Zij is getrouwd met Jacob (Jakob(us)) Fick.
Zij zijn getrouwdBron 2
De Bont:
Katrijn huwde vóór 1557 den hierboven genoemden Jacob Fick, een korenkooper. De graanhandelaars behoorden te Amsterdam onder de grootste en deftigste kooplieden, en de vroedschap telde onder hare leden velen, die handel in graan of koren dreven. Jacob was zeer rijk, doch schijnt, zooals blijkt uit het testament van zijn schoonvader Joost Buijck, de tering niet naar de nering gezet te hebben. Bij of even voor zijn dood, welke improvise plaats vond, kwamen zijne goederen aan crediteuren.
In zijn welvaart bewoonde hij een groot, deftig huis, en bij hem logeerden vele voorname vreemdelingen, o. a, Bossu in 1568. Het huis van Catrijn en Jacob werd genoemd «het Hof van mijnen heere den grave van Bossu en hun tafel was ruim voorzien, gelijk 't in een gravelijk Hof behoorde, van vleesch en visch, lamprijen en konijnen, hoenders en duiven, pastijen, specerijen, alle soorten van wijn en engelsch en ander bier. Hij hield equipage «eenen Oostersche wagen met laicken overtoegen, met ghevelen ende alle zijn toebehoeren, welke hij ten geschenk gaf aan Zeger van Groesbeek, den broeder van den Bisschop van Luik, die, met nog anderen, het gezantschap uitmaakte, dat in 1566 bij het Deensche Hof de belangen van den Amsterdamschen handel was gaan bepleiten. Jacob mocht voor den geschonken wagen, een nieuwen laten maken voor stadsrekening.
Of Jacob in goede verstandhouding leefde met zijn schoonvader, betwijfelen wij zeer. Zeker is het dat hij, graanhandelaar "avant tout", in 1566, toen het graan te Amsterdam zeer schaarsch was, en er zelfs een hongersnood dreigde, tegen den wil van den Magistraat een request aan den Landvoogd zond, met verzoek dat hij de regeering 'van Amsterdam zoude dwingen den uitvoer van koren toe te laten.
Jacob is nooit lid der vroedschap of regent eener instelling geweest. Zijne vrouw was in 1569 Moeder van het Klarissenklooster, en het was door hare tusschenkomst, dat de stad van genoemd klooster kocht «een fijn lindelaeckens webbetgen voor 68 gl. en 16 st., dat zij ten geschenke gaf aan de Gravin van Bossu.
Na den dood van Jacob schijnt Katrijn naar Utrecht verhuisd te zijn. want zij is aldaar overleden. Op den 18en April 1623 werd de klok van den Dom geluid ter gelegenheid van het begraven van "Dnae" Catharinae Buijck, Viduae Jacobi Fick.
Bij den dood van haar vader Joost was zij geen erfgename, doch zij moest zich tevreden stellen met «alsulcke drije duijsent Carolus guldens als zij van hem testateur ten huwelic onttangen heeft ende dat sij daermede tevreden sal wesen ende affstaen van de vorderen goed(er)en ende erffenisse, die hij testateur achterlaten sall».
Den 15 Sept. 1579 had zij in den Haag deze beschikking «geapprobeert». Joost legde echter zijne andere kinderen de testamentaire beschikking op, Catrijn «eerlick nae(r) haren staat te onderhouden ende alimenteeren»; bovendien mocht zij bewonen het huis op den Oude zijds achterburgwal, en ontving zij «eenich silverwerk ende huijsraet tot heurder discretie».
Uit deze beschikkingen moeten wij opmaken, dat Jacob Fick aan zijn schoonvader veel geld heeft gekost, en dat Joost, bang voor Jacob's crediteuren, aan Catrijn geen geld, maar een jaarlijksche alimentatie schonk.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Katrijn Joosts Buyck | ||||||||||||||||||
Jacob (Jakob(us)) Fick | ||||||||||||||||||
B.J.M. de Bont, Het geslacht Occo (Amst. 1893)
https://www.delpher.nl/nl/boeken/view?coll=boeken&identifier=MMSFUBA02:000011445:00068