen hebben in die Kerke en Gemeente, die zalig wordt; of wij van de ware Kerke een levendig lidmaat zijn, en eeuwig zullen blijven.
Als de Heere geweken is, gaat alles aan het werk, of uit vijandschap, Ôf dat zij bij zaligheid ter kerk gaan. Dat zien we in Hosea.
0, waar zal het nog eindigen! Ik geloof, dat die in Babel gevangen zaten, meer met de Kerk op hadden, als die te Jerusalem. Genoeg in deze, dat ik een levendige Kerke en Gemeente op aarde stel.
2e vraag. Deze vraag zoude beantwoord kunnen zijn met het eerste antwoord. Als de Heere vertrokken Is met Zijne genadige inwoning om der zonde wille, behoeft de Heere geen gezanten meer te zenden, en kan Hij zeggen als tegen Zijne discipelen: slaap nu voort. En wij moeten al willens blind zijn, als wij dat niet zien. De geesten rijzen als paddestoelen uit den afgrond op, en daar heeft de Heere wat mee te zeggen. Zoo lang er nog een Mozes en Aâron was, moest Korach met zijn aanhang bezwijken. Goliath had nooit door zijn eigen zwaard zijn kop verloren, als David de kleederen niet had uitgetrokken, die de menschen hem aangetrokken hadden; en zoo staan nu die Goliaths om den God Israëls te hoonen, maar omdat wij van de gemeente en menschen aangekleed wordén en in die kleederen goed kunnen gaan, groeien de vijanden.
Och wat zijn wij toch diep gezonken. Trekt de Heere niet met ons op, och, wat zal er nog van ons worden.
Justus Vermeer zegt: is het geen recht, als de Heere ons zonder leerende priester laat? Van der Groe is de laatste ziener geweest in Neêrlands Kerke. Die heeft de Heere het oordeel laten verzegelen en dat ligt nog verzegeld, en na dien tijd heeft de Heere er nog niet een toe gebruikt, (ook Dominé Ledeboer niet) om met Nederlands Hoogepriester werkzaam te worden wegens wegneming van Neêrlands Kerkschuld.
Ieder zal tegenwoordig wel met zijn roeping voor den dag komen. Nu is het maar praten over den toestand, en doen gelijk die mensch, die bij iemand aanbelt, en meteen de deur zelf open doet.
Ik heb wel eens gedacht, het gaat met uw gemeente ook niet voorspoedig. Twee dominés gestorven; Weiting gezalfd en weer afgezet, wel, dat was ook te grof.
Toen Elia stierf, met de Kerke aan zijn zijde, kreeg een ander een zending van den Heere, en dat miste niet.
Ik ben verheugd, dat het den Oppersten Herder en Leeraar, door grondelooze genade, behaagd heeft, mij te schenken een plaatsje beter dan der zonen en der dochteren, en Die iederen dag mij wil leeren en onder wijzen, en een altaar in mijn huis geschonken heeft, en dat ik mag gelooven, dat ik ook tweelingen mag hebben. Het zal voor de poorte er op aankomen, of wij dwaze of wijze maagden zijn, want wij zullen niet geoordeeld worden naar een kerkelijk of menschelijk oordeel, maar onze namen moeten geschreven staan in het Boek des Levens.
3e vraag. Wat deze vraag betreft, wenschte mijne ziele, dat mijne oogen hel eens mochten zien, dat die Verbondszegelen eens in s Heeren Gunste mochten bediend worden in een stad met muren en poorten. Maar nu is er geen gordel meer; de dooden verlangen ze in deze dagen het meest, omdat zij van het recht Oods niets weten, en doen het als plicht- en wetwerk, en omdat zij er hun zaligheid in stellen, en niet kunnen wachten. Wij hebben die panden rechtvaardig verbeurd, en het richterlijke in het gemis zullen wij moeten voelen, zal de Vaderlijke liefde er weer in geopenbaard kunnen worden, en dan zullen de vijanden wel neervallen.
Maar het staat te vreezen, omdat wij over de schuld heenstappen, dat er in Nederland een gedoopt heiden dom zal overblijven met een godsdienst zonder God.
4e vraag. Wat deze vraag betreft, ik hoop er voor bewaard te worden, het werk van de oud-vaderen, die met de Inwoning des Heeren bedeeld waren, af te keuren. Maar ik denk dat u ze zelf afkeurt, omdat, zoo ik merk, gij alles vleeschelijk wilt hebben, en geen vraag aan uzelf doet: heb ik het in s Heeren gunste of ongunste, dat toch maar de zaak is.
5e vraag. Hierop moet ik u antwoorden, dat waar de schuld begaan is, wij en onze vaderen gezondigd hebben, (waardoor wij den Heere genoodzaakt hebben, zijn vuur- en haardstede te verlaten), daar moet het geschonden recht hersteld worden. We lezen immers:
Het Huis, daar onze vaders U in loofden, is met vuur verbrand. De Heere Jezus heeft immers over stad en tempel geweend. Ik geloof, dat het meest bastaarden zijn, die de echte nog helpen dwalen, en daar van geschreven staat: een ieder toont ijver voor zijn huis, maar s Heeren Huis wordt woest gelaten.
Naarmate dat de Heere nog verder wijkt, komt het vol kerken. 0, waar zal het met alles nog eindigen.
De kinderen kon men toch leeren, en men kon toch oefenen, maar van de kerkstaat als kerkstaat moet de gemaakte schuld eerst verzoend zijn. De Heere wierd in Zijn verkoren Tempel, hoe diep ook gezonken, besneden, en heeft er in geleerd, en er was nog een Anna, een Simeon, en eenige anderen. Onder het rechtvaardig oordeel moet Israël nu omdolen zonder stad en Tempel.
0, wat oordeel zal er nog komen over het verstokte en de mate van zonde vol makende Nederland! De teekenen zijn er. Voor Israël liggen er nog beloften.
En verder hoop ik, dat de Heere mij en u de blinde oogen mag openen, om niet de schijn voor het wezen, en de vreemde voor den man aan te grijpen, dat zeer licht gebeurt.
6e vraag. Het was mij opmerkelijk, toen Van der Zee Zondag mij uw brief overhandigde, lag ik hem terzijde, en deed hem niet open. Ik dacht, daar kan de satan zijn hand in hebben, die komt meest op Zaterdag, of op s Heeren Dag met strikken en listen. Juist was er een goed van God bekeerde vrouw bij me, welke zeide, dat toen zij in overtuiging was, ze eens in een boekje las van Dirk Verheij, (niet die hier dominé is) vraagt toch veel om een ouderwetsche bekeering. Die man zag het toen al, dat er zoovelen waren als die jongeling met het lijnwaad om het naakte lijf, die met het wetprediken worden vastgezet op de vruchten buiten Christus.
Nu heb ik mijn overtuiging, en eerste en tweede overgang aan Ds. Fransen verteld, daar Van der Zee bij was. En toen zeide hij, dat hij zoo weinig menschen vond, daar hij zoo van harte mee vereenigd was.
Nu moet gij er hem zelf maar eens naar vragen, dan kan hij u wel antwoorden. Ik wil gaarne rekenschap afleggen van de hope, die in mij is, aan dezulken, die er inwendig een zaligmakende kennis van hebben, die een Drieëenig God hebben leeren omhelzen, of bekommerd er naar uitzien, die kennisse hebben aan die drie stukken: ellende, verlossing en dankbaarheid.
Maar dat wil ik u wel zeggen, toen het zegel aan de brief geschonken is, ben ik een arm mensch gemaakt, die dagelijksch van een gift moet leven, en is de strijd recht aangebonden tusschen vleesch en geest, en heb ik eerst een rechte walging van mijzelve gekregen. Dus niet boven een ander gerechtvaardigd. 0, ik bevind een heimwee in mijne ziele, dat ik eenmaal verwaardigd mag worden, om de krone onzondig voor het Lam te mogen nederwerpen, en met de ware uitverkorenen Avondmaal te houden aan de Bruiloft des Lams, daar het een eeuwig verwonderen zal wezen, dat zulke ongekenden op aarde verheerlijkt zullen worden. Amen.
Nu vriend, nu weet de Heere, voor Wien alles naakt en geopend is, hoe of u mij die vragen gedaan hebt. Of als die vragers, die den Heere wilden verstrikken, of dat het uit ware behoefte is geweest. Maar de vragen openbaren wel, dat gij blind zijt voor de Kerk-staat.
En nu zou ik u ook rekenschap kunnen afvragen van uw zielestaat voor de eeuwigheid, maar ik zal dat niet doen.
De Heere zegene dit om Zijns Naams wille.
De martelaren wierden ook altijd ondervraagd over hun gronden, door diegenen, die er niets van wisten.
Uw Vriend,
J.Boot
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Govert Cornelis Tromp | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1872 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Aagje Segers | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.