Antonius van Bergen (of Antoon, overleden 17 april 1540, was kapitteldeken, in bezit van Landgoed Goeree.
Bron G.C.A. Juten
Hij was een der talrijke buitenechtelijke kinderen van Jan mette Lippen, heer van Bergen op Zoom. Zijn moeder heette Maria Jossens; in Maart 1515 werd hij gewettigd.
Van zijn jeugd is niets bekend; in 1494 was hij reeds deken van de St. Servaaskerk te Maastricht; 9 Juli 1503 verkreeg hij een prebende in de St. Gommarus-kerk te Lier en 13 Oct. 1510 schonk hem zijn broer Ant. van Glymes een kanonikaat in de St. Geertruikerk te Bergen op Zoom. Het opschrift van zijn grafzerk noemt hem ook eersten hofkapelaan van Philips den Schoone en Karel V. In 1524 is hij kapitteldeken te Bergen op Zoom en 4 Aug. van dat jaar wordt hij benoemd tot lid van den
domeinraad dier heerlijkheid. Verlof om over zijn goederen te beschikken verkrijgt hij 14 Mei 1528 en 23 Febr. 1535 geeft de keizer hem verlof om wegens hoogen leeftijd zijn neef Maximiliaan van Bergen als coadjutor voor het dekenaat in Lier aan te nemen.
Zijn lijk werd begraven te Bergen op Zoom, onder een schoon gepolijsten steen, dien de geschiedschrijver Th. de Rouck nog heeft zienliggen. Boven het uitvoerige opschrift was zijn wapen gebeiteld: het wapen van Glymes met een roos in het hartschild.
Uit archiefberichten in Commissie van Breda (R.A. 's Grav.); portef. C.v.V. (R.A. 's Hert.); Analectes p. servir à l'hist. ecclés. de la Belgique III, 127, XVII, 420; Th. de Rouck, De Nederl. Herauld (1645), 322.
Een oudere Antonius van Bergen, een bastaard-broeder van Jan mette Lippen, nam 12 Juli 1444 door een gemachtigde bezit van een kanunniksprebende in de kerk van Bergen op Zoom. Vermoedelijk is dit heer Anthonis, den ouden prochiaan, genoemd in de rek. 1494-95. Reeds in 1439 verantwoordde de rentmeester gelden voor de opvoeding van Thonis, mijns joncheren bastert broeder. In 1441 liet zich als student te Leuven inschrijven Ant. van Glimes; 13 Oct. 1445 trok meester Anthonis van Glymes, bastaard-broeder, naar Leuven en in den zomer zond Jan mette Lippen denzelfde naar Parijs ter scolen. In de notulen van den Domeinraad 1496 is sprake van het testament van Antonius, den bastaard van Glimes.
Uit no. 333 Commissie van Breda (R.A. 's Grav.); Reusens, Matricule 13.
Juten
S.R. 1479/80, fol. 51 recto: "Anthoenise, bastairt van Glymes, van zekere
resten hem gebrekende van dat hij als captayn nu lestwerf metten
soudenieren van Bergen uutgeweest hadde. betailt met tghene, dat hij voir de
stadt aen eenige instrumenten verleyt hadde, tsamen 31 scell Brab". Ook fol.
27 verso
Antonius ontmoetten we reeds in den slag bij Guinegate met de wettige zoons als "capiteyn
der soudenyeren." In dezelfde kwaliteit neemt hij deel aan de
campagne in het bisdom Luik.
S.R.1482/fil, fol. 46 recto van der reysen in den lande van Ludick. Eerst
gegheven Anthuenise, bastaert van Glymes, capiteyn van den soudenieren
uuter stadt ende lande van Berghen gesonden. voir sijn opzetten ... 15 pond
groeten", fol.20 verso: "opten IIIIen dach Septembris, geschoncken
Anthoenise bast, airt van Glymes, capiteyn van den soudenyers 6 geiten Rijns
wijns. "den XXen dach van Octobri. was de voirscr. Anthuenis de bastairt, genoedt opter
stadthuys, als hij uuten lande van Ludick comen was, ende dair verteirt ter
maeltijt, van wijne, spijse etc. 2 pond 18 scell. 2½ den Brab."
Antonius Bastaard van Bergen | ||||||||||||||||||