In de 12de eeuw werden in ons land een achttal cistercienzerabdijen gesticht.
Rond 1200 wilden grote groepen vrouwen uit de adel en de stad eveneens gaan samenleven in gelovige gemeenschappen. In de steden groeiden hieruit de begijnhoven. Maar nog meer vrouwen wilden leven volgens de cistercienzers. Tussen 1200 en 1250 ontstonden niet minder dan 50 Cistercienzerinnenkloosters in ons land: één per jaar. Een ware explosie, in vergelijking met de 8 mannelijke abdijen uit de 12de eeuw.
Kort voor 1215 ontstond ook in Rotselaar een Cistercienzerrinnenabdij : zij kreeg de mooie naam "Vrouwenpark". Stichter was waarschijnlijk de plaatselijke riddder Arnold van Rotselaar, die te Rotselaar bij de Dijle in een burcht woonde. Hij was een "vazal" of "leenman" van de Hertog van Brabant. Omdat de Cistercienzers op symbolische wijze temidden van de ongerepte wildernis wilden leven en bidden, stichtte Arnold van Rotselaar de abdij in een omheind stuk bos, dat als wildpark dienst deed: vandaar de naam "park".
"Vrouwen " verwijst naar de adellijke dames, die deze abdij gingen bevolken. Het eikenbos werd later "Grotenbosch " en nog later "Kloosterbos " genoemd en lag tussen de abdij, Wezemaal en Holsbeek.
Kind(eren):
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.