Kind(eren):
RIJNLANDSE PACHTERS VAN DE ABDIJ LEEUWENHORST
GEDURENDE DE PERIODE 1410 – 1660
- NOORDWIJKERHOUT -
door
J. van Egmond
Kerstant Willem Heinenszsz., v.a. 1444 Kerstant Heinen
a. 1424 – 1460 landhuur: hofstede waar hij op woont met 7 morgen land strekkend van de Molenweg over de
watering aan Jan Graaf zijn land.
1425 – 1435 3 nobels (3 nobels voor 8 oude arnhemse glds)
vorige pachter: Simon Maartensz.
b. 1424 – 1451(1460?) landhuur: 4 hond land gen. “dat diergras”
1424 – 1435 ½ nobel
vorige pachter: Floris Willem Woutersz.
c. 1431 – 1460 landhuur: de Veenkamp genoemd tot 1443, daarna Werfkamp, mogelijk identiek.
1431 – 1435 1 nobel
vorige pachter: Floris Dirk Mattheusz.
d. 1436 – 1460 landhuur: 1 morgen land in Voorhouterbroek gelegen tussen de Zwet en Nelletjesveld
vorige pachter: ?
a t/m d 1436 – 1443 5 nobels
e. 1435 – verm. 1460 landhuur: land in de werf waar Willem Heinensz. woonde
1435 – 1443 ƒ 0-4-0
1444 ƒ 0-5-0
vorige pachter: Bartelmees Bouwensz.
f. 1436 – verm. 1460 landhuur: geestland
1436 – 1443 ƒ 0-10-0
vorige pachter: ?
g. 1444 – 1460 landhuur: ½ morgen land in Voorhouterbroek, strekkend van de Zwet tot aan Nellertjesveld
a t/m g 1444 – 1460 5 nobels en 5 st.
volgende pachter Wouter Kerstant Heinen.
Jan Duivenvoorden:
“Ick, Aernt Aerntszoon, scout van Noortigerhout doe condt allen luijden dat voir mij quam Kerstant Willemszoon en gelied (verklaarde) schuldig te wesen ende vercoft te hebben aan Dirck Jan Meijnsenszoon (een rentebrief van)… enen gouden Ingelsche nobel van vijf en een half Ingels wegende, te betalen jaerlics alle jaere op onse lieven vrouwen dach. Te versekeren ende staende op twee morghen geestlants ende op één morghen broecklants gelegen in den ambacht van Noortigerhout welke drie morghen lants belegen hebben (begrensd zijn door) an die westzijde dat clooster van de leede, an die oestzijde Snijer Florijszoon en an dat zuijteijnde Kerstant selve ende an dat noorteijnde die molenwech……so heb ic Aernt Aertntszoon als scout desen brief bezegelt mit mijne zegel hier an gehangen int jaer onse heer duijsent vierhondert acht ende dertich op ten vierden dach van februari”
Bovenstaande tekst maakt deel uit van het charter (akte op perkament) boven dit Eijckendonckverhaal en vertelt ons dat in februari 1438 Kerstant Willemszoon, de stamvader van de Noordwijkerhoutse Oostdamfamilie een lening afsluit. Hij is verplicht jaarlijks een gouden Engelse nobel te betalen als rente op het schuldbedrag. Als onderpand verbindt Kerstant twee percelen land gelegen aan de huidige Molenweg en Kerkstraat aan de lening. De schuldbrief wordt nog enkele keren doorverkocht waarbij de dienstdoende schout telkens de overschrijving op perkament vastlegt. Hij “doorsteekt” de oude brief en met zijn eigen zegel bindt hij de brieven aan elkaar. Doordat de schuldbrief meerdere keren is doorverkocht ontstaat een pakket documenten waar een tros schoutenzegels aan hangt. Uiteindelijk komt de schuldverklaring van Kerstant Willemszoon in handen van het klooster Leeuwenhorst en maakt het deel uit van de prachtige historische collectie van dat klooster in het Nationaal Archief. Ook de twee besproken percelen land zullen in 1506 door het klooster overgenomen worden van een kleinzoon van Kerstant, Dirck Wouterszoon.
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.