Vliegen, Wilhelmus Hubertus, politicus (Gulpen 20-11-1862 - Bloemendaal 29-6-1947). Zoon van Jan Martinus Hubertus Vliegen, schrijnwerker, en Helena Jacquemin. Gehuwd sinds 23-5-1888 met Maria Margaretha Hofman. Uit dit huwelijk werden 2 dochters en 2 zoons geboren. afbeelding van Vliegen, Wilhelmus Hubertus
Vliegen ontving slechts tot zijn elfde jaar lager onderwijs en ging toen als letterzetter werken op de drukkerij van de firma M. Alberts in zijn geboortedorp. In 1881 verliet hij Gulpen en vond werk in Luik; zijn tweejarig verblijf in die stad is in dubbel opzicht belangrijk voor zijn loopbaan geweest: hij leerde er Frans en kwam voor het eerst in aanraking met het socialisme. In 1883 ging hij in Amsterdam werken, waar hij definitief voor het socialisme gewonnen werd: in september van dat jaar werd hij lid van de Sociaal-Democratische Bond (SDB). In januari 1884 keerde hij terug naar Limburg en vond werk als zetter bij de Uitgeverij Leiter-Nypels in Maastricht.
De SDB had toentertijd nog geen afdelingen in Limburg, maar Vliegen kon niettemin zijn politieke dadendrang uitleven: in de Ned. Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht (NBAKS), waarvan hij in juli 1885 samen met de boekbinder Van Anholt een Maastrichtse afdeling oprichtte. Die afdeling werd door hem, als voorzitter, in socialistische geest geleid, wat in zijn traditionalistische woonplaats spoedig weerstanden opriep. Toen hij in september 1885 deelnam aan een grote kiesrechtdemonstratie in Den Haag, werd hij door zijn werkgever ontslagen. Eind 1885 verliet hij daarop Maastricht en werkte in verschillende plaatsen in Holland, eerst o.a. in Maassluis, vanaf 1887 in Den Haag bij Excelsior, de drukkerij van de SDB (waar hij ook in 1886 al korte tijd gewerkt had, maar weggegaan was wegens ruzie met de SDB-leiding). In 1889 werd Vliegen lid van het Haagse afdelingsbestuur der SDB.
Het verlangen om het socialisme in zijn geboortestreek te propageren deed hem in september 1889 terugkeren naar Maastricht, waar hij voor het eerst een bezoldigde functie van 'de beweging' kreeg, nl. die van administrateur van het in 1888 opgerichte Sociaaldemocratische Fonds tot Uitkering bij Overlijden. De tijd bleek nu rijp voor socialistische organisatie in Limburg en op 17 oktober 1889 richtte Vliegen een afdeling Maastricht van de SDB op, waarvan hij de voorzitter en inspirerende voorman werd. Ook was hij redacteur van het vanaf september 1890 verschijnende socialistische weekblad De Volkstribuun (vanaf 1891 met ondertitel Socialistisch weekblad voor de Zuidelijke Provinciën) dat in een door de SDB betaald drukkerijtje tot stand kwam; de eerste tijd moest hij dit Maastrichtse blad niet alleen redigeren, maar ook zelf zetten en drukken. Zijn propagandistische activiteit leverde hem de nodige moeilijkheden op en in 1893 moest hij een maand gevangenisstraf uitzitten wegens belediging in De Volkstribuun van twee Roermondse marechaussees.
Intussen steeg Vliegens ster in de SDB boven het regionale niveau uit. Zo behoorde hij tot de afgevaardigden van de bond op het Internationaal Socialistisch en Vakverenigingscongres te Parijs van 1889 en op de congressen van de Internationale in Brussel (1891) en Zürich (1893). Nog op laatstgenoemd congres stond hij naast Domela Nieuwenhuis, die in geval van oorlog de algemene werkstaking voorstond, en in de interne strijd binnen de SDB over de tactiek (revolutionair of parlementair) heeft hij lange tijd geaarzeld. Pas na het Groninger congres van 1893, dat zich tegen elke parlementaire activiteit uitsprak, koos hij vierkant partij voor de parlementair gezinde oppositie. In De Volkstribuun viel hij het congresbesluit aan en in augustus 1894 scheidde de afdeling Maastricht zich af van de Socialistenbond (de nieuwe naam van de SDB). Hij was de opsteller van het befaamde Manifest der Twaalf Apostelen, dat nog in augustus 1894 het signaal werd voor de oprichting van de Sociaal-democratische Arbeiderspartij (SDAP).
In 1897 verliet Vliegen Maastricht om in Rotterdam de redactie op zich te nemen van het blad De Sociaaldemokraat. Orgaan der Sociaaldemokratische Arbeiderspartij in Nederland; tevens werd hij toen gekozen tot voorzitter van het partijbestuur der SDAP. In 1899 legde hij beide functies neer en ging tot september 1901 in Parijs wonen, waar hij werkzaam was als correspondent van de Duitse sociaal-democratische kranten Leipziger Volkszeitung en Hamburger Echo (vanaf begin 1900 ook van het nieuwe Nederlandse soc. dem. dagblad Het Volk). De twee Parijse jaren zijn van beslissende invloed op Vliegens politieke ontwikkeling geweest: hij kwam er in aanraking met de denkbeelden en de constructieve politiek van Jean Jaurès en werd daardoor bekeerd tot het reformisme, waarvan hij voortaan de voornaamste en meest invloedrijke vertegenwoordiger in de SDAP zou zijn.
Teruggekeerd uit Parijs, vestigde Vliegen zich in Amsterdam. Zijn partijwerkzaamheden bleven voorlopig vooral op journalistiek terrein liggen: in maart 1902 werd hij redacteur buitenland van Het Volk onder de hoofdredactie van mr. P.J. Troelstra; na diens aftreden in 1905 werd hij politiek redacteur in de nu collectieve redactie, welke functie hij behield tot hij in september 1914 wethouder van Amsterdam werd. Nog belangrijker voor zijn invloed in de SDAP was de functie van voorzitter van het partijbestuur, die hij in 1906 ten tweede male ging bekleden en die hij behield tot april 1926.
Alvorens Vliegens rol en betekenis in de SDAP te schetsen volgt eerst nog een opsomming van de belangrijkste functies, die hij - naast de reeds genoemde - bekleed heeft. Van 8-6-1906 tot 12-11-1924 was hij lid van de Gemeenteraad van Amsterdam, van 25-6-1907 tot 4-12-1917 tevens van de Provinciale Staten van Noord-Holland en van 22-9-1909 tot 30-9-1915 van de Tweede Kamer. Van 9-9-1914 tot 2-9-1919 en vervolgens van 17-6-1921 tot 10-1-1923 was hij wethouder van Amsterdam (eerst belast met publieke werken en handelsinrichtingen, daarna met financiën en gemeentebedrijven, ten slotte met onderwijs en kunstzaken). Van 27-11-1917 tot juli 1922 was hij verder lid van de Eerste Kamer. Op 26-7-1922 ging hij van de Eerste Kamer weer over naar de Tweede Kamer (daarom legde hij enige maanden later het wethouderschap neer); tot 8-6-1937 is hij lid van de Tweede Kamer gebleven.
Bij zijn terugkeer uit Parijs was Vliegens ontwikkeling naar het reformisme in de SDAP nog niet voltooid: toen hij in 1903 secretaris was van het Comité van Verweer, dat na do spoorwegstaking gevormd was om het verzet tegen minister Kuypers antistakingswetgeving te organiseren, nam hij nog een weifelende houding aan en verzette zich niet onomwonden tegen het uitroepen van een algemene proteststaking. De les van 1903 is wellicht de laatste etappe in zijn ontwikkeling geweest: van toen af aan was hij een onverzoenlijk vijand van elk 'utopisme'; naar zijn voortaan vaste overtuiging kon de weg naar het socialisme in Nederland alleen lopen via geduldige machtsvorming van de arbeidersklasse binnen het bestaande politieke systeem. Samen met Troelstra bestreed hij de streng-marxistische oppositie, waarvan de meest extreme woordvoerders (de groep rond De Tribune : Wijnkoop c.s.) in 1909 ten slotte uit de SDAP werden geroyeerd. In 1913 echter kwam hij in scherp conflict met Troelstra rondom de kwestie van regerings-deelneming van de SDAP. Direct na de verkiezingsuitslag had Vliegen zich in Het Volk volmondig voor het aanvaarden van ministersportefeuilles uitgesproken. Toen nu een partijconferentie zich tegen regeringsdeelneming uitsprak en de vrijzinnig-democratische formateur dr. Bos dientengevolge zijn opdracht neerlegde, namen Vliegen en J.H. Schaper buiten weten van Troelstra opnieuw contact met Bos op en dwongen vervolgens het bijeenroepen van een buitengewoon partijcongres af; dit laatste verwierp overigens hun standpunt, maar Troelstra was verontwaardigd over wat hij een 'paleisrevolutie' noemde.
In een conflictsituatie kwam Vliegen ook, toen hij - één der zeer weinige ondoordachte daden in zijn lange loopbaan! - in augustus 1914 in Het Volk in bedekte termen pleitte voor deelneming van Nederland aan Franse zijde aan de juist uitgebroken wereldoorlog; dit artikel wekte heftige verontwaardiging in de partij en Troelstra moest hem in de Tweede Kamer openlijk desavoueren.
Tijdens de woelige dagen van november 1918 verzette Vliegen zich consequent tegen elke gedachte aan revolutie: hij achtte die in een democratisch geregeerd land onjuist en geloofde bovendien niet in een revolutionaire situatie in Europa. Op het partijcongres van 16 en 17 november 1918 te Rotterdam sprak hij als inleider in deze geest. Had hij op dit congres Troelstra ontzien, zes dagen later nam het partijbestuur op zijn voorstel een resolutie aan, waarin Troelstra's optreden in de afgelopen weken werd afgekeurd.
Op het partijcongres in Arnhem van april 1919 verdedigde Vliegen (samen met Schaper) opnieuw de uitsluitend-democratische weg tegenover een toen nog in meerderheid revolutionair gestemd gehoor. In de daarop volgende jaren echter bleek Troelstra's leiderspositie in de SDAP blijvend geschokt, terwijl Vliegen meer en meer de meest gezaghebbende partij voorman werd; dit is hij gebleven tot lang nadat hij in 1926 het voorzitterschap had neergelegd.
Vliegen mocht dan volgens Henri Polak 'in zijn diepste wezen een voor aandoeningen zeer vatbaar mens' zijn, naar buiten in ieder geval maakte hij, althans na zijn eerste jeugd, de indruk van een zeer koel en beheerst verstandsmens. Als spreker miste hij het charisma van Troelstra en Albarda, maar hij maakte indruk door de gedegenheid en logische argumentatie van zijn redevoeringen; daarbij kende hij zijn partij door en door en zonder ooit de mensen naar de mond te praten wist hij hen toch op de juiste wijze toe te spreken en te overtuigen. Weinig partijleiders hebben in het beheersen van de vergadertechniek ooit in zijn schaduw kunnen staan.
Vliegens Amsterdamse wethouderschap is geen groot succes geweest, waarschijnlijk door gebrek aan echte belangstelling: het werk van het besturen ener stad was niet de sterke kant van deze raspoliticus. Als lid van de Tweede Kamer was hij geen vakspecialist in enge zin, maar hield hij zich met onderwerpen van allerlei aard bezig. Bekend is vooral zijn optreden in de Kamer ten gunste van het ontwerp-verdrag met België in 1926; hij (de Limburger) toonde toen veel begrip voor de Belgische wensen en beschuldigde de tegenstanders (onder wie een deel van zijn fractiegenoten) van nationaal egoïsme. Een ander hoogtepunt uit zijn parlementaire werkzaamheid is zijn interpellatie van 8-3-1933 betreffende het verbod voor militairen om lid van sociaal-democratische organisaties te zijn. Voorts heeft hij als Nederlands gedelegeerde een rol gespeeld in de ontwapeningscommissie van de Volkenbond.
In april 1939 trad Vliegen af als lid van het partijbestuur: het partijcongres bracht de toen 76-jarige politicus een grootse hulde. Zijn politieke werkzaamheid was daarmee afgelopen, al bleef men zijn advies nog wel eens vragen. Na de Tweede Wereldoorlog is hij nog lid geworden van de Partij van de Arbeid.
Behalve als partijleider, parlementariër en journalist heeft Vliegen ook betekenis als geschiedschrijver van het Nederlandse socialisme. De geschiedenis van de socialistische beweging vóór 1894 beschreef hij in het tweedelige De dageraad der volksbevrijding (Amsterdam, 1902-1905), de geschiedenis der SDAP in Die onze kracht ontwaken deed (Amsterdam, [1924]-1938. 3 dln.). Deze vlot geschreven werken geven - bij alle onvermijdelijke betrokkenheid van hun auteur - blijk van goed historisch inzicht.
P: Behalve de reeds genoemde: Annemie. Novelle uit het Maastrichtse volksleven (Maastricht, 1894); A. Millerand (Haarlem, 1902); Klanken van strijd... (Amsterdam, 1908); De rechtsgrond van het socialisme (Amsterdam, 1928); Over oorsprong, geschiedenis en hedendaagse stand der socialistische beweging (Amsterdam, 1931); Mijn herinneringen als typograaf (Amsterdam, 1936). Verder talrijke brochures van actueel-politieke inhoud en artikelen in periodieken.
L: H. Polak, in W.H. Vliegen, Die onze kracht ontwaken deed I , V-XIV; A.J. Luikinga, in Socialisme en Democratie 4 (1947) 209-215; H. van Hulst, A. Pleysier en A. Schetter, Het Roode Vaandel volgen wij ('s-Gravenhage, [1969]); H.F.Cohen, Om de vernieuwing van het socialisme (Leiden, 1974) Proefschrift Leiden; J. Perry, 'Socialisme in Maastricht 1884-1894', in Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 1 (1975) 1 (mei) 72-146.
I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1544.
A.A. de Jonge
Wilhelmus Hubertus Vliegen
(roepnaam: Willem), voorman van de Nederlandse socialistische beweging sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog en een van de twaalf oprichters van de SDAP, is geboren te Gulpen op 20 november 1862 en overleden te Bloemendaal op 29 juni 1947. Hij was de zoon van Jan Martinus Hubertus Vliegen, schrijnwerker, en Helena Jacquemin. Op 23 mei 1888 trad hij in het huwelijk met Maria Margaretha Hofman, met wie hij twee dochters en twee zoons kreeg.
Pseudoniem: Caesar T.
Het was de toenmalige Tweede Kamervoorzitter P.J.M. Aalberse, die in 1937 de vijfenzeventigjarige nestor Vliegen uitluidde met de woorden dat deze lange jaren in 's lands vergaderzaal met zijn gaven had gewoekerd. In feite bestond de academische opleiding van de Limburger slechts uit enkele jaren lagere school, aangevuld met de ervaring als leerling-typograaf in zijn geboorteplaats. Hij verwierf zich een grondige kennis van het Duits bij zijn zetarbeid, weldra ook van het Frans, toen hij op negentienjarige leeftijd naar Luik ging. Te Amsterdam trad hij in 1883 toe tot de afdeling van de Sociaal-Democratische Bond (SDB) na het horen van een rede van de Belg Edward Anseele. Het jaar daarop ging hij naar Limburg terug, waar hij te Maastricht een afdeling van de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht oprichtte. Aldra schreef hij ook bijdragen in landelijke organen als Recht voor Allen. Als typograaf ontslagen moest hij naar elders vertrekken. Te Den Haag ging hij een rol spelen als leidende figuur van de SDB (lid van de Centrale Raad). De sociaal-liberaal A. Kerdijk merkte zijn parlementaire welsprekendheid op bij een meeting tegen de arbeidswet van 1889. Vliegen verwierf in bijzondere mate het vertrouwen van F. Domela Nieuwenhuis, die hij zelfs tijdens diens vakantie als redacteur van Recht voor Allen verving. Vervolgens werd hij uitverkoren om in het donkere zuiden als bezoldigd functionaris (administrateur van het begrafenisfonds van de partij) de propaganda te gaan voeren. Van 1890 af verscheen te Maastricht De Volkstribuun, waarvan hij schrijver, zetter, drukker en colporteur in één persoon was, geholpen door G.H. Pieters.
Bij de revolutionaire sociaal-democraat die Vliegen in deze tijd was ontbraken de radicale accenten niet. Zijn overgang van het katholicisme naar de onkerkelijkheid was blijkbaar zonder veel moeite verlopen. De opstelling van katholieke kerk en geestelijkheid ten opzichte van de sociaal-democratie was niet bepaald welwillend te noemen, hetgeen de tegenstellingen toespitste. Toen de SDB vanaf 1893 in anti-parlementair vaarwater raakte, schroomde Vliegen aanvankelijk nog om tegenover de door hem vereerde Domela de zijde van opposanten als Franc van der Goes en P.J. Troelstra te kiezen. Op instigatie van de medezuiderling H.H. van Kol joegen J.H.A. Schaper en hij in de zomer van 1894 'de kogel door de kerk' en riepen zij de 'twaalf apostelen' van de nieuwe partij, de SDAP, bijeen. Vliegen ontwierp het manifest voor de oprichtingsvergadering te Zwolle en presideerde deze. Tot 1897 bleef hij nog zijn propaganda in Maastricht voortzetten, waar de klassenstrijd felle vormen aannam. Toen verhuisde hij naar Rotterdam om de functie van hoofdredacteur van het partijorgaan De Sociaal-Democraat en tevens die van partijvoorzitter te gaan vervullen. Persoonlijke verwikkelingen in de kleine kring van de top van de toenmalige partij dwongen hem tegen het eind van 1899 zich met zijn gezin enige jaren in Parijse ballingschap terug te trekken. Hij was er werkzaam als correspondent van binnen- en buitenlandse partijbladen en woonde ook het internationaal socialistisch congres aldaar in 1900 bij. Zijn aanraking met de Franse beweging, waarin de figuur van Jean Jaurès steeds meer op de voorgrond kwam, werd door deze episode sterker. Pas in het voorjaar van 1902 trad hij, teruggekeerd in Nederland, als redacteur buitenland van het nieuwe dagblad Het Volk op. Maar de weg van de Limburger zou ook thans nog niet over rozen gaan. In februari 1903 werd hij door zijn partij aangewezen als haar afgevaardigde in het landelijk Comité van Verweer, waarvan hij ook secretaris werd. Hij had deze taak 'met loden schoenen' aanvaard en achteraf werden van de zijde van de vrije socialisten beschuldigingen van verraad aan zijn adres gelanceerd, nadat de april-staking mislukt was. De felle aanvallen met name van Domela zelf troffen hem diep en leidden tot een definitieve breuk met de oude voorman, die hij een jaar tevoren in zijn boek De Dageraad der volksbevrijding nog zo indringend had geportretteerd. In zijn eigen partij werd hij door exponenten van de linkerzijde steeds meer als revisionist gekwalificeerd, maar toch was zijn invloed als lid van de Volk-redactie en sinds 1906 ook van het partijbestuur groeiende. Vanaf laatstgenoemd jaar was hij ook partijvoorzitter en als zodanig ging hij een tamelijk centrale plaats innemen.
Vliegen, die een grote sympathie had bezeten voor de figuur van de in 1907 overleden P.L. Tak, speelde een belangrijke rol bij de partijverwikkelingen in deze jaren, die ten slotte tot de scheuring op het buitengewoon congres van Deventer in 1909 leidden. Met F.M. Wibaut behoorde hij tot de meerderheid van het partijbestuur die deze afloop aanvankelijk trachtte te voorkomen, maar de polarisatie in het conflict tussen de Tribunisten en Troelstra maakte dit onmogelijk. In 1909 werd hij voor het eerst naar de Tweede Kamer afgevaardigd door het district Amsterdam IX. Eerder was hij reeds gekozen in de gemeenteraad van Amsterdam en in de Provinciale Staten van Noord-Holland. De 'parlementair van natuur' die hij volgens Domela Nieuwenhuis was, bepleitte in 1913 in zijn artikel 'Aanpakken' de aanvaarding van drie ministerportefeuilles die formateur dr. D. Bos aan de SDAP aanbood. In het oorlogsjaar 1914 werd hij naast Wibaut tot wethouder van Amsterdam gekozen, hetgeen hem noopte zijn taak aan Het Volk neer te leggen. Hoewel Vliegen gedurende bijna tien jaar belangrijke posten vervulde in het dagelijks bestuur van de gemeente (achtereenvolgens publieke werken, financiën en gemeentebedrijven, onderwijs en kunstzaken) was het wethouderschap volgens Luikinga toch 'niet de meest succesvolle periode in zijn leven'. Zijn hart ging naar de algemene politiek uit, hij bleef het partijvoorzitterschap bekleden en speelde een rol bij de pogingen tot herstel van de Internationale tijdens de conferentie te Stockholm in 1917 en ook in 1919. Ook hier was hij door zijn pro-geallieerde gezindheid veelal tegenspeler van de pro-Duitse Troelstra, evenals op het terrein van de binnenlandse politiek, zoals vooral in de gebeurtenissen rond de novemberdagen van 1918 tot uitdrukking komt. Tot een openlijke veroordeling van Troelstra's 'revolutionaire' escapades tijdens deze episode kwam het echter niet. 'Troelstra was nu eenmaal geen figuur die men gemakkelijk verloochent', heeft Vliegen later geschreven. Hij besefte te goed dat deze bij de massa een charismatische populariteit genoot. Toch heeft pas het eenheidscongres van de partij in april 1919 het gevaar van een scheuring tussen de 'revolutionaire' en de parlementaire richting bezworen.
Ook in de naoorlogse jaren bleef Vliegen een grote plaats in de partij innemen. In 1922 werd hij weer lid van de Tweede Kamer, nadat hij sinds 1917 zitting had gehad in de senaat. Kort daarna eindigde zijn Amsterdams wethouderschap en vervolgens vestigde hij zich in Den Haag, waar hij in 1927 ook weer lid van de gemeenteraad zou worden. Bovendien was hij tot 1926 partijvoorzitter, maar ook nadien bleef hij volgens H.F. Cohen (Om de vernieuwing, Leiden 1974) 'de overheersende figuur', ook nadat J.W. Albarda de parlementaire leider van de partij was geworden als opvolger van Troelstra. Tot in de jaren dertig behield hij een vooraanstaande positie, thans duidelijk op de rechtervleugel van de partij, die in 1932 op een congres, waar Vliegen weer presideerde, nogmaals een linkse groep uitstootte. Zijn functie als regeringsgedelegeerde bij de internationale ontwapeningsconferentie te Genève legde hij neer uit protest tegen de wijze van onderdrukking van de muiterij in 1933 op de Zeven Provinciën (hij gewaagde van een 'schandvlek op het Nederlandse volk'). In 1937 moest hij in verband met de toen ingestelde leeftijdsgrens zijn Kamerlidmaatschap neerleggen, maar hij bleef groot prestige genieten. Van de redactie van De Socialistische Gids maakte hij deel uit vanaf de oprichting (1916) tot de opheffing van dit orgaan in 1938. Als lid van het partijbestuur nam hij afscheid op het Paascongres in 1939 na gedurende negenendertig jaar daarin zitting gehad te hebben. Hij werd toen tot lid van de partijraad gekozen. In het begin van de bezettingstijd adviseerde hij het bedrijf van Arbeiderspers en nevenorganisaties gaande te houden. Nog op het laatste congres van de SDAP in 1946 voor haar opgaan in de PvdA voerde hij het woord met gevoelens van weemoed. Na zijn overlijden in 1947 hield de PvdA een herdenkingsplechtigheid in het Concertgebouw te Amsterdam, waar Albarda, W. Drees en C. Huysmans de redenaars waren. In Amsterdam is het Vliegenbos naar hem vernoemd.
Behalve politicus is Vliegen ook geschiedschrijver geweest van de beweging waarin hij gedurende zo lange jaren een kapitale rol heeft vervuld. Het betreft zijn geschiedenis van de 'oude beweging' voor 1894: De Dageraad der volksbevrijding en die van de SDAP tot 1919 onder de titel Die onze kracht ontwaken deed. Het ambt van geschiedschrijver heeft hem vrijwel levenslang begeleid temidden van zijn vele beslommeringen van andere aard. Eerstgenoemd werk schreef hij in de jaren na zijn terugkeer in Nederland, waarin ook de spoorwegstakingen van 1903 vielen, die voor de auteur zelf zulk een traumatische ervaring zijn geweest. Sindsdien keerde hij zich geheel af van de revolutionaire traditie waarin hij opgegroeid was in de oude SDB en werd hij de bedachtzame parlementaire sociaal-democraat zoals men hem later heeft leren kennen. Zijn oordeel over Domela Nieuwenhuis was dan ook aan het slot van zijn boek totaal gewijzigd. Het werk Die onze kracht ontwaken deed werd samengesteld in de periode na 1920, toen Vliegen tal van functies voor zijn partij bekleedde. Toch slaagde hij erin de eerste twee delen (tot 1914) te voltooien, het derde deel over de jaren van de Eerste Wereldoorlog schreef hij pas later, toen hij in 1937 politicus in ruste geworden was. Op tal van punten is het als steeds goed gedocumenteerd en onderhoudend geschreven werk van grote waarde.
Eén van de grote voormannen van de sociaaldemocraten in de eerste helft van de twintigste eeuw. Was typograaf en propagandist in Limburg en werd later redacteur van dagblad Het Volk. Als politicus voor alles een pragmatisch reformist en in 1913 daarom voorstander van regeringsdeelname van de SDAP. Keerde zich in 1918 ook tegen Troelstra's revolutiepoging. Naast Kamerlid en partijvoorzitter tevens wethouder in Amsterdam. Eenvoudige arbeider, die zich door zelfstudie opwerkte tot een welsprekende afgevaardigde die goed gedocumenteerde betogen hield. Geschiedschrijver van de vooroorlogse sociaaldemocratie. Ook buiten eigen kring gerespecteerd.
SDAP
in de periode 1909-1937: lid Tweede Kamer, lid Eerste Kamer
Inhoud
Overlijden op 29 juni 1947 te Bloemendaal
=
Vader
Jan Martinus Hubertus Vliegen
Moeder
Helena Jacquemin
=
Overledene (mannelijk)
Wilhelmus Hubertus Vliegen, geboren te Gulpen, 84 jaar oud
=
Weduwnaar
Maria Margaretha Hofman
=
Bronvermelding
Noord-Hollands Archief te Haarlem, BS Overlijden; Bloemendaal / Bloemendaal, 1 juli 1947, aktenummer 177
Hij is getrouwd met Maria Margaretha Hofman.
Zij zijn getrouwd op 23 mei 1888 te Den Haag, Zuid-Holland, Nederland, hij was toen 25 jaar oud.Bron 5
Huwelijk op 23 mei 1888 te 's-Gravenhage
=
Vader van de bruidegom
Jan Martinus Hubertus Vliegen, timmerman van beroep
Moeder van de bruidegom
Helena Jacquemin
=
Bruidegom
Wilhelmus Hubertus Vliegen, 25 jaar oud, letterzetter van beroep
=
Bruid
Maria Margaretha Hofman, 24 jaar oud, dienstbode van beroep
=
Vader van de bruid
Pieter Hofman
Moeder van de bruid
Maria Joanna Elie, zonder beroep
=
Bronvermelding
Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Huwelijk; Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage, 's-Gravenhage, archief 335-01, inventarisnummer 711, 23-05-1888, Huwelijksakten Den Haag, aktenummer 428
Kind(eren):
Wilhelmus Hubertus Vliegen | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1888 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Maria Margaretha Hofman | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Huygens ING - Amsterdam. Bronvermelding: A.A. de Jonge, 'Vliegen, Wilhelmus Hubertus (1862-1947)', in Biografisch Woordenboek van Nederland. URL:http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn1/vliegen [12-11-2013]
http://hdl.handle.net/10622/5F4FE22F-D853-414C-9938-DE3AB10B6741
https://www.parlement.com/id/vg09llc48equ/w_h_willem_vliegen
Noord-Hollands Archief te Haarlem, BS Overlijden; Bloemendaal / Bloemendaal, 1 juli 1947, aktenummer 177
Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Huwelijk; Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage, 's-Gravenhage, archief 335-01, inventarisnummer 711, 23-05-1888, Huwelijksakten Den Haag, aktenummer 428