Notitie bij Jan Claes Sijmons: L.F.W. Adriaenssen: Hilvarenbeek onder de hertog en onder de generaliteit, 1987, pagina 10. Jan Claes Sijmons Moonen 234), vulgo Jan Claijs Sernens, woonde aan de Westerwijk, waar hij in 1653 een stede pachtte (huis, hoeve, driezen, boomgaard, beemden, zaai- en weiland) tegen 38 karolusguldens vanden voorlijve, jaarlijks met half maart te voldoen, ehde voorde pachtinge vanden saijLande drie mudden rogge mate der Stadt shertogenbosscha. Jan was op 24-3-1621 te Hilvarenbeek gedoopt en is daar op 18-10-1682 begraven. In 1677 werd hij gecommitteert om opte haeleit ende te collecteeren da augmentatie beede van kersmisse lestleden. Uit zijn echt met Maeijken Matthijs Lambrechts 235) zijn de zes hiernavolgende kinderen geboren. Maeijken is te Zevenbergen geboren en was een dochter van Matthijs Lambrechts van Weerdt te Zevenbergen in het corenstraettglen en van de Hilvarenbeekse Aelken Cornelis Peter Diercx, wettelijck getrouwt bijden pastoir van Oudenbossche naerde catholijcke appostolike Roomsche kercke. De kinderen :
1. Aleijt Jan Claes Sijmons Moonen werd op 14-1-1645 te Hilvarenbeek gedoopt en is aldaar begraven op 10-6-1721. Te Hilvarenbeek trouwde zij op 27-4-1677 met Adriaen Jan Schellekens 236). Overvallen met een subleta sleckta testeerde deze op 26-11-1685 ten overstaan van familie en buren, waarbij hij zijn vrouw meesteres maakte over zijn goederen. Daags daarna werd hij te Hilvarenbeek begraven. Ale Moonen werd een half jaar later de vrouw van Anthonis Witlems van Spaendonck 237) te Esbeek. Blijkens hun inventaris dreven Ale en haar man een gemengd bedrijfje, dat in 1686 bestond uit 11 lopen koren, 4 Va lopen boekwijt, 2Vz lopen spurrie, Vj lopen even, 6V2 lopen gras en 12Vz roeden vlas de veestapel bestond uit 1 os, 3 koeien, 1 vaars, 1 kalf, 170eijlammeren en 4 leege schapen. Anthonij van Spaendonck werd op 7-5-1722 te Hilvarenbeek begraven. Anttionij was in 1705 en 1706 commerottar voor Esbeek. In 1706 zond hij met de zetters van de andere gehuchten van Hilvarenbeek een memorie aan de Raad van Brabant met een verzoek om belastingverminde-ring. Als argumenten voerden zij aan:
— De belastingschuld van 33.000 gulden.
— De schade door den vahemanten brant d´anno 1694 monterend» ter somma van 55000 gis.
— De schade van 30.000 gulden doordat d´anno 1702 tijda het vijantlück lager soodanïgh win gafauragaart ende geplundart geworden, al» vardars door marches soo van vijantlijcke Engalscha enda hollantsche detachementen.
— De schade door de fauragaringe ende plunderinge, dar Hessen en Deenan inden jaare 1703 tijde onse arme achtar Turnhout was camperende monterende behalven da
—auvegardagelden ter somma van 9296 gis. De sauve garde gelden beliepen 731-16-0.
— Hebband» tot dien d´anno 1704 tijde t´leger vanden staat campeerda tot Mol en Bu«l in spaene brabant, de nabueren al made swaere oncosten geleden wegens i n logeringe dar convoijen gaend« op breda.
— Mitsgaders nogh inden voarleden jaera door een detachement van 10 Engalsche regimenten soo te voet als ta poert, aenda welcke hoij haver als anders heeft moeten warden galevert, boven s ende behafvens dat het me»rendeel int dorp aenda kercka, an daer ontrent sijn ingatrocken, schuwen gefaurageert, enda verdere alwaar ingatrocken waren da nodige vivres heeft moeten werden gefaurageert.
— De gee&telljcka pachten chijnsen en renten beliepen 145.000 gulden.
—• Do jaarlijkse belastingen aan verpondingen, gemene middelen enz. bedroegen 25.435-6-0.
Welcke swaren ende ondraaglijcka last door omtrent de 400 huijshoudende ingesatenen, daar ontrent 100 die geen labeurren doende garekent, maer keuters en sleghte ende geringe luijden sljn (...), de reste bij labeur doende ingesetenen, moeten warden opgebracht, die weicke het merendeel made saar sleghte geringe ende onvermogende mijden sijn, en «hier niets eijgen hebben. De armoede en de zware belastingen veroorzaakten het d e po pleten ende vertrecken der i n woon derft, waardoor veele landerijen ongocultïveflrt ende desolaat kwamen te liggen en meer dan over da hondert en tsestigh huijsan vervallen ende ta niet raakten. Dit betekende dat een steeds kleiner aantal personen met een verminerend gezamenlijk inkomen, per hoofd steeds zwaarder werd belast. De aanslag van de verpondingen en gemene middelen werd namelijk niet aangepast aan de hoeveelheid gekultiveerd land, de opbrengst of het reële gebruik van belaste goederen 239).
Kind(eren):
Jan Claes Symons Moonen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Onbekend | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.