Hij had een relatie met N.n.
De relatie startte
Kind(eren):
Notities bij Gerard Splinter Van Ruweel
Heeft Kasteel Nijenrode bij Breukelen laten bouwen.
Meer details: "Nijenrode is in het midden van de 13e eeuw gesticht door Gerard Splinter van Ruwiel, derde zoon van Gijsbrecht van Ruwiel, die vermoedelijk kasteel Ruwiel aan de Aa tussen Breukelen en Nieuwer ter Aa heeft verbouwd."
Bron: http://www.kasteleninutrecht.nl/Nijenrode.htm
Wikipedia: http://nl.wikipedia.org/wiki/Kasteel_Nijenrod
Nijenrode
Ligging Iets ten zuiden van Breukelen aan de rechterkant van de Straatweg richting Maarssen.
Foto van het kasteel
Ontstaan Het kasteel werd in het midden van de 13e eeuw gebouwd door Gerard Splinter van Ruwiel, 3e zoon van Gijsbrecht van Ruwiel.
Het werd gebouwd aan de rand van een, door het rooien van bomen, bouwrijp gemaakt stuk land, de nieuwe of'nije' rode. Het kasteel is vermoedelijk gebouwd op een zandrug van de Vecht. Op 50 à 100 m van het kasteel is zeer fijn zand in de diepere ondergrond aangetroffen.
Geschiedenis Nijenrode is in het midden van de 13e eeuw gesticht door Gerard Splinter van Ruwiel, derde zoon van Gijsbrecht van Ruwiel, die vermoedelijk kasteel Ruwiel aan de Aa tussen Breukelen en Nieuwer ter Aa heeft verbouwd. De zoon van Gerard, Gijsbrecht I van Nijenrode (kasteelheer 1296-1320), droeg op 15 augustus 1311 'sijn huis, dat men heet Nyenrode, ende enen viertellants, die gheleghen es van den Broecdijc utestreckende in de Vecht, daer dat huis op staet' op aan de Hollandse graaf Willem III en ontving dit in leen terug, op voorwaarde dat het een open huis voor de graaf zou zijn.
> Hierdoor kwam het kasteel binnen de Hollandse invloedssfeer. Noch Gijsbrecht I noch zijn zoon Gerard Splinter van Nijenrode hebben een rol van enige betekenis gespeeld in de Hollandse politiek. Dat gold wel voor Gijsbrecht II (overl. 1396), zoon van laatstgenoemde Gerard en Maria van Persijn van Velsen. Hij sloot zich in de Hollandse partijstrijd aan bij de Kabeljauwen en heeft mogelijk een aandeel gehad in de Kabeljauwse machtsovername van februari 1351. Hij was onder andere meesterridder van de herberg van graaf Willem V en was in 1351 als maarschalk belast met de belegering van kasteel Brederode.
Nijenrode werd op 27 oktober 1536 als ridderhofstad aangemerkt. Het kasteel bleef in het geslacht Nijenrode tot de dood van Josina van Nijenrode in 1537. Toen vererfde het kasteel niet op haar man, Willem Torck, maar op haar dochter Elisabeth, die getrouwd was met Bernard I van den Bongard. Willem kreeg echter wel het vruchtgebruik tot zijn dood in 1545. Via Elisabeth Torck kwam het kasteel in de familie Van den Bongard. Zij werd opgevolgd door respectievelijk haar zoon Floris, getrouwd met Agnes van Aeswijn van het naburige kasteel Ruwiel, haar kleinzoon Bernard II, haar achterkleinkinderen Bernard III van den Bongard en Anna van den Bongard, en door Maria van Wijhe van Hernen, nicht van de hiervoor genoemden en gehuwd met Gerard van Reede tot Saesfelt. Diens zoon Gerhard Adriaan van Reede tot Saesfelt verkocht op 10 februari 1675 het eind 1673 door het Franse leger verbrande en geruïneeerde kasteel voor 40.000 gulden aan de Amsterdamse koopman Johan I Ortt (1642-1701). Daarmee kwam het kasteel na vier eeuwen adellijk bezit in handen van rijke kooplieden.
Johan, rijk geworden door de handel in laken en graan, restaureerde het kasteel en ging er het leven leiden van een grand seigneur. Hij liet zichzelf en zijn vrouw Anna Pergens portretteren door beroemde schilders, telde onder zijn kennissen mensen als Swammerdam, Hooft en Huygens en had een manege met 50 paarden en diverse rijtuigen. Het kasteel bleef in de familie Ortt tot 1849, toen de weduwe van Johan IV Ortt (1755-1814) het verkocht aan Willem Jan Adriaan van Romondt (1798-1856), rijksontvanger te Zeist. Twee jaar later verkocht deze het kasteel echter al weer aan de dochter van Johan IV, Sara Adriana Ortt (1798- 1853), die overigens 37 jaar daarvoor het kasteel als erfenis van haar vroeg overleden vader had geweigerd, waarna haar moeder het kasteel had gekocht om er zo te kunnen blijven wonen.
Sara verongelukte in Tilburg op 10 december 1853 en het kasteel is op 19 april 1854 op een publieke veiling gekocht door de industrieel Willem Hendricus de Heus (overl. 1872). De Heus was onder andere eigenaar van een koperpletterij en een metaalhandel, commissaris van een tweetal spoorwegmaatschappijen en exploiteerde een drietal gasfabrieken. Hij heeft zelf vermoedelijk nauwelijks of niet op het kasteel gewoond, want hij bewoonde 's zomers 'de Pietersberg' te Oosterbeek en mogelijk 's winters de bij zijn fabriek in Apeldoorn gebouwde villa Sophia's Hoeve. Op 1 mei 1854 werd dan ook per advertentie in de Opregte Haarlemmer Courant het kasteel te huur aangeboden.
Opmerkelijk is dat De Heus in 1860 het kasteel voor een niet onaanzienlijk bedrag liet verbouwen in de in die tijd in de mode zijnde neo-Tudorstijl. Na zijn dood vererfde het kasteel op zijn oudste zoon Henri Guillaume Arnoud (overl. 1902), maar deze had geen interesse voor de bezitting, omdat zijn werkterrein in Apeldoorn lag. Henri verhuurde het kasteel voor een aantal jaren aan C.J. van der Meulen, die het als kostschool exploiteerde.
Op 4 juni 1903 werd door de erven van Henri bij openbare veiling aan Gerardus Laurentius van Es verkocht 'de Ambachts-Heerlijkheid Breukelen-Nijenrode met de daaraan verbonden regten; de aanzienlijke ridderhofstad "Nijenrode", met Riddermatige Jagt,Tiendregt, Kasteel met Koetshuis en Paardenstal, boschwachterswoning, Gestoelte in de Hervormde Kerk, Lanen, Wei-, Boomgaard-, Bosch- en Griendlanden, de Boerenhofstede "Nijenrode", met aanhoorige Wei-, Hooi-, Bouw- en Boomgaardlanden en het Regt van bepoting langs den Straatweg, een en ander groot ruim 71 Hectaren, alles gelegen in het Waterschap Otterspoorbroek, onder de gemeente Breukelen-Nijenrode, langs den Straatweg en de rivier de Vecht, op 2 uren afstand van Utrecht'.
De familie Van Es gebruikte het kasteel als zomerhuis, maar in 1906 liet zij het alweer veilen. Koper was de combinatie J. Plomp, Th.J. Schipperijn en N. Beutener uit Maarssen, die in deze slappe economische tijd grote huizen aan de Vecht kocht, hetinterieur eruit sloopte en verkocht en vervolgens de huizen als ruïne achterliet of sloopte. Zover kwam het echter met Nijenrode niet, want in 1907 kocht de Amsterdamse koffiehandelaar Michiel Onnes (1878-1972) het kasteel. Hij liet het tussen 1907en 1920 voor 1.250.000 gulden restaureren en in de staat brengen waarin het heden ten dage nog verkeert.
In 1930 is het kasteel verkocht aan de kunsthandelaar Jacques Goudstikker, hoewel Onnes er nog enige tijd bleef wonen. Ten slotte kwam het kasteel in 1950 aan de Stichting Nijenrode, Nederlands Opleidings-Instituut voor het Buitenland (N.O.I.B.), die het al vanaf 1946 huurde; thans heet dit instituut 'Nijenrode Universiteit voor Bedrijfskunde'.
Een beschrijving geven van de bouwhistorie van Nijenrode is geen eenvoudige zaak, zeker niet na de ingrijpende restauratie uit het begin van de 20e eeuw. Bij deze restauratie is heel veel vernieuwd en is bijvoorbeeld de grote toren tot op vrijwel defundering afgebroken en vervolgens herbouwd. De zichtbare hoeveelheid bouwsporen is onder andere daardoor miniem en over de niet zichtbare kan enkel een vaag vermoeden bestaan. De oudste geschiedenis van het kasteel laat zich dan ook slechts summier reconstrueren.
Nijenrode is vermoedelijk ontstaan uit een (woon?)toren (de grote toren), die wordt gedateerd in de 13e eeuw. Deze toren meet buitenwerks 14,15 x 15,95 m en de muren zijn 1,67 tot 1,77 m dik. De toren stond op de westhoek van een ommuurd, onregelmatig, vermoedelijk ook in oorsprong vijfhoekig plein van 30 x 30 m, dat toegankelijk was via een poorttoren (de huidige klokketoren) aan de noordwestzijde.
Het is niet ondenkbaar dat de grote toren oorspronkelijk los stond van het plein, in dit geval dan een voorburcht, en omgracht was, maar aanwijzingen hiervoor ontbreken op dit moment. Vast staat dat de poorttoren, anders dan in de huidige situatie, uitstak ten opzichte van de muren rond de binnenplaats. Deze muren sloten aan op de achterzijde, de zuidoostzijde, van de poorttoren. Voor de noordmuur is dit waarneembaar op de gravure van Hessel Gerrits uit ca. 1610 en voor de noordwestmuur is ditaangetoond in de kelder. In deze kelder, op de plek van de noordhoek van de grote toren, is de fundering aangetroffen van een muur, die niet parallel loopt aan de huidige buitenmuur, maar doorgetrokken gedacht aansluit op de achterzijde van de poorttoren. Hoe deze muur aansloot op de grote toren kan zonder destructief onderzoek niet worden vastgesteld. Bij graafwerkzaamheden op het binnenplein is een zeer klein stuk van een fundering van moppen aangetroffen, waarvan de richting ongeveer gelijk liep met de oorspronkelijke noordwestmuur van het binnenplein. Meer dan dat is er echter niet over te melden, maar het zou mogelijk kunnen duiden op een kleiner binnenplein of een reeds lang verdwenen gebouw aan de zuidzijde.
In 1311 was er sprake van een aanval op Nijenrode in opdracht van de bisschop van Utrecht. Het kasteel zal daarbij schade hebben opgelopen, want de Hollandse graaf Willem III erkende in dat jaar aan Gijsbrecht I 2000 'zwarte tournoisen' schuldig te zijn voor de aangerichte schades. Op 12 maart 1330 beloofde Gerard Splinter van Nijenrode aan graaf Willem dat voor 400 pond aan het kasteel zou worden verbeterd.
In september 1481 is het kasteel belegerd, geplunderd en in brand gestoken, dit maal door de burgers van Utrecht, die onder andere hier een strijd uitvochten met de Utrechtse bisschop David van Bourgondië. De toenmalige bezitter Jan III heeft het kasteel vermoedelijk nog voor zijn dood in 1495 hersteld.
In 1511 zijn Nijenrode en het aan de andere zijde van de Vecht gelegen kasteel Gunterstein door de Utrechters en de Geldersen opnieuw belegerd en ingenomen. Beide kastelen zijn (deels?) verwoest en naar verluidt zijn de stenen gebruikt om de vervallen muren van de Bemuurde Weerd in Utrecht te herstellen. Het kasteel is door Willem Torck herbouwd en toen de kroniekschrijver A. van Buchel in november 1594 Nijenrode bezocht schreef hij dat het kasteel 'plurimum auctum et restauratum' was, dat wilzeggen in aanzienlijke mate uitgebreid en hersteld.
Hoe het kasteel er na 1594 uitzag is te zien op de hiervoor genoemde gravure van Gerrits en op twee 18e-eeuwse tekeningen, die teruggaan op 17e-eeuwse voorbeelden en die de situatie in 1606 zouden moeten weergeven. We zien het volgende: de grote toren en de poorttoren zijn door een woonvleugel met elkaar verbonden en de noordwestmuur sluit inmiddels aan op de voorzijde van de poorttoren. Aan de binnenplaatszijde zijn twee traptorens gebouwd, één tegen de grote toren en één halverwege de woonvleugel. Aan de noordzijde is een smal gebouw tegen de poorttoren geplaatst en op de noordwesthoek bevindt zich een tuin. De noordmuur heeft hier nog zijn oude loop. Aan de oostzijde zijn twee smalle woonvleugels gebouwd, haaks op de ommuring; ten zuiden hiervan staat een lager gebouw, geïnterpreteerd als spijker of voorraadschuur.
Na 1632 is het kasteel, op de grote toren na, in opdracht van Bernard III van den Bongard in de stijl van het Hollands-maniërisme gemoderniseerd en verfraaid. Daarbij is het schilddak van de poorttoren vervangen door een achtkantige opbouw, voorzienvan een zogenaamd klokdak en omgeven door een balustrade. De bouwdelen aan de noordzijde zijn onder één groot schilddak gebracht en de ommuring van de binnenplaats is voorzien van vensters. De spijker op de zuidoosthoek is afgebroken. De toegang tot het kasteel is verlegd van de poorttoren naar de zuidzijde van de binnenplaats en hier is in de ommuring een toegangspoort in Toscaanse stijl aangebracht. De brug daar naar toe liet echter tot na 1675 op zich wachten.
In september 1673 zijn Breukelen en de omringende kastelen zwaar geteisterd door het oorlogsgeweld. De Franse troepen verschansten zich onder meer op Nijenrode en vestigden daar hun hoofdkwartier. Zij lieten 'door de boeren de steene-muur van Nieuwenroode omver haalen, om sich uit die plaats te beter te konnen defendeeren'. Op 2 september 1673 verlieten de Fransen Breukelen en staken Gunterstein in brand. Zwitserse huurtroepen, achtergebleven op Nijenrode, lieten vier dagen later naar verluidtde grote toren springen en staken de rest van het kasteel in brand. Het kasteel brandde grotendeels uit en het herstel is pas ter hand genomen in 1675, door de nieuwe eigenaar Johann I Ortt. Ortt had contact met de Amsterdamse architect Adriaan Dortsman (1635-1682) en het is dus niet ondenkbaar dat hij bij het herstel betrokken is geweest. Dortsman was mogelijk ook de architect van het in 1680-1681 herbouwde Gunterstein.
Bij het herstel van Nijenrode is het kasteel weer vrijwel in de staat gebracht waarin het verkeerde vóór de brand. Vergelijking van afbeeldingen van voor en na de 'verwoesting' leert dat het muurwerk vrijwel intact is gebleven. Het oorspronkelijk hogere dak uit ca. 1632 rechts van de poorttoren is echter verlaagd en qua hoogte gelijk getrokken met het dak links naast de poorttoren; de opbouw van de poorttoren is niet hersteld en de ommuring van het binnenplein is niet meer op hoogte gebracht. De kantelen van de grote toren zijn verdwenen en het dubbele schilddak is vervangen door een omlopend of een U-vormig schilddak met een open deel aan de westzijde. Dat hier geen afgeplat schilddak is aangebracht, blijkt uit de plaatsing van een ooievaarsnest op de zuidelijke nok. De constructie van dit nest kan alleen maar geplaatst worden op een spitse nok. De ingang aan de zuidzijde was nu bereikbaar via een ophaalbrug en er tegenover werd een bijgebouw geplaatst: een groot vierkant gebouw van anderhalve bouwlaag, voorzien van een afgeplat schilddak. De hoeken van het gebouw hadden gepleisterde blokpilasters. Aan de noordzijde bevonden zich drie dubbele staldeuren. Het gebouw bevatte een manege en stallingen voor 50 paarden.
Johan III Ortt liet rond 1750 het grote toegangshek bouwen met een hoogte van 4,35 m en een breedte van 4,10 m tussen 5,35 m hoge vierkante kolommen. De noordelijke kolom droeg het wapen van Ortt, de zuidelijke kolom dat van zijn eerste vrouw Adriana Huydecoper. Na 1763 zijn nog forse smeedijzeren zijstukken aan het hek aangebracht, waarin de letters Q en E aangebracht werden. De E duidde op de tweede vrouw van Ortt, Dorothea Eyck.
Na 1817 en vóór 1836 is het kasteel in opdracht van mevrouw G.W. Ortt-Schroyenstein, weduwe van Johan IV Ortt, gemoderniseerd en verbouwd. De kruisvensters aan de Vechtzijde zijn vervangen door schuifvensters met roedeverdeling en de kleine aanbouw aan de zuidzijde van de noordvleugel is in breedte en diepte verdubbeld en op gelijke hoogte gebracht met de noordvleugel.
In 1860 is het kasteel in opdracht van Willem Hendricus de Heus door de Utrechtse architect Samuel Adrianus van Lunteren (1813-1877) in de toen in de smaak zijnde neo-Tudorstijl gemoderniseerd en verfraaid. Van Lunteren had meerdere kastelen aan de mode van zijn tijd aangepast, zoals Scherpenzeel (ca. 1856-1859), Maarsbergen, Lunenburg (1861-1866) en Sandenburg (1861-1865).
De hoeken van de noordvleugel zijn bij deze verbouwing voorzien van arkeltorentjes en ter plaatse van de goot is bij deze vleu-gel, de traptorens en de voormalige poorttoren een gekanteelde borstwering aangebracht. De houten ophaalbruggen zijn vervangen door stenen boogbruggen en op de plek van de ommuring van het binnenplein kwam een balustrade. De grote toren is verlaagd tot anderhalve verdieping.
In 1907 volgde in opdracht van Michiel Onnes een ingrijpende restauratie, die tot 1920 duurde. Tot 1916 werkte Onnes met de Utrechtse architect E.G. Wentinck en daarna met de architect H. van Heeswijk. Het kasteel moest weer in de staat en de vorm worden gebracht waarin het zich bevond na de verbouwing van rond 1632; als uitgangspunt voor de plannen zou de kopergravure van Theodorus Matham zijn gebruikt, die wordt gedateerd tussen 1647 en 1656. Dit kan zo zijn, maar op deze gravure, die het kasteel vanuit het zuiden afbeeldt, zijn de 'binnenplaatsgevels, niet of nauwelijks zichtbaar. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat evenzeer gebruik is gemaakt van de tekening van Roelant Roghman uit 1646/47, die het kasteel vanuit het oosten weergeeft, en in ieder geval van een tekening van Herman Saftleven uit 1653. Zowel de vensters in de noordwestvleugel (niet zichtbaar bij Matham) als de vorm van de klokketorenbekroning duiden hierop.
Van 1907 tot 1911 is het hoofdgebouw gerestaureerd, waarbij onder andere gebruik is gemaakt van antieke onderdelen, zoals schouwen uit de 15e en 16e eeuw en 18e-eeuwse betimmeringen. Haardstenen uit 1598 zijn toen vanuit Nijenrode overgebracht naar de consistorie van de Breukelse dorpskerk. In 1915 zijn de stenen bruggen van Nijenrode vervangen door houten ophaalbruggen en is de Toscaanse toegangspoort aan de zuidzijde gereconstrueerd. In 1916 is het dienstgebouw aanzienlijk uitgebreid ten behoeve van paarden, rijtuigen en auto's en is het poortgebouw opgetrokken op de plaats van het rond 1750 opgerichte toegangshek. Dat hek is daarbij teruggeplaatst naar de zuidelijke toegang, waar het oorspronkelijk ook heeft gestaan, op een plek waar reeds in 1911-1912 een chauffeurswoning in neo-renaissancestijl was gebouwd.
In de jaren 1917-1918 is de grote toren vrijwel geheel herbouwd, alleen enkele meters metselwerk van de noordhoek zijn nog oorspronkelijk. Bij deze herbouw is de toren, ten behoeve van enkele gastenkamers en twee badkamers, ook twee verdiepingen hoger opgebouwd dan hij ooit is geweest en van arkeltorentjes en kantelen voorzien. Een van deze arkeltorentjes, die op de noordwesthoek, is al vanaf de eerste verdieping van de toren uitgekraagd en uitgevoerd als traptoren.
Ten behoeve van het opleidingsinstituut is het kasteel na 1950 verbouwd. De kamers werden collegezalen en kantoren, in de kelders kwam een studentenbar. Het koetshuis is inwendigverbouwd tot keuken, eetzaal, magazijn en dergelijke. Op het terrein zijn vanaf 195O diverse paviljoens en een rectorshuis gebouwd. Na 1988 is in de zuidwesthoek van het oude park nog een onderwijscomplex gebouwd.
Bewoners 13e eeuw Gerard Splinter van Ruwiel 1296 - 1320 Gijsbrecht I van Nijenrode
1320 Gerard Splinter van Nijenrode
- 1396 Gijsbrecht II van Nijenrode
ca 1481 - 1495 Jan III van Nijenrode
ca 1511 - 1537 Josina van Nijenrode, getrouwd met Willem Torck
1537 Elisabeth Torck, getrouwd met Bernard I van den Bongard
Floris van den Bongard
Bernard II van den Bongard
ca 1632 Bernard III van den Bongard
Anna van den Bongard
Maria van Wijhe van Hemen, getrouwd met Gerard van Reede tot Saesfelt
- 1675 Gerhard Adriaan van Reede tot Saesfelt
1675 - 1701 Johan I Ortt
Johan II Ortt
ca 1750 Johan III Ortt
- 1814 Johan IV Ortt
1814 - 1849 G.W. Ortt-Schroyenstein, weduwe van Johan IV Ortt
1849 - 1851 Willem Jan Adriaan van Romondt
1851 - 1853 Sara Adriana Ortt
1854 - 1872 Willem Hendricus de Heus
1872 - 1902 Henri Guillaume Arnoud de Heus
1903 - 1906 Gerardus Laurentius van Es
1906 - 1907 J. Plomp, Th.J. Schipperijn en N. Beutener
1907 - 1930 Michiel Onnes
1930 - 1950 Jacques Goudstikker
1950 Stichting Nijenrode, Nederlands Opleidings-Instituut voor het Buitenland
Huidige doeleinden Het kasteel doet nu dienst als Universiteit voor Bedrijfskunde.
Opengesteld Het kasteel is niet toegankelijk.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.