Zij is getrouwd met Rudolf van Bierum.
Het is niet precies bekend wanneer Coevorden gesticht is. Naar Nederlandse begrippen moet het een heel oude nederzetting zijn. Immers, Friesland, Groningen en Drenthe werden al in voorhistorische tijden gescheiden van het aangrenzende Duitsland en Overijssel door uitgestrekte veenmoerassen waar maar op één plaats doorheen te komen was: bij de samenvloeiing van drie beken, het Drostendiep, Loodiep en Schoonebeker Diep die vandaar gezamenlijk uitliepen op de Overijsselse Vecht [NOTE De aardrijkskundige namen zijn uiteraard van deze tijd.] . Een dergelijke plaats is buitengewoon geschikt voor bewoning en vooral ook voor de vestiging van een verdedigingswerk: hij beheerst de er langs lopende weg, zowel militair als commercieel, terwijl langs de beken landbouw mogelijk was. Er zal daarom al vroeg een versterkte plaats aangelegd zijn, met daarnaast, in de bescherming van de versterking, een nederzetting van boeren en handelaars. Picardt veronderstelde [NOTE In zijn, opgenomenin deenz. (Amsterdam, 1660) p. 282 (zie ook inventarisnummer 275). In de handel is een facsimile uitgave door Krips Repro, Meppel.] dat Coevorden door de Romeinen gesticht is, maar daarvan is geen bewijs te vinden, in natura noch in geschrifte.De oudste bekende vermelding van Coevorden als nederzetting dateert van 1148, in een akte waarin bepaald wordt dat de betaling van een aan het klooster van Corvey (in Westfalen) verschuldigde pacht moet geschieden "apud Koiforde in domo quam nunc habet mulier quaedam nomine Sigardis" [NOTE OGD-I nr 29. Vertaling: nabij Coevorden in het huis dat nu in het bezit is van een zekere vrouw genaamd Sigardis.] .
De eerste expliciete vermelding van Coevorden als een versterkte plaats dateert van 1159; paus Adrianus IV bevestigt dan de bisschop van Utrecht in het bezit van onder andere het "castrum Cuforde et terram de Drenthem" [NOTE OGD-I nr 33. Vertaling: de vesting Coevorden en het land van Drenthe.] . Drenthe was op dat moment al meer dan een eeuw bezit van de bisschoppen van Utrecht; in 1046 had koning Hendrik III het graafschap Drenthe definitief aan de Utrechtse kerk geschonken [NOTE OGD-Inrs 21 en 23.] . Coevorden was toen dus duidelijk al een militair steunpunt, d.w.z. de bisschoppelijke prefect bewoonde er een huis met bijbehorende boerderij en verdedigingswerken. Aan de hand van opgravingen, die ter gelegenheid van de restauratie van het kasteel in 1972 verricht zijn, mag aangenomen worden dat de bouw overeenkwam met die van de gebruikelijke vroeg- middeleeuwse versterkte huizen. C.F. Janssen beschrijft dit als volgt [NOTE Corneille F. Janssen,(Coevorden, 1972) p. 3.] :
"Zijn burg zal, naar wij aan de hand van opgravingen voorlopig mogen aannemen, behoord hebben tot het type dat in Engeland 'motte and bailey' genoemd wordt. Dit type versterkingen bestaat uit twee elementen. Het eerste, de motte, is een kunstmatige heuvel in de vorm van een vrij steile kegel, met afgeplatte top. Op de top staat een toren, die hier wel van hout zal zijn geweest. (...) De voet van de kegel was omgeven door een gracht. Op de grens van gracht en water stond een palissade. (...) De bailey was een aansluitende, eveneens omgrachte, meestal halfronde voorhof, naar buiten toe beschermd door een wal, voorzien van ten minste een palissade op de top en meestal ook aan de voet. Ophaalbruggen en (houten) poortgebouwen verzekerden en beveiligden de verbinding tussen motte en bailey en tussen bailey en buitenwereld. De bailey omvatte de woon- en bedrijfsgebouwen; een kasteel was in die dagen ook en niet in de laatste plaats een boerenbedrijf. De toren op de motte was een laatste wijkplaats."
Bij deze versterkte woonplaats hebben zich zonder twijfel boeren en handelaars gevestigd, al is het heel goed mogelijk dat hier al een dorp bestond - gezien de gunstige ligging - nog voordat het kasteel gebouwd werd.
Het bisdom Utrecht heeft zijn macht in Drenthe en Coevorden niet ongestoord kunnen uitoefenen [NOTE Over de geschiedenis van Coevorden (en Drenthe) onder de Utrechtse bisschoppen bestaat een ruime litteratuur. Naast de reeds in de overige noten genoemde titels zijn b.v. nog te vermelden:F.H.J. Dieperink, "De Drentse opstand tegen het bisschoppelijk gezag in 1227" in:. Groningen, Wolters, 1953.B. Ebling,. Amsterdam, Paris, 1932.I.H. Gosses,Groningen, Wolters, 1941.C.A. van Kalveen,. Groningen, Tjeenk Willink, 1974.J.W. Schaap, "Vroege grafelijke machthebbers in Drenthe", in:99 (1982) p. 1-6.A. Veenhoven,. Groningen, Wolters, 1969.] .
De Coevorder prefecten streefden naar zelfstandigheid, welk streven nog versterkt werd toen omstreeks 1140 het burggraafschap van Coevorden een erfelijk leen van het bisdom werd. Omstreeks 1345 verpandde de bisschop zelfs aan Reynold III de leenheerlijke rechten over kasteel en gebied van Coevorden. In 1395 deed echter bisschop Frederik van Blankenheim aan Reynold IV van Coevorden het aanbod, de verpanding van de leenheerlijke rechten af te lossen, zodat de heerlijkheid weer onder Utrechts gezag zou vallen. Reynold weigerde en werd daarop door de bisschop - die zich voor dit doel van de steun van onder andere de Sallandse steden Kampen, Zwolle en Deventer verzekerd had - gedwongen van al zijn rechten afstand te doen. Coevorden kreeg als gouverneur weer een bisschoppelijk ambtenaar. Deze droeg de titel van ambtman of drost van Coevorden en Drenthe, met als ambtsgebied de gescheiden eenheden van de heerlijkheid Coevorden en de landschap Drenthe.
Gedurende de door het archief bestreken tijd heet hij doorgaans drost, zodat hij in het vervolg ook met die titel zal worden aangeduid. Een van de voorwaarden waarop bisschop Frederik van Blankenheim de steun van de Sallandse steden had verkregen, was dat de drost zou worden aangesteld in overleg met en met goedkeuring van deze steden en van de Landschap zelf. De drost diende uit Drenthe of Overijssel afkomstig te zijn; in de praktijk werd het tot 1505 een Sallander. Een gevolg daarvan is geweest dat Coevorden zich duidelijker in bestuursvorm en recht op Overijssel ging richten. Dat was des te meer te verwachten omdat in Drenthe geen voorbeeld te vinden was: Drenthe had geen handeldrijvende steden, geen invloedrijke landadel, maar een in aantal geringe en in betrekkelijk geïsoleerde dorpen wonende bevolking. Coevorden heeft dan ook tot 1791 het Overijsselse landrecht toegepast. Anderzijds heeft het zich, onder voorbehoud van formele onafhankelijkheid, steeds naar Drenthe gevoegd; Coevorden betaalde Drentse belastingen. Dit heeft er toe geleid dat de stad, nadat het Overijsselse landrecht vervangen was door het Drentse, ook formeel in de landschap Drenthe werd opgenomen.
Bij het kasteel van de heren van Coevorden lag, zoals verondersteld, een dorpje. Sinds wanneer is niet bekend. Wel wordt de veronderstelling bevestigd door schriftelijke vermeldingen. Genoemd is al een akte van het jaar 1148. In de Quaedam narracio de Groninghe, de Thrente, de Covordiaetc. is eveneens sprake van een "castrum Covordie" waaromheen huizen liggen die aangeduid worden als "villa" of "suburbium" [NOTE Zie de uitgave met vertaling door het Historisch Seminarium van de Universiteit van Amsterdam, 1977.] . Ook de kroniek van Emo en Menko spreekt van het "castellum" en de "villa Covordie" [NOTE Zie de uitgave door H.O. Feith en G. Acker Stratingh, Utrecht 1866, p. 13 en 117, en de vertaling door W. Zuidema en J. Douma, Utrecht 1938.] . "Villa" betekent in het middeleeuws Latijn "dorp". Coevorden bestond dus oorspronkelijk uit een versterkt huis met een daarbij liggend dorp, en wel een dorp waarvan de bewoners, zoals in elk Drents en Overijssels dorp, een buurschap met marke vormden.
Bevestiging hiervan wordt aangedragen door Magnin die twee akten publiceert: een van 22 juli 1276 waarin het gebruik van de weide "in marca Covordie" geregeld wordt, en een van 4 mei 1315 waarin sprake is van de "markenote ... Covordie" [NOTE Magnin,II, I, p. 38 en 40.] . Tegen het einde van de 13e eeuw wordt echter melding gemaakt van de "statt Coevorden" en de "oppidum Covordie" [NOTE Gratama verwijst naar akten uit 1395 en 1402. Zie VM-OVR, 2e deel, 1892, p. 370.] , terwijl in een schenkingsakte van 1372 [NOTE Nummer 335 van deze inventaris.] van "borgeren unde buer van Coevorden" gesproken wordt. Het dorp is dan kennelijk uitgegroeid tot een plaats met een te verdedigen wal om het "kasteel" en de huizen heen, zoals gebruikelijk bij een middeleeuwse stad.
Op 30 december 1407 verleende bisschop Frederik van Blankenheim bij charter aan de burgerij van Coevorden een aantal rechten; uit deze akte blijkt dat Coevorden al eerder privileges van de Utrechtse bisschoppen had ontvangen [NOTE Nummer 74 van deze inventaris.] . Deze eerdere verlening zal vermoedelijk plaats gevonden hebben ter gelegenheid van de formele overgang van dorp naar stad. Hiervan is echter niets overgeleverd; evenmin is bekend wanneer en hoe de stad en haar omliggend gebiedtot een van Drenthe en Overijssel los staande "stad en heerlijkheid" zijn geworden.
Zij zijn getrouwd.
Kind(eren):
Het is niet precies bekend wanneer Coevorden gesticht is. Naar Nederlandse begrippen moet het een heel oude nederzetting zijn. Immers, Friesland, Groningen en Drenthe werden al in voorhistorische tijden gescheiden van het aangrenzende Duitsland en Overijssel door uitgestrekte veenmoerassen waar maar op één plaats doorheen te komen was: bij de samenvloeiing van drie beken, het Drostendiep, Loodiep en Schoonebeker Diep die vandaar gezamenlijk uitliepen op de Overijsselse Vecht [NOTE De aardrijkskundige namen zijn uiteraard van deze tijd.] . Een dergelijke plaats is buitengewoon geschikt voor bewoning en vooral ook voor de vestiging van een verdedigingswerk: hij beheerst de er langs lopende weg, zowel militair als commercieel, terwijl langs de beken landbouw mogelijk was. Er zal daarom al vroeg een versterkte plaats aangelegd zijn, met daarnaast, in de bescherming van de versterking, een nederzetting van boeren en handelaars. Picardt veronderstelde [NOTE In zijn, opgenomenin deenz. (Amsterdam, 1660) p. 282 (zie ook inventarisnummer 275). In de handel is een facsimile uitgave door Krips Repro, Meppel.] dat Coevorden door de Romeinen gesticht is, maar daarvan is geen bewijs te vinden, in natura noch in geschrifte.De oudste bekende vermelding van Coevorden als nederzetting dateert van 1148, in een akte waarin bepaald wordt dat de betaling van een aan het klooster van Corvey (in Westfalen) verschuldigde pacht moet geschieden "apud Koiforde in domo quam nunc habet mulier quaedam nomine Sigardis" [NOTE OGD-I nr 29. Vertaling: nabij Coevorden in het huis dat nu in het bezit is van een zekere vrouw genaamd Sigardis.] .
De eerste expliciete vermelding van Coevorden als een versterkte plaats dateert van 1159; paus Adrianus IV bevestigt dan de bisschop van Utrecht in het bezit van onder andere het "castrum Cuforde et terram de Drenthem" [NOTE OGD-I nr 33. Vertaling: de vesting Coevorden en het land van Drenthe.] . Drenthe was op dat moment al meer dan een eeuw bezit van de bisschoppen van Utrecht; in 1046 had koning Hendrik III het graafschap Drenthe definitief aan de Utrechtse kerk geschonken [NOTE OGD-Inrs 21 en 23.] . Coevorden was toen dus duidelijk al een militair steunpunt, d.w.z. de bisschoppelijke prefect bewoonde er een huis met bijbehorende boerderij en verdedigingswerken. Aan de hand van opgravingen, die ter gelegenheid van de restauratie van het kasteel in 1972 verricht zijn, mag aangenomen worden dat de bouw overeenkwam met die van de gebruikelijke vroeg- middeleeuwse versterkte huizen. C.F. Janssen beschrijft dit als volgt [NOTE Corneille F. Janssen,(Coevorden, 1972) p. 3.] :
"Zijn burg zal, naar wij aan de hand van opgravingen voorlopig mogen aannemen, behoord hebben tot het type dat in Engeland 'motte and bailey' genoemd wordt. Dit type versterkingen bestaat uit twee elementen. Het eerste, de motte, is een kunstmatige heuvel in de vorm van een vrij steile kegel, met afgeplatte top. Op de top staat een toren, die hier wel van hout zal zijn geweest. (...) De voet van de kegel was omgeven door een gracht. Op de grens van gracht en water stond een palissade. (...) De bailey was een aansluitende, eveneens omgrachte, meestal halfronde voorhof, naar buiten toe beschermd door een wal, voorzien van ten minste een palissade op de top en meestal ook aan de voet. Ophaalbruggen en (houten) poortgebouwen verzekerden en beveiligden de verbinding tussen motte en bailey en tussen bailey en buitenwereld. De bailey omvatte de woon- en bedrijfsgebouwen; een kasteel was in die dagen ook en niet in de laatste plaats een boerenbedrijf. De toren op de motte was een laatste wijkplaats."
Bij deze versterkte woonplaats hebben zich zonder twijfel boeren en handelaars gevestigd, al is het heel goed mogelijk dat hier al een dorp bestond - gezien de gunstige ligging - nog voordat het kasteel gebouwd werd.
Het bisdom Utrecht heeft zijn macht in Drenthe en Coevorden niet ongestoord kunnen uitoefenen [NOTE Over de geschiedenis van Coevorden (en Drenthe) onder de Utrechtse bisschoppen bestaat een ruime litteratuur. Naast de reeds in de overige noten genoemde titels zijn b.v. nog te vermelden:F.H.J. Dieperink, "De Drentse opstand tegen het bisschoppelijk gezag in 1227" in:. Groningen, Wolters, 1953.B. Ebling,. Amsterdam, Paris, 1932.I.H. Gosses,Groningen, Wolters, 1941.C.A. van Kalveen,. Groningen, Tjeenk Willink, 1974.J.W. Schaap, "Vroege grafelijke machthebbers in Drenthe", in:99 (1982) p. 1-6.A. Veenhoven,. Groningen, Wolters, 1969.] .
De Coevorder prefecten streefden naar zelfstandigheid, welk streven nog versterkt werd toen omstreeks 1140 het burggraafschap van Coevorden een erfelijk leen van het bisdom werd. Omstreeks 1345 verpandde de bisschop zelfs aan Reynold III de leenheerlijke rechten over kasteel en gebied van Coevorden. In 1395 deed echter bisschop Frederik van Blankenheim aan Reynold IV van Coevorden het aanbod, de verpanding van de leenheerlijke rechten af te lossen, zodat de heerlijkheid weer onder Utrechts gezag zou vallen. Reynold weigerde en werd daarop door de bisschop - die zich voor dit doel van de steun van onder andere de Sallandse steden Kampen, Zwolle en Deventer verzekerd had - gedwongen van al zijn rechten afstand te doen. Coevorden kreeg als gouverneur weer een bisschoppelijk ambtenaar. Deze droeg de titel van ambtman of drost van Coevorden en Drenthe, met als ambtsgebied de gescheiden eenheden van de heerlijkheid Coevorden en de landschap Drenthe.
Gedurende de door het archief bestreken tijd heet hij doorgaans drost, zodat hij in het vervolg ook met die titel zal worden aangeduid. Een van de voorwaarden waarop bisschop Frederik van Blankenheim de steun van de Sallandse steden had verkregen, was dat de drost zou worden aangesteld in overleg met en met goedkeuring van deze steden en van de Landschap zelf. De drost diende uit Drenthe of Overijssel afkomstig te zijn; in de praktijk werd het tot 1505 een Sallander. Een gevolg daarvan is geweest dat Coevorden zich duidelijker in bestuursvorm en recht op Overijssel ging richten. Dat was des te meer te verwachten omdat in Drenthe geen voorbeeld te vinden was: Drenthe had geen handeldrijvende steden, geen invloedrijke landadel, maar een in aantal geringe en in betrekkelijk geïsoleerde dorpen wonende bevolking. Coevorden heeft dan ook tot 1791 het Overijsselse landrecht toegepast. Anderzijds heeft het zich, onder voorbehoud van formele onafhankelijkheid, steeds naar Drenthe gevoegd; Coevorden betaalde Drentse belastingen. Dit heeft er toe geleid dat de stad, nadat het Overijsselse landrecht vervangen was door het Drentse, ook formeel in de landschap Drenthe werd opgenomen.
Bij het kasteel van de heren van Coevorden lag, zoals verondersteld, een dorpje. Sinds wanneer is niet bekend. Wel wordt de veronderstelling bevestigd door schriftelijke vermeldingen. Genoemd is al een akte van het jaar 1148. In de Quaedam narracio de Groninghe, de Thrente, de Covordiaetc. is eveneens sprake van een "castrum Covordie" waaromheen huizen liggen die aangeduid worden als "villa" of "suburbium" [NOTE Zie de uitgave met vertaling door het Historisch Seminarium van de Universiteit van Amsterdam, 1977.] . Ook de kroniek van Emo en Menko spreekt van het "castellum" en de "villa Covordie" [NOTE Zie de uitgave door H.O. Feith en G. Acker Stratingh, Utrecht 1866, p. 13 en 117, en de vertaling door W. Zuidema en J. Douma, Utrecht 1938.] . "Villa" betekent in het middeleeuws Latijn "dorp". Coevorden bestond dus oorspronkelijk uit een versterkt huis met een daarbij liggend dorp, en wel een dorp waarvan de bewoners, zoals in elk Drents en Overijssels dorp, een buurschap met marke vormden.
Bevestiging hiervan wordt aangedragen door Magnin die twee akten publiceert: een van 22 juli 1276 waarin het gebruik van de weide "in marca Covordie" geregeld wordt, en een van 4 mei 1315 waarin sprake is van de "markenote ... Covordie" [NOTE Magnin,II, I, p. 38 en 40.] . Tegen het einde van de 13e eeuw wordt echter melding gemaakt van de "statt Coevorden" en de "oppidum Covordie" [NOTE Gratama verwijst naar akten uit 1395 en 1402. Zie VM-OVR, 2e deel, 1892, p. 370.] , terwijl in een schenkingsakte van 1372 [NOTE Nummer 335 van deze inventaris.] van "borgeren unde buer van Coevorden" gesproken wordt. Het dorp is dan kennelijk uitgegroeid tot een plaats met een te verdedigen wal om het "kasteel" en de huizen heen, zoals gebruikelijk bij een middeleeuwse stad.
Op 30 december 1407 verleende bisschop Frederik van Blankenheim bij charter aan de burgerij van Coevorden een aantal rechten; uit deze akte blijkt dat Coevorden al eerder privileges van de Utrechtse bisschoppen had ontvangen [NOTE Nummer 74 van deze inventaris.] . Deze eerdere verlening zal vermoedelijk plaats gevonden hebben ter gelegenheid van de formele overgang van dorp naar stad. Hiervan is echter niets overgeleverd; evenmin is bekend wanneer en hoe de stad en haar omliggend gebiedtot een van Drenthe en Overijssel los staande "stad en heerlijkheid" zijn geworden.
Sigardis | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Rudolf van Bierum | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.