"Erschenen Janna Frederica Valentijn. Wed. Jan Verdonk oud 30 jaaren, zeggende dat aan Berend Blauwenoort niet verwant is en voorts dat dezen nagt om een úúren geweest is ten huise van Jacob Blaauenoort, dat aldaar tegenswoordig waaren Jacob Blaauenoort selfs en voorts Berend Blaauenoort, deszelfs dogter Gerritje genaamt, en Nicolaas Roessink, dat dezelve alle toen heeft hooren zingen 't liedjen van de Carmognolen en geestelijke liedjes, dog niet gehoord te hebben, dat er Oranje liedjes gesongen wierden. Dat alle gemelde lieden wel wat dronken waaren, dog voornamelijk Berend Blaauenoort, welke 't meest was beschonken"
Johanna Falentijn (Valentijn) woonde in bij haar zoon Johannes Mol aan de Barmhartige Steeg 1038
"weduwe van Jan Mol, dochter van Derk Valentijn en Maria Hellendoorn, beiden overleden"
Aktenummer 11; Leeftijd 96!
Tijdstip: 04:00
"weduwe van J. Mol"
Grafnummer 1480
(1) Zij had een relatie met Fielemon KOMMER.Bron 1
Na het overlijden van haar man Johannes Cornelis Verdonk en voor haar huwelijk met Jan Mol heeft Johanna Faletijn waarschijnlijk een relatie gehad met ene Fielemon Kommer. Hieruit is een onecht kind met de naam Derk Jan geboren.
Kind(eren):
(2) Zij is getrouwd met Johannes Cornelis VERDONK.
Zij zijn getrouwd op 24 november 1789 te Arnhem, Gemeente Arnhem, Provincie Gelderland, Nederland, zij was toen 24 jaar oud.
Kind(eren):
(3) Zij is getrouwd met Jan MOL.
Zij zijn getrouwd op 18 december 1798 te Diepenveen, Gemeente Deventer, Provincie Overijssel, Nederland, zij was toen 33 jaar oud.Bron 8
Kind(eren):
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Johanna VALENTIJN | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(1) | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Fielemon KOMMER | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(2) 1789 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Johannes Cornelis VERDONK | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(3) 1798 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Jan MOL | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Diepenveenseweg/ NL-DvHCO, HCO Stadsarchief Deventer
De eerste Deventer buitenbegraafplaats
Tot 1664 deed het kerkhof rondom de Grote- of Lebuïnuskerk dienst. Het werd geruimd en tot plein gemaakt. Het kerkhof rondom de Bergkerk daarentegen is tot 1831 in gebruik gebleven, met name voor de minder draagkrachtigen. De gegoede burgerij verkoos zo veel mogelijk een plaats in de kerk. Ter illustratie: tussen 1823 en 1827 werden 87 lijken begraven in de kerk, terwijl in dezelfde periode 821 lijken op het kerkhof van de Bergkerk werden begraven.
In 1827 neemt de Deventer Raad het aanleggen van een nieuwe begraafplaats ter hand. Een belangrijke vraagstuk daarbij was hoe het onderhoud en herstel van de kerkvloeren voortaan bekostigd moest worden.
De gemeente Deventer koopt buiten de stadswallen een stuk bouwgrond, in de nabijheid van de plek die dan al eeuwen bekend staat als "de Galgenbelt". De afstand naar de stad mocht niet te groot zijn, aangezien er in die tijd door de meesten te voet werd begraven. De "Hoge Hond" bleek een geschikt stuk bouwgrond (een "hond" was in die tijd een oppervlaktemaat van 100 roeden). In 1831 werd de begraafplaats in gebruik genomen. Er werden 3100 plaatsen uitgezet. De nummers 2501-3100 vormden eerst nog een apart gedeelte voor de rooms-katholieken. Als in 1869 de RK-begraafplaats aan de Ceintuurbaan in gebruik wordt genomen, worden deze graven weer vrijgegeven. In 1894 vond een uitbreiding plaats tot ruim 4100 plaatsen. Deze uitbreiding is uitsluitend gebruikt voor particulier eigen graven.
Gelijk met het in gebruik nemen van de buitenbegraafplaats werd een gedetailleerd reglement ingevoerd. Zo mochten er niet meer dan 6 personen buiten de directe familieleden aanwezig zijn bij de begrafenis. Redevoeringen houden was verboden mits na toestemming "omdat men in die tijd de nadelige gevolgen daarvan niet kan overzien". Verder mag de opzichter geen tapperijen of drinkgelagen houden. Het gebruik van wijn, bier, sterke drank, pijpen, tabak en koek wordt verboden "als te dikwijls aanleiding tot grote ongeregeldheden en vrij wat aanstoot gegeven hebben".
Opzienershuis en lijkenhuisje
Links van de huidige ingang van de begraafplaats werd een opzienershuis gebouwd. Destijds bevond de toegang tot de begraafplaats zich aan de linkerzijde van dit huis. Het van hout opgetrokken gebouw krijgt een kruisvormige plattegrond en bevat een woonkamer, deel, beestenstal en een lijkenkamer. In de lijkenkamer werd de overledene enige tijd opgebaard om er zeker van te zijn dat de dood was ingetreden. Eind achttiende eeuw was namelijk een angst voor schijndood ontstaan. Het verlengen van de termijn van 24 uren naar 36 uren alvorens men mocht begraven, was klaarblijkelijk nog geen geruststelling. Pas in 1850 was het niet langer nodig 36 uren te wachten op de lijklucht, omdat vanaf dat moment met de stethoscoop de hartslag beluisterd kon worden.
In de (houten) wanden van het gebouw werden drie gietijzeren ornamenten met symbolen van de vergankelijkheid van het leven aangebracht. Te zien zijn afbeeldingen van een slang, vlinder, zandloper, schedel en zeis. Gelukkig zijn deze witgeschilderde reliëfs na de verbouwing in 1875 behouden gebleven en tot op de huidige dag in de muurnissen te bewonderen. In 1894 werd bij de uitbreiding van de begraafplaats een nieuw opzienershuis gebouwd. De situering van de ingang tussen de twee huizen met het toegangshek stamt ook uit dit jaar. De huidige situatie van beide huizen dateert van 1933.