Stamboom Spruit » Pieter Meijertsz Boon (1688-1762)

Persoonlijke gegevens Pieter Meijertsz Boon 


Gezin van Pieter Meijertsz Boon

Hij is getrouwd met Martje Pieters Cock (Kock).

Ze zijn in de kerk getrouwd op 15 april 1714 te Den Burg, Texel.Bron 1

Zij zijn getrouwd op 5 april 1714 te Den Burg, Texel.Bron 2


Kind(eren):

  1. Trijntje Pieters Boon  1723-???? 
  2. Cornelis Pietersz Boon  1724-1765 
  3. Martje Pieters Boon  ± 1725-1770 
  4. Jan Pietersz Boon  1726-1785
  5. Dirk Pietersz Boon  1729-1808 
  6. Soutje Boon  1732-????


Notities over Pieter Meijertsz Boon

"Struggle for life" op het eenzame "Quelderhuis", 1699-1763.
In 1610 was er een zanddijk gelegd van het eiland Callantsoog naar het eiland Huisduinen en in 1629 werd Texel op de zelfde wijze verbonden met Eierland, zodat hoge vloeden vanuit de zee de oostelijke wadvlakten niet meer overstroomden. Het gebied kwam tot rust, de zandbanken tussen de honderden zwinnen en prielen droogden op en verstoven tot lage nollen. Regen spoelde het zout uit de gronden, grassen en distels gingen de zanddijken kleuren, helm hield de nollen vast. Op de zilte schorren aan de oostkant groeiden kweldergras, strandkruid, zeepostelein, paars lamsoor en zilvergrijze, kruidige zeealsem. Op de slikken tussen schor en zee kleurde zeekraal het wad in de herfst roestig rood. 's Zomers, oostwaarts turend naar de glinsterende Waddenzee was in de trillende lucht de overgang van land naar water niet te onderscheiden. Waar hield het land op, waar begon de zee bij het rijzen van de vloed op het grijze wad?
Een prachtig, maar verraderlijk land. Wie zich op de uitgestrekte kwelders waagde, moest goed letten op veranderingen in de lucht. Want een opstekende storm stuwde het water in de prielen omhoog en veranderde de hele kwelder in één kolkende watermassa, waarin alleen de nollen als vluchteilanden overbleven. Stond in de decemberstorm van 1741 het water niet twee tegels hoog aan de haard van Adriaan Cornelisz Vader op de hoge gronden benoorden de Callantsooger Helmdijk en moest niet zijn buurman Hillebrand Muller met zijn gezin door opzwiepend water wadend naar diezelfde dijk vluchten?
Het was met recht "buitenveld", waarvan gezegd werd: "en wordt er wat gewonnen, daar vallen ook jammerlijke slagen".

"Een huis in het vogelparadijs".
Meer dan een halve eeuw bleef de Eierlandse kwelder het domein van de vogels. Duizenden sterns krijsten boven hun kolonies; kievieten en scholeksters nestelden op de kwelder, tureluurs en grutto's broedden in hoger gras, wulpen in de ruigte aan de dijk en zilvermeeuwen in de Eierlandse duinen. In het voorjaar raapte de kastelein van het Eierland duizenden eieren en lui van Oosterend tot Kolhorn stroopten met manden de broedkolonies af. 's Winters waren er de wilde ganzen en ontelbare wadvogels. Pas aan het eind van de 17e eeuw ging de mans het kweldergebied wat intensiever gebruiken. Maarten Cornelisz, sluiswachter van de polder Walenburg, pachtte de buitengronden voor zeventig gulden van het gewest en liet er zijn schapen vanaf de Ruigendijk op de kwelder grazen. In de zomer van 1698 kwam een commissie de dijken, stranden en het Eierlandse huis inspecteren en concludeerde dat de gronden véél meer konden opbrengen. De huur aan Maarten Cornelisz werd opgezegd en 's Lands opziener Adriaen Harmensz Wentel moest op 7 november 1698 naar Hoorn komen met een bestek voor een "bouwhuis", een boerderij, te bouwen "ter bekwamer plaats" op de kwelder. Wentel wist wel een gunstige plek: enige hogere nollen van de Quelder in het zuidelijk deel van het buitenveld. Terwijl de bouw van de boerderij snel vorderde deed Harmen Jansz Bremer het hoogste bod en pachtte de boerderij én kwelder voor 630 gulden per jaar tot 1706.
Eind april 1699 was de bouw van het huis zover gevorderd, dat de schilders aan de gang konden. Wentel kreeg op 1 mei van dat jaar opdracht de boerderij met een "doncker te weten verw te laten bestreecken".
Op 5 juni bezichtigde de inspectiecommissie de bijna voltooide bouw. De boerderij zou omstreeks St.Jan (24 juni) opgeleverd worden. In de zomer betrok Bremer het huis (zie onder Harmen Janszn Bremer). In 1713 kwam er een nieuwe scheidingsovereenkomst tot stand, waarbij Pieter Meijertsz Boon, de opvolger van Bremer, de Oosterbollen kreeg toegewezen.

"Belastingschulden leiden tot ontruiming en nieuwe verpachting".
Harmen Bremer hield het niet lang uit. Na vijf jaar moest hij wegen belastingschulden, "zijn menigvuldigde restanten op des Gemenelands imposten op Texel", letterlijk het (buiten)veld ruimen.
Op 25 april 1703 vond een openbare veiling plaats en Meijert Meijertsz (Boon), burgemeester van de Waal, werd de nieuwe pachter van de "Quelderboerderij" en de "westgronden van het Eierland" voor drie achtereenvolgende jaren tegen 630 gulden per jaar. Zo nu en dan mocht hij wat minder betalen: in 1704 honderd gulden, omdat hij een kade rond het huis had aangelegd, in 1706 vijftig gulden omdat hij een regenbak had gemaakt, in 1707 vijfentwintig gulden omdat hij enige hooilanden had omdraad. Met ingang van 1706 rondden Gecommitteerde Raden de pachtsom of op zeshonder gulden 's jaars.
Meijert Meijertsz bezat land onder de Waal, waar zijn koeien graasden en waarop hij terug kon vallen als de kwelder voor kortere of langere tijd door overstromingen onbruikbaar was. Op de kwelder hield hij schapen en enig jong vee. In de winter jaagde hij op konijnen in het gedeelte van de Zanddijk dat aan zijn veld grensde en in de Oosterbollen. In het voorjaar verzamelde hij eieren, die hij naar de grote stede verkocht.
Meijert Meijerts overleed eind november 1711. Gecommitteerde Raden continueerden op 3 december 1711 voor drie jaar de pacht aan zijn zoon Pieter Meijertsz Boon, geboren in 1688. Pieter kende het bedrijf van jongsaf. Verbeten vechtend met de weerbarstige natuur en met de medemensen die hem in zijn bestaan op de kwelde bedriegden, zou hij taai volhardend, ruim een halve eeuw het bedrij leiden.

"Aartsvader Boon"
Pieter Meijertsz Boon trouwde in 1714 met Martje Pietersdochter Cock. In 21 huwelijksjaren kreeg het echtpaar veertien kinderen, waarvan er acht in leven bleven. Terecht kon hij in 1752 zeggen: ik heb veel verbeteringen aangebracht en met behulp van 's lands opziener Pieter Muller vele pogingen ondernomen om het bedrijf welvarend te maken, omdat ik niets verloren wilde laten gaan. Binnendijks heb ik langzamerhand zoveel land gekocht dat ik mijn plan om één aaneengesloten geheel te vormen, heb kunnen verwezelijken. Het gebruik van binnendijks land in combinatie met het buitendijkse veld is nuttig en nodig. Zonder de buitendijkse landen zijn de binnendijkse voor mij van weinig nut. Ik heb mijn kinderen daarbij opgevoed en ze niets anders laten leren dan veeteelt en landbouw.
Pieter leefde op het Eierlandse veld als een vrij man, maar ook met alle risico's en dreigingen van de weerbarstige natuur om hem heen.
Daarnaast ruziede hij om de uiterste grenzen van zijn domein met de kastelein van Eierland, met de opziener van 's Lands Werken, met de ingelanden van de polder Walenburg, kortom met ieder die, naar hij dacht, hem te na kwamen.
Als hij meende dat er in zijn rechten getreden werd, stoof hij op als een kieviet die kraaien in de buurt van zijn nest bespeurt. Maar hij legde zich loyaal neer bij de beslissingen van de Gecommitteerde Raden, want hij had een heilig ontzag voor de overheid die van godswege over hem gesteld was.
Soms werden de rampen het te groot. Zo verdronken in december 1727 bij een plotseling opstekende storm zes van zijn koeien. Bovendien stierven kort daarna meer dan driehonderd van zijn schapen aan leverbot en waterigheid (ingewandsziekte). Tot overmaat van ramp waren alle konijnen in de Oosterbollen verdronken. Hij vroeg vermindering van de pacht tot vijfonderd gulden. Bovendien wilde hij gedurende vijf jaar een jaarlijkse vergoeding voor het ophogen van de konijnenbergen, het bekaden van hooilanden, het graven van greppels om de hooilanden onder de Zanddijk te draineren en het ophogen van de kaden rondom zijn boerderij.
Gecommitteerde Raden zegden toe dat bij ernstige ziekte onder zijn schapen over vermindering van pacht te spreken zou zijn als hij zes weken vóór Kerstmis opgave van zulke grote verliezen zou doen. Maar voorlopig werd de pacht niet verlaagd. Met ingang van 1728 werd de pacht voor vijf jaar op 612 gulden vastgesteld. Wel lieten de Gecommitteerde Raden in 1729 de boerderij opknappen en kreeg de hooiberg een nieuwe kap, maar de door Pieter Boon te betalen pacht bleef tot 1743 ongewijzigd. Ook verboden de heren hem om zijn knechts op het westerstrand naar aangespoelde goederen te laten zoeken. Dat was tegen de bepalingen van de strandvonderij. Ook werd hij erop gewezen dat de Zanddijk niet tot zijn gronden behoorden en dat hij er géén konijnen mocht vangen. Dat laatste was het recht van de kastelein van Eierland en de opziener van 's Lands Werken.
Gecommitterden Raden vonden blijkbaar dat de boerderij meer moest opbrengen, want ondanks het aanbod van Pieter om de pacht te verhogen tot 750 gulden kwam het tot een openbare veiling op 28 oktober 1743 en vanaf Kerstimis 1743 moets Pieter, die tot elke prijs wilde blijven zitten, 855 gulden per jaar betalen.

"Moeilijkheden: belastingen, grensconflichten, eier- en hooidieven".
In 1750 kreeg Pieter Boon een aanslag van de belastingen. Zijn verontwaardiging was groot: zolang de familie op het buitenveld woonde was er vrijdom van belasting geweest! Inderdaad, dat was destijds als aanmoediging voor de pioniers op het buitenveld bedoeld, maar de pioniersfase was voorbij. Drie jaar duurde het gevecht met de autoriteiten. Boon schreef ellenlange rekesten, maar verloor in zoverre dat het met de belastingvrijdom voorgoed voorbij was. Wel kreeg hij in 1743 over deze drie achtereenvolgende jaren 200 gulden pacht terug en werd de pacht teruggebracht op 600 gulden 's jaars.
Gecommitteerde Raden vonden in 1753 wel dat het "Quelderhuis" aan een grote herstelbeurt toe was. Er werd een nieuwe "zomerwoning" aangebouwd, het rieten dak hersteld, een nieuwe "estrickten"-(plavuizen)-vloer in de binnenkamer gelegd voor totaal f 5320,-
In de vijftiger jaren waren er ook moeilijkheden met de kastelein van Eierland. Op 3 juli 1752 verklaarden getuigen, waaronder Pieters jongere halfbroer, de 51 jarige Cornelis Meijertsz Boon, president-schepen van Texel, dat reeds ten tijde van hun vader de Oosterbollen (Ronde bol en Noordbol) tot hun bezit behoorden. Maar toen vader Meijert in 1711 overleed had de kastelein van Eierland "tersluip" konijnen uit de Ronde- en Noordbol gedolven. Daarom had de opziener van 's Lands Werken de grensscheiding destijds opnieuw afgerooid, maar veertig jaar later moest Pieter Boon opnieuw aan de Gecommitteerde Raden schrijven: Wij hebben jaren achtereen gesmeekt om uw besluit eindelijk een definitieve scheiding bij de Oosterbollen vast te stellen, want wij zijn "seer moede van vele verontrustingen". Tenslote kreeg opziener Matthijs Berger in 1753 opdracht de grensscheiding definitief te markeren.
Tot de vele verontrustingen behoorden ook de stormen die soms het water tot aan de kaden om zijn huis en soms daaroverheen tot in de tuin opjoegen als in oktober 1746. Elk voorjaar opnieuw bezorgden eierrovers van Oosterend en Kolhorn Pieter Boon grote ergenis. Met schuiten en vletten kwamen ze aan land, zogenaamd om bot te steken in de zwinnen. Het krijsen van de vogels waarschuwde de boer, maar eer hij en zijn zoons waren toegesneld, waren de rovers er al weer vandoor met manden vol eieren. Telkenmale deed Pieter Boon zijn beklag bij de Gecommitteerde Raden. Telkenmale lieten de heren Gecommitteerde Raden biljetten met verboden ophangen in de Texelse dorpen en Kolhorn. De dreigementen waren niet mis: verbeurdverklaring van de schuit, desnoods lijfstraf, maar 't haalde weinig uit. Op 4 januari 1762 schreef Pieter Boon weer eens een lange brief met klachten o.a. over de eierrovers. Volk van Oosterend met honden bij zich had niet alleen zijn eieren geroofd, maar bovendien zijn schapen de dood ingejaagd. Diverse malen waren schapen door honden gebeten, zelfs verscheurd. Ook waren schapen zó opgejaagd dat ze te water liepen en verdronken of zo over hun toeren geraakten, dat ze kort daarna stierven. Nog onlangs, schreef Pieter, was "een merkelijk getal schapen daaraan gestorven, soodat ik den volgenden morgen resolveerde de gehele partij te aderlaten", waardoor ik verdere sterfte voorkwam.
Ook aan de zuidkant van het buitenveld was er voortdurend ergernis. Op 28 december 1752 schreef Boon dat de huurder van de Walenburgse Ruigdijk een grote koppel schapen op de dijk liet lopen, die dan steeds op zijn buitendijkse gronden afdwaalde en graasde. Er werd dan wel beweerd dat de "geregtigheid" van de polder Walenburg zich een stuk buiten de dijk in het buitenveldse uitstrekte, maar "dit is een wanbedrijf". Het was zelfs zo ver gekomen dat genoemde huurder, terwijl Pieter Boon en zijn zoons naar de kerk waren, hun hooi van het veld haalde. Dit scheen in opdracht te zijn gebeurd van Dirk Vuyk en Gerrit Eelman. De laatste was op 14 juni (volgens een ander artikel op 13 juli) van dat jaar ook al betrapt met een mand geroofde eieren. Hij had niet eens ontkend, maar werd evenmin vervolgd, want Eelman was heemraad van de polder Walenburg (dit verhaal blijkt toch enigszins anders).
Pieter Boon klaagde: wij zijn eenvoudige, ongeletterde lieden en weten in procederen niet de weg. Dat hij toch niet zo eenvoudig en ongeletterd was als hij voorgaf te zijn, blijkt uit dezelfde brief: "Ik heb vele jaren als regent wegens de Waal gefungeerd en heb daarmee mijn eigen voordeel niet gezocht, maar veel tijd en moeite gespandeerd en tot welstand van het eiland gewerkt... Ook als heemraad van de polder Walenburg heb ik gewerkt. Gerrit (Eeelman) is in mijn plaats gesuccedeerd, ik heb hem niet uit zijn functie proberen te stoten. Ik ben inderdaad door de ingelanden tot hoofdingeland verkoren... Ik heb daarin mijn best gedaan. Maar er is geen toezicht op Gerrit Eelman, hij kan nu regeren als souverrein, hij heeft zijn vrienden daar, en zelfs bij aanbestede werken wordt niet geschouwd".
Aan het westeind van de Zanddijk lagen bij de scheiding en de Kogerduinen enige valleien, waar Boon uitsluitend hooi maaide en slechts in noodgevallen weidde, omdat de schapen daar ongans werden. Omstreeks de vijftiger jaren hoedden anderen daar vee en maaiden er ruigte, waaraan Pieter zo'n behoefte had, "omdat wij bij het huis veel stroyinge nodig hebben", opdat het vee "droog kon sitten". Er was namelijk te weinig hoogte bij het huis, reden waarom er vroeger al een kade om het erf was gelegd.

"Vijanden alom en nieuwe tegenslagen".
Pieter Boon schreef in 1752 dat hij zich van alle zijden door indringers en vijanden belaagd voelde. Hij was toen 65 jaar en vijftig jaar hadden zijn vader en hij de Westgronden in pacht gehad, maar nu verzuchtte hij: "U Ed. dienaar is der tegenheden seer moed en sad, soodat indien de Heeren wet mijne vermakinge niet ware geweest, ik was allang in den druk vergaan... Edel Mogende Heeren, den vroomen en kunnen niet bewilligen in dingen, die regtdraats onregtvaardig zijn. En wat sal ik meer seggen, soo mijn vijanden nog meer over moeten triumferen en mij voor uytvaagsel zijn. En aller afschrabsel houden?". Als u niet ingrijpt komt er geen eind aan "mijne onrustinge". Maar al in september 1751 hadden ingelanden van Walenburg zich bereid verklaard om tot een regeling te komen. Gecommitteerde Raden bekrachtigden deze regeling bij resolutie van 31 maart 1757.
In een lange brief van 4 januari 1762 schreef Boon over de tegenslagen met zijn schapen. Sederd de nazomer van 1758 had zich weer een "besmettinge van ongans" opde kwelder geopenbaard, waaraan bijna alle schapen waren gestorven.
Bron: blz. 53 t/m 56 Varensgasten en ander Volk.

Heeft u aanvullingen, correcties of vragen met betrekking tot Pieter Meijertsz Boon?
De auteur van deze publicatie hoort het graag van u!


Tijdbalk Pieter Meijertsz Boon

  Deze functionaliteit is alleen beschikbaar voor browsers met Javascript ondersteuning.
Klik op de namen voor meer informatie. Gebruikte symbolen: grootouders grootouders   ouders ouders   broers-zussen broers/zussen   kinderen kinderen

Via Snelzoeken kunt u zoeken op naam, voornaam gevolgd door een achternaam. U typt enkele letters in (minimaal 3) en direct verschijnt er een lijst met persoonsnamen binnen deze publicatie. Hoe meer letters u intypt hoe specifieker de resultaten. Klik op een persoonsnaam om naar de pagina van die persoon te gaan.

  • Of u kleine letters of hoofdletters intypt maak niet uit.
  • Wanneer u niet zeker bent over de voornaam of exacte schrijfwijze dan kunt u een sterretje (*) gebruiken. Voorbeeld: "*ornelis de b*r" vindt zowel "cornelis de boer" als "kornelis de buur".
  • Het is niet mogelijk om tekens anders dan het alfabet in te voeren (dus ook geen diacritische tekens als ö en é).



Visualiseer een andere verwantschap

Bronnen

  1. http://www.xs4all.nl/~jbsijbom/sijbom/sijbom-000006.htm#BM20149
  2. http://www.gbnf.com/genealog2/gomes/html/d0143/I18473.HTM

Aanknopingspunten in andere publicaties

Deze persoon komt ook voor in de publicatie:

Historische gebeurtenissen

  • Stadhouder Prins Willem III (Huis van Oranje) was van 1672 tot 1702 vorst van Nederland (ook wel Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden genoemd)
  • In het jaar 1688: Bron: Wikipedia
    • 4 augustus » Keizer Leopold I verheft de graven George August Samuel van Nassau-Idstein en Walraad van Nassau-Usingen tot Rijksvorst.
    • 5 november » Stadhouder Willem III landt in het Engelse Brixham, waarmee de 'Glorious Revolution' begint en Willem koning van Engeland wordt.
    • 26 november » Lodewijk XIV verklaart de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de oorlog.

Over de familienaam Boon

  • Bekijk de informatie die Genealogie Online heeft over de familienaam Boon.
  • Bekijk de informatie die Open Archieven heeft over Boon.
  • Bekijk in het Wie (onder)zoekt wie? register wie de familienaam Boon (onder)zoekt.

De publicatie Stamboom Spruit is opgesteld door .neem contact op
Wilt u bij het overnemen van gegevens uit deze stamboom alstublieft een verwijzing naar de herkomst opnemen:
T.L. Spruit, "Stamboom Spruit", database, Genealogie Online (https://www.genealogieonline.nl/stamboom-spruit/I1319.php : benaderd 29 januari 2026), "Pieter Meijertsz Boon (1688-1762)".