(1) Hij is getrouwd met Amalia von Solms.
Zij zijn getrouwd op 4 april 1625, hij was toen 41 jaar oud.
Kind(eren):
(2) Hij heeft/had een relatie met Margaretha Catharina Bruyns.
Kind(eren):
Gebeurtenis (MYHERITAGE:REL_FRIENDS).
Frederik Hendrik (Delft, 29 januari 1584 – Den Haag, 14 maart 1647), Prins van Oranje en graaf van Nassau, was stadhouder, kapitein-generaal en admiraal-generaalvan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Vanwege zijn succesvolle belegeringen kreeg hij de bijnaam 'stedendwinger'.
In 1625 volgde hij zijn overleden halfbroer Maurits van Oranje op als stadhouder van de soevereine provincies Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel en alsopperbevelhebber van het Staatse leger. Het stadhouderschap over Landschap Drenthe en Stad en Lande verwierf hij in 1640. De Republiek was tijdens zijn gehele leven verwikkeld in de Tachtigjarige Oorlog met Spanje.
Als legeraanvoerder gaf hij, evenals Maurits, de voorkeur aan het belegeren van steden en het mijden van veldslagen. De geduchte veldheer veroverde op die manier onder andere Groenlo, Maastricht, Schenkenschans, Breda en Hulst. Zijn grootste overwinning was die van 's-Hertogenbosch in 1629.
Als staatsman had hij te maken met het in de tijd van Maurits ontstane binnenlands conflict tussen de remonstranten en de contraremonstranten, dat protestanten in het hele land verdeelde. Behendig bleef hij een positie in het midden innemen om beide partijen afhankelijk van hem te houden en verschilde hierin met zijn voorganger. Na het beleg van Breda in 1637 kregen de remonstranten de overhand in Holland en door de op handen zijnde vrede werd het voor de stadhouder moeilijker de oorlog gefinancierd te krijgen. Een jaar na zijn dood kwam met de Vrede van Münster een eind aan de oorlog met Spanje.
Op persoonlijk vlak vond hij het belangrijk zijn prestige en vorstelijke allure in Europa te verhogen. Hij liet grootse paleizen bouwen, had een uitgebreide kunstverzameling en hield uitbundige feesten.
Jonge jaren
iv class="thumb tright">gn: center; background-color: #f9f9f9; border: #cccccc 1px solid; padding: 3px !important;">adding: 3px !important;">one transparent scroll repeat 0% 0%; color: #0b0080; display: block;" title="Vergroten" href="http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Allegory_of_the_Birth_of_Frederik_Hendrik_c1650_Caesar_van_Everdingen.jpg">
Frederik Hendrik werd geboren als een graaf van Nassau. Zijn voornamen waren afkomstig van zijn peetooms; de koningen Frederik II van Denemarken en Hendrik III van Navarra. De Staten van Holland waren als instituut eveneens peetoom. Toen hij bijna eenhalf jaar oud was, werd zijn vader in het Prinsenhof vermoord.
Louise voedde haar zoon Franstalig op, volgens verfijnde Franse manieren. Zij stelde Fransen aan die hielpen bij de opvoeding van Mooi Heintje, zoals Frederik Hendrik in zijn kinderjaren liefkozend genoemd werd. Inmiddels was zijn halfbroer Maurits stadhouder van Holland geworden.
In 1591 werd verhuisd naar Den Haag, waar intrek werd genomen in Paleis Noordeinde. Frederik Hendrik werd er onderwezen door Louise's predikant Johannes Uytenbogaert. Deze leerde hem Latijn en gaf hem godsdienstles.
Tweeënhalf jaar later ging Frederik Hendrik naar Leiden om wiskunde en landmeetkunde te studeren. Hij woonde er op hetRapenburg. Hij is dan tien jaar oud en wordt om in zijn kosten te voorzien benoemd tot kolonel van twintig vendels voetvolk. Hiervoor krijgt hij maandelijks per vendel twintigvlaamse pond uitgekeerd.
Om hem meer bekendheid te geven met staatszaken werd hij op 17 maart 1600 geïnstalleerd als lid van de Raad van State, het hoogste adviescollege van de Republiek, waarin ook zijn neef stadhouder Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg van Friesland en Maurits zitting hebben. De raad behandelde voornamelijk militaire zaken, een onderwerp dat Frederik Hendrik zeer interesseerde.
Op 6 mei 1600 werd hij als zestienjarige in de rang van kolonel in naam aangesteld als commandant van het pas opgerichte regiment Nieuwe Geuzen. In die functie was hij twee maanden later aanwezig bij de Slag bij Nieuwpoort die door de Republiek met moeite van de Spanjaarden gewonnen werd. Zelf nam hij niet deel aan de gevechtshandelingen en de feitelijke leiding van zijn regiment was tijdens de veldslag in handen van een ander. Het jaar erop bij het Beleg van Rijnberk raakte hij door eenmusketschot gewond aan een schouder.
Als achttienjarige werd Frederik Hendrik in 1602 tijdens het Beleg van Grave benoemd tot legeraanvoerder over de troepen van de gewonde Francis Vere en veroverde met zijn legeronderdeel een zogenaamde halve maan in de hoofdgracht van Grave.
Na de dood in maart 1603 van koningin Elizabeth I van Engeland woondehij als symbolisch hoofd van de afvaardiging van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden met onder meer Johan van Oldenbarnevelt in Londen de kroning bij van de nieuwe koning Jacobus I.
Nog voordat hij naar Engeland vertrok, werd hem in april de titel generaal der ruiterij verleend, waarmee hij in rang alleen nog Maurits en Willem Lodewijk boven zich had.In die functie hield hij geregeld strooptochten in vijandelijk gebied, waarbij hij de burgerbevolking niet ontzag, zoals in 1607 bij de Inname van Erkelenz.Dit was in de zeventiende eeuw gangbaar en gebeurde soms als reactie op strooptochten van de vijand. In maart 1606 slaagde hij erin het vestingstadje Bredevoort te ontzetten, dat door de Spanjaarden belegerd werd.
Gedurende het Twaalfjarig Bestand ontstond er in de protestante kerk een conflict tussen de remonstranten en de contraremonstranten. Daarbij kwam de vraag op wie zeggenschap had over de protestante kerk: de provincie of de Staten-Generaal. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt kwam in deze periode lijnrecht tegenover Maurits te staan. Frederik Hendrik stelde zich neutraal op. In de stad Utrecht mondde het conflict in 1610 uit in de afzetting van het stadsbestuur door opstandige orthodoxe calvinisten. Van Oldenbarnevelt kreeg de Staten-Generaal zover dit te veroordelen en besloten werd dat er militair ingegrepen moest worden. Omdat Maurits de machtsovername goedgekeurd had, kon hij de expeditie niet leiden en Van Oldenbarnevelt besloot dat de taak aan Frederik Hendrik toekwam. Zodoende trok Frederik Hendrik met het Staatse leger naar Utrecht, waar hij zonder veel moeite de stad in handen kreeg en het bestuur werd vervangen.
Vijf jaar later vertrok hij met de Staatse ruiterij richting Brunswijk. De Hanzestad werd belegerd door de hertog van Brunswijk. Deze had familiebanden met de Deense en Engelse koning, waardoor het congres van Hanzesteden geen actie durfde te ondernemen. De aankomst van de Staatse ruiterij maakte grote indruk op hem.Toen het leger dwars door neutraal gebied bij de Wezer aankwam, werd het Beleg van Brunswijkopgeheven.
Bijna was hij in 1616 in het huwelijk getreden met de dochter van landgraaf Maurits van Hessen-Kassel, de twintigjarige Elisabeth. Dat ging op het laatste moment niet door omdat hij de huwelijkse voorwaarden ongunstig vond, ondanks druk die op hem werd uitgeoefend.
Toen Maurits in maart 1625 op sterven lag, was Frederik Hendrik 41 jaar oud en nog steeds ongehuwd. Wel was hij vader geworden. Hij had namelijk bij de burgemeestersdochter Margaretha Catharina Bruyns de bastaardzoon Frederik van Nassau-Zuylestein verwekt. Omdat Maurits altijd vrijgezel is gebleven, zette hij zijn halfbroer ter wille van de voortzetting van de dynastie onder druk om meteen te trouwen. Zou hij weigeren, dan zou hij niet zijn erfgenaam worden. De Duitse Amalia van Solms kwam daarop in beeld, een dochter van een volle neef en met wie hij sinds omstreeks 1622 een amoureuze relatie onderhield.Het huwelijk werd vliegensvlug geregeld. Op 23 maart keerde Frederik Hendrik in Den Haag terug op verzoek van Maurits. Zes dagen later vroeg hij de Staten-Generaal toestemming om Amalia te mogen trouwen, die hem dezelfde dag verleend werd. Frederik Hendrik en Amalia trouwden op 4 april. Maurits stierf op 23 april. Op de dag van zijn overlijden werd Frederik Hendrikdoor de Staten-Generaal benoemd tot kapitein-generaal van het Staatse leger en admiraal-generaal van de vloot.
In Holland werden de Staten van Holland en West-Friesland het op 1 mei 1625 erover eens dat Frederik Hendrik de nieuwe stadhouder moest worden. Een definitieve benoeming moest samen met Zeeland genomen worden. Dat gebeurde op 24 mei. Op 2 juni legde de prins de eed af als stadhouder van beide provincies. Hij werd ook beëdigd als stadhouder van Overijssel (6 juli), Utrecht (9 juli) en Gelderland (25 juli). De provincie Stad en Lande benoemde de Friese stadhouder Ernst Casimir van Nassau-Dietz tot zijn stadhouder.
Was Frederik Hendrik in Den Haag, dan sprak hij als lid van de Raad van State geregeld met de roterende voorzitter en de secretaris. Geleidelijk werd het gebruikelijk dat de president van de Staten-Generaal 's morgens voor de vergadering de prins bij praatte. Af en toe was hij bij de vergaderingen aanwezig, afhankelijk van wat besproken werd. Als dat het geval was, werd hem altijd als eerste om advies gevraagd.
In 1626 en in 1627 trok hij met de Raad van State naar de Vergadering van Holland om de afgevaardigden te overtuigen dat er geld opgebracht moest worden voor de oorlogsvoering.
In 1612 kocht hij de Heerlijkheid Naaldwijk, waardoor hij lid werd van de Hollandse Ridderschap en tevens erfmaarschalk van Holland werd.
Na de dood van Maurits werd Frederik Hendrik in navolging van zijn overleden halfbroer benoemd tot Eerste Edele van Zeeland. In die hoedanigheid had hij het recht om de vergaderingen van de Zeeuwse Staten bij te wonen, maar liet dat over aan een plaatsvervanger.
De Ridderschap van Holland benoemde hem in 1637 tot Eerste Edele, waardoor hij toestemming kreeg eveneens aanwezigte zijn bij de vergaderingen van de Staten van Holland en West-Friesland en tevens als eerste een stem mocht uitbrengen.
Hij was daar vooral te vinden om geld vrij te krijgen voor het voeren van een offensieve oorlog.
Vanaf 18 juni 1625 tot aan Frederik Hendriks overlijden was Constantijn Huygens zijn secretaris. Dankzij zijn verslagen en dagboek is over Frederik Hendrik veel bekend. Ook geven de door de stadhouder geschreven memoires veel informatie. Ze bevatten voornamelijk een chronologische weergave van zijn militaire activiteiten en beslaan de jaren 1621 - 1645.
Frederik Hendrik van Oranje ontpopte zich evenwel als een veel bekwamer en gedrevener politicus dan zijn halfbroer Maurits. Hij erkende de enige officiële staatsgodsdienst, maar was van mening dat er ook ruimte moest zijn voor andere stromingen.
In de jaren die volgden verloor Frederik Hendrik steeds meer de controle over zijn geestelijke en lichamelijke vermogens en was Holland opnieuw in staat zich politiek naar het bovenplan te werken. In 1643 werd de macht van Holland ten opzichte van Frederik Hendrik nog groter toen zij de afgevaardigden naar de Staten-Generaal een nieuwe instructie meegaf die henverplichtte niet langer besluiten te nemen over allianties, vrede, oorlog en wapenstilstanden zonder toestemming van de Staten van Holland. Andere provincies volgden het voorbeeld op Zeeland en Utrecht na. Met de nieuwe instructie was de politieke machtspositie van de prins beduidend kleiner geworden.
In het midden van de jaren twintig kwam het politieke remonstrantisme op. Dit kwam niet direct voort uit het kerkelijke remonstrantisme, maar had er wel mee te maken. Deze beweging pleitte voor een grotere macht van de afzonderlijke provincies, voor vrede met Spanje en voor tolerantie richting andere godsdiensten. Dit in tegenstelling tot de contraremonstrantendie een sterke Staten-Generaal en stadhouder nastreefden, geen vrede met Spanje wilden en fel waren in het vervolgen van andere godsdiensten.
Na zijn aantreden in 1625 als stadhouder koos Frederik Hendrik voor een gematigder koers. Desondanks was het duidelijk dat hij meer sympathie had voor de politiekeremonstranten.
Frederik Hendrik erkende het contraremonstantisme als de enige officiële staatsgodsdienst, maar vond net als zijn mentor de predikant Johannes Uytenbogaert, dat er ruimte moest zijn voor andere stromingen. Hij ondernam geen poging de door de Staten van Holland en West-Friesland uitgevaardigde godsdienstigeplakkaten tegen de remonstranten te laten intrekken. Evenmin ondernam hij actie om de plakkaten af te dwingen in steden, zoals Maurits dat gedaan had. Tegen de contraremonstranten trad hij alleen op als de openbare orde in gevaar was; bijvoorbeeld toen in 1628 de contraremonstrantse bevolking van Amsterdam in opstand kwam tegen de remonstrantse vroedschap en Frederik Hendrik met het leger de orde kwam herstellen. Behendig nam hij een middenpositie in om beide partijen afhankelijk van hem te houden. Omdat de preciezen Frederik Hendrik niet aan hun kant hadden staan,werd hun enige wapen de publiciteit door het verspreiden van pamfletten, wat tot een felle pennenstrijd leidde. In de loop der jaren kwamen er heel langzaam meer rekkelijken in de stadsbesturen en vanaf halverwege de jaren dertig van de zeventiende eeuw kregen die de overhand in de Staten van Holland.
De sfeer in de Verenigde Nederlanden was gespannen en de schatkist nagenoeg leeg. Als opperbevelhebber trachtte Frederik Hendrik vergeefs de belangrijke Brabantse vesting en familie-eigendom Breda te ontzetten, dat belegerd werd door de troepen van Ambrogio Spinola, waarop de stad zich gedwongen overgaf.
In 1624 sloot de Republiek een verdrag met Frankrijk en in 1625 met Engeland. Frankrijk zou jaarlijks financieel aan de oorlog bijdragen en Engeland zou manschappen leveren. De Republiek kreeg daardoor weer de mogelijkheid gebieden op Spanje te heroveren. Besloten werd dat het oosten de hoogste prioriteit had door de dreiging vanuit Oldenzaal, Groenlo en Lingen, die alle in Spaanse handen waren. In 1626 werd alleen Oldenzaal heroverd, omdat de benodigde financiën voor een offensieve veldtocht te laat opgebracht werden. Een poging dat jaar mislukte om Hulst bij verrassing in te nemen.
De moderne vestingstad Groenlo in het graafschap Zutphen, die net als Oldenzaal door Spinola voorafgaand aan het Twaalfjarig Bestand was veroverd, werd in 1627 heroverd onder leiding van Frederik Hendrik en Ernst Casimir. De aanval lagvoor de hand, omdat het in 1627 de enige stad in de
In 1628 wist de
De stad met de bijnaam 'moerasdraak' was moeilijk in te nemen door de aanwezigheid van twee stroompjes die in de stad samenkwamen en doordat de omgeving erg drassig was. Ook de uitgebreide verdedigingswerken en nabij gelegen forten bemoeilijkten een belegering. Om 's-Hertogenbosch te veroveren werd er, net als bij het beleg van Groenlo, een circumvallatielinie aangelegd, waarmee de stad van de buitenwereld afgesloten werd. Vervolgens werden approches richting de stadsmuren gegraven om de verdedigingswerken op te kunnen blazen. De Spanjaarden probeerden met keizerlijke hulp het Staatse leger weg te lokken door een inval op de Veluwe. De stad Amersfoortwerd nog door hen veroverd, maar het Spaanse leger moest zich uiteindelijk terugtrekken doordat de Staatse verovering van Wezel de Spanjaarden isoleerde. Met het opblazen van de verdedigingswerken werd 's-Hertogenbosch tot overgave gedwongen. Overeengekomen werd dathet Bossche garnizoen met alle mogelijke eer de stad mocht verlaten. Frederik Hendrik pleitte voor religieuze vrijheid in 's-Hertogenbosch, maar de Staten-Generaal besloten het katholicisme te verbieden.
De Spaanse koning Filips IV was geschokt door het verlies van de Brabantse stad en wilde een wapenstilstand sluiten. Het leek dat Frederik Hendrik voor was, al kan dat gespeeld zijn om de Spanjaarden te misleiden om ondertussen financiële steun te krijgen van de contraremonstranten om de oorlog voort te zetten.
In 1631 kwam weer geld beschikbaar en werd gekozen voor een inval in Vlaanderen. Het doel werd
In 1632 wilde Frederik Hendrik Antwerpen proberen te veroveren, maar dat werd te zwaar verdedigd. Het doel werd daarom verschoven naar het zuidoosten. Een aantal Zuid-Nederlandse edelen, onder wie Hendrik van den Bergh, was ontevreden over het Spaanse bewind en liep over naar de Republiek. Met behulp van Den Haag wilden de edelen een staatsgreep plegen en de Zuid-Nederlandse bevolking in opstand laten komen. Van den Bergh zei te kunnen zorgen voor een vrije doortocht langs de Maas.
Op 1 juni begon de Veldtocht langs de Maas. Om de nog te veroveren steden in het zuiden alvast tegemoet te komen, kreegFrederik Hendrik het bij de Staten-Generaal voor elkaar dat zij die vrijwillig overgingen naar de Republiek, vrijheid van godsdienst kregen. Wel zou er een kerk overgedragen moeten worden aan de gereformeerden. Frederik Hendrik veroverde achtereenvolgens Venlo, Roermond en Sittard. Op 10 juni bereikte de prins Maastricht dat omsingeld werd. Het Spaanse leger was in de Palts en keerde terug naar de nabijheid van Maastricht. Ook een Duits keizerlijk leger onder leiding van Pappenheim arriveerde om het beleg te proberen te breken. Na een mislukte aanval op de Staatse linie vertrok het leger en sloeg het kampement op ten zuiden van de stad. Het beleg vorderde daarop gestaag. Op 19 augustus werd er een bres geslagen en na onderhandelingen capituleerde Maastricht. Omdat de stad zich niet tijdig genoeg had overgegeven, moesten de Maastrichtenaren twee kerken in plaats van één overdragen aan de protestanten. Wel kreeg de stad vrijheid van godsdienst. Een Zuid-Nederlandse opstand bleef uit en er werd om die reden besloten niet door te stoten naar Brussel. Het was daarvoor te laat in het jaar en daarnaast zouden de aanvoerlijnen te lang worden.
Veel eisen werden door de zuidelijke onderhandelaars ingewilligd op drie voor de Republiek cruciale na: het behoud van de Nederlands-Braziliaanse bezittingen van de West-Indische Compagnie, het lot van de Meierij van 's-Hertogenbosch dat met de stad zou moeten toevallen aan de Republiek en als belangrijkste de toltarieven voor Vlaamse havens, met name de vrije toegang tot de haven van Antwerpen. Toen de onderhandelingen vastliepen, waren in Holland de remonstrantse steden bereid tot verdere concessies. Daar wilde Frederik Hendrik niet in meegaan en er brak een felle ruzie uit tussen hem en de remonstrantse factie die gesteund werd door de Hollandseraadpensionaris Adriaan Pauw. Toen de remonstranten nog in de minderheid waren in de Staten van Holland hadden zij tegen de contraremonstranten de steun en bescherming vande stadhouder nodig. Daardoor kon Frederik Hendrik op hun steun rekenen. Nu zij in de meerderheid waren, hadden zij zijn bescherming niet meer nodig en konden ze een eigen weg inslaan. Uiteindelijk won Frederik Hendrik de discussie door Utrecht en Gelderland te overtuigen zijn advies over te nemen. Hierdoor verkreeg hij voor zijn voorstel een meerderheid in de Staten-Generaal en kwam er voorlopiggeen vrede met Spanje.
In plaats daarvan gingen de Staten-Generaal en de prins in op een alternatief: een alliantie met Frankrijk, waarmee het vorige verdrag in 1627 verlopen was. Frederik Hendrik was een van degenen die inzag dat zonder de hulp van de Fransen, de Spanjaarden niet verslagen konden worden. Frankrijk op zijn beurt voelde zich te zeer ingeklemd door Spaans grondgebied en daardoor onveilig. Het vernieuwde bondgenootschap werd op 8 februari 1635 gesloten met de eerste minister van Frankrijk, kardinaal Richelieu. Overeengekomen werd dat de twee landen gezamenlijk de Spaanse Nederlanden zouden aanvallen en onder elkaarzouden verdelen.
Frederik Hendrik had het opperbevel. Beide legers verzamelden zich aanvang juni bij Meerssen, vlakbij Maastricht,en trokken op naar Tienen in Brabant dat op 10 juni na een heftige strijd ingenomen en leeggeplunderd werd. De volgende stap was de geplande inname van Leuven, een marsdag verwijderd van Tienen en de laatste horde voordat Brussel kon worden aangevallen. Een groot minpunt was dat het Franse leger inmiddels tot 19.000 soldaten gereduceerd was, omdat door geldgebrek geensoldij betaald werd, waarop velen deserteerden. Daarnaast was er te weinig proviand geregeld om het nog steeds grote leger langere tijd van voedsel te voorzien. Frederik Hendrik verwachtte echter dat Leuven na de gruwelijkheden in Tienenzich snel zou overgeven, maar de stad bood fel weerstand. Na anderhalve week werd het beleg opgebroken wegens het verzwakte Franse kamp, voedselgebrek en naderende keizerlijke troepen.
Frederik Hendrik trok zich met de restanten van het Franse leger terug in de omgeving van Roermond, maar werd gedwongen daar te vertrekken toen de vestingSchenkenschans, op een landtong op de splitsing van de Waal en de Rijn en een van de belangrijkste schakels in de verdedigingslinie van de Republiek, eind juli dat jaar werd veroverd door het Spaanse leger van de kardinaal-infant.
Met Schenkenschans in handen bedreigde Spanje de provincies Utrecht en Gelderland. Toen de kardinaal-infant besloot om nu ook Picardië aan te vallen kon Frederik Hendrik fort Schenk terugnemen, omdat de verwachte extra steuntroepen voor de prins-kardinaal onder Matthias Gallasniet tijdig kwamen opdagen. Frederik Hendrik omsingelde de landtong. Eind april 1636 werd de vesting na een onophoudelijk bombardement heroverd. Het Franse leger had zich in februari, nog maar 9.000 man sterk, al naar Frankrijk teruggetrokken. De gezamenlijke veldtocht van 1635 was een fiasco geworden en met de Fransen werd overeengekomen in het vervolg apart van elkaar te opereren. Wel hielden de twee partijen overleg om de plannen op elkaar af te stemmen.
Naast opperbevelhebber van het leger was Frederik Hendrik admiraal-generaal van de vloot, die gebruikt werd om het land, de handel en de visserij te beschermen tegen de Duinkerker kapers, Spaanse schepen en eventuele Engelse overlast. Onmogelijk kon hij beide functies waarnemen en daarom benoemde hij een luitenant-admiraal die de controle kreeg over de vloot. Zijn keuze viel na de dood van Piet Hein in 1632 op zijn vertrouweling Filips van Dorp, wiens admiraalschap een grote mislukking werd door een gebrek aan bekwaamheid en leiderschapskwaliteiten. Uiteindelijk werd hij in 1637 teruggeroepen en afgezet om plaats te maken voor
Na de verovering van Breda werd het steeds moeilijker voor Frederik Hendrik geld los te krijgen bij de provincies en voornamelijk bij Holland, de belangrijkste vande zeven. Daar had ondertussen de remonstrantse factie de overhand en die was tegen het voortzetten van de oorlog en wilde het leger inkrimpen. Frederik Hendrik zag zijn missie echter niet als volbracht. Hij wilde op zijn minst nog Antwerpen veroveren. Het bleef echter bij de verovering in 1641 van Gennep en de Zeeuws-Vlaamse steden Sas van Gentdrie jaar later en Hulst in 1645. Dit was voor hem erg frustrerend, omdat Spanje militair gezien er slecht voorstond.
Zo was de Spaanse vloot onder de zuidkust van Engeland door Maarten Tromp eind oktober 1639 vernietigend verslagen in de Zeeslag bij Duins en het landleger van Spanje was bij de Slag bij Rocroi in mei 1643 onder de voet gelopen door de Fransen, waarmee de Republiek nog steeds een aanvalsverdrag had. Dat bood kans op meer militaire successen in de Zuidelijke Nederlanden, maar dat hadden de Hollanders er niet meer voor over. Frankrijk benutte die mogelijkheden wel en veroverde meerdere steden op de Spanjaarden. Wel werden er door het Staatse leger diverse pogingen gewaagd om Antwerpen te veroveren, zoals in 1638. Door het toen lange wachten van Frederik Hendrik met het inzetten van het hoofdleger werd zijn vooruit gestuurde neef Willem van Nassau verslagen bij de Slag bij Kallo.[32] In 1646 deed de stadhouder een laatste poging Antwerpen te herwinnen; hij sloeg een beleg voor de stad, maar slaagde opnieuw niet.
Toen in 1640 de stadhouder van Friesland, Stad en Lande en Landschap Drenthe Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz overleed, die in 1632 zijn vader Ernst Casimir opvolgde, wilde zijn broer Willem Frederik van Nassau-Dietz de functie overnemen. Hij zocht daarvoor steun bij Frederik Hendrik, maar die wilde zelf stadhouder worden. Ook de Staten-Generaal wilden dat - bij de stemmingen onthielden de afgevaardigden van Friesland en Stad en Lande zich - en stuurden een delegatie naar de Friese Provinciale Staten om voor hem te pleiten. Voordatdie arriveerde, werd Willem Frederik door Friesland benoemd tot stadhouder. In de gewesten Stad en Lande en Drenthe daarentegen werd Frederik Hendrik aangesteld. Erg blij was Frederik Hendrik niet dat Friesland aan hem voorbij ging en als vergelding kreeg Willem Frederik geen hoge rang in het Staatse leger.
Sinds 1643 was de macht van Frederik Hendrik afgenomen tegenover de Staten. Toen de stadhouder in 1643 in Vlaanderen gelegerd was, wilde hij in Hulst een stormaanval uitvoeren op fort Nassau, maar dat werd ontraden door de gedeputeerden te velde. Tijdens een krijgsberaad kwamen alternatieven naar voren, zoals een aanval op Sluis, Lier, Herentals of Oostende, maar omdat er berichten waren dat een Spaans leger onderweg was, kozen alle kolonels voor een vertrek en een aanval langs de Maas op Venlo en Roermond. De gedeputeerden uit Gelderland, Holland en Zeeland eisten daarentegen dat hij in Vlaanderen bleef. Omdat Holland de grootste geldschieter was, woog de wens van dit gewest het zwaarst en Frederik Hendrik besloot te blijven. Anders dan Maurits schikte de prins minder snel naar de wensen van de gedeputeerden, dievaak andere dan militaire motieven hadden.
Net als Maurits en Willem Lodewijk was Frederik Hendrik een echte soldatengeneraal. Hij was sterk en sliep net als de andere militairen in een tent, hoewel die vanhem veel luxueuzer was. Soms deed hij, als dat volgens hem nodig was, in de voorste linies mee aan de gewapende strijd, ondanks dringende verzoeken van de Staten om dat voor zijn veiligheid aan anderen over te laten. Frederik Hendrik vond het echter te belangrijk. Dat zijn manschappen de witte pluim van zijn hoed op de gevaarlijkste plekken zagen opduiken, werkte volgens hem inspirerend.
De Engelse koning Karel I nam hem in 1627 op als ridder in de Orde van de Kousenband. Keizer Ferdinand II van het Heilige Roomse Rijk trachtte hem, vanwege zijn titel alsgraaf van Meurs, te verheffen tot rijksvorst, maar de Staten–Generaal blokkeerden dat.
In 1630 kreeg Frederik Hendrik het met de Acte van Survivance voor elkaar dat Overijssel en Utrecht vastlegden dat zijn toen vierjarige zoon Willem aangewezen werd als zijn opvolger als stadhouder in die provincies. Een jaar later volgden Holland en Zeeland en in 1632 Gelderland. De Staten-Generaal legden op 26 mei 1637 vast dat Willem bij het overlijden van zijn vader hem zou opvolgen als kapitein- en admiraal-generaal van de Unie.
Een belangrijke verbetering van zijn status werd ook de opwaardering van zijn aanspreektitel door de Franse koning Lodewijk XIII in januari 1637 van 'excellentie' naar Altesse(Hoogheid). Zodoende kreeg het stadhouderschap een monarchaal karakter. Het echtpaar wilde zich spiegelen aan Europese vorstenhuizen. Het verblijf van Frederik Hendriks' neef, de 'winterkoning' Frederik I van Bohemen en zijn vrouw Elizabeth Stuart, met hun entourage, versterkte het verlangen van het echtpaar om zijn status en dat van het Huis van Oranje te vergroten.
Spanje wilde in zijn strijd tegen de Republiek de banden met Engeland verbeteren en een huwelijk tussen Mary Stuart en de Spaanse kroonprins Baltasar Carlos zou dat moeten bevestigen. Voor de Republiek waren deze nauwere banden tussen Engeland en Spanje een bedreiging. In opdracht van Frederik Hendrik werd daarom geprobeerd een huwelijk te sluiten tussen Willem met eveneens een Engelse prinses. Karel I bood in eerste instantie zijn tweede dochter aan, zodat de oudste beschikbaar bleef voor de Spaanse kroonprins. Frederik Hendrik ging akkoord, omdat dit voor zijn prestige toch een verbetering inhield én ook op strategisch gebied voor de Republiek. De huwelijksonderhandelingen met Spanje verliepen echter zo moeizaam dat deze mislukten en Karel alsnog zijn oudste dochter afstond aan Willem.
Het paar trouwde op 12 mei 1641. Voor de Engelse koning was de uithuwelijking aan iemand van lagere stand een aanzienlijke concessie, maar hij hoopte ermee meer steun te krijgen van het parlement, waarmee hij constant overhoop lag, onder meer omdat hij de rooms-katholieken in Engeland te veel vrijheid zou geven. Door een van zijn dochters met een protestantse erfopvolger te laten trouwen, hoopte hij die kritiek te pareren. De politieke situatie in Engeland verslechterde gedurende de Engelse Burgeroorlog echter zodanig dat de Engelse koningin naar de Republiek vluchtte. Zij zocht bij Frederik Hendrik steun voor haar echtgenoot, maar de stadhouder stelde zich niet erg toeschietelijk op en wilde uiteindelijk alleen helpen, omdat hij zich daartoe gedwongen voelde door het huwelijksverdrag.
In plaats van een gewapende strijd zag hij met de Staten-Generaal meer heil in een bemiddelingspoging tussen de koning en het parlement, maar uiteindelijk werd Karel I gevangengenomen en onthoofd.
Frederik Hendriks dochter Louise trouwde met keurvorst Frederik Willem I van Brandenburg. Albertine huwde haar achterneef, de stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, Willem Frederik van Nassau-Dietz. Vanwege de familiebanden werden Engeland en Brandenburg onder de latere stadhouder Willem III van Oranje belangrijke bondgenoten van de Republiek.
Model stond het Franse hof waar veel voorschriften en modellen over bijvoorbeeld de etiquette vandaan kwamen. Vele feesten en jachtpartijen werden er gegeven. Personen die het dichtst bij Frederik Hendrik en Amalia stonden, hadden de hoogste rang en status. Tweemaal per dag tijdens het eten werd de hiërarchie van hovelingen bevestigd doordat in meerdere rondes werd gegeten. De eerste met Frederik Hendrik bevatte de beste gerechten. De latere kregen de restanten en aanvullingen van mindere kwaliteit. Door invloedrijke personen op te nemen in zijn hofhouding kon Frederik Hendrik zijn politieke steun nationaal en internationaal vergroten.
Het hof had zich onder Frederik Hendrik voor een korte tijd ontwikkeld tot een van bijna Europese allure. Dit werd mogelijk door de gunstige economische situatie, door Frederik Hendriks gedragingen als staatsman en veldheer, zijn inkomen, door zijn ambitie en kunde en niet in het minst door de hulp van zijn echtgenote Amalia. Tot een hof als in Frankrijk met zijn grote aantrekkingskracht heeft het zich echter nooit ontwikkeld. Veel calvinisten hadden grote kritiek op de geld verkwistende pracht en praal van zijn paleizen, evenals op zijn verwoede pogingen een monarchale dynastie te stichten.
Onder andere liet hij Huis ter Nieuburch in Rijswijk en Huis Honselaarsdijk in het huidige Honselersdijkbouwen, die beide niet meer bestaan. Hij verbouwde Paleis Noordeinde in Den Haag, toen Het Oude Hof geheten, en de stadhouderlijke verblijven van het plaatselijkeBinnenhof, zijn vaste onderkomen. Zijn vrouw Amalia mocht met Paleis Huis ten Bosch (destijds was de naam Sael van Oranje) een zomerhuis buiten Den Haag neerzetten, terwijl het Huis Buren en het Kasteel van Breda opnieuw werden ingericht. Zijn paleizen werden gebruikt voor grootse feesten en ontvangsten. Rondom werden uitgestrekte tuinen aangelegdmet strikt mathematische proporties en geometrische vormen. Beroemde architecten uit binnen- en buitenland waren betrokken bij het ontwerp, bouw en de aanleg van de tuinen.
Ook een omvangrijke kunstcollectie moest het aanzien vergroten. Met Amalia deelde hij zijn passie voor schilderijen, die uit 400 tot 600 werken bestond. Een deel erfde Frederik Hendrik van Maurits en zijn moeder, een deel werd geschonken door vrienden en overheden, maar het overgrote deel werd gekocht.
De collectie bevatte stukken van onder andere Peter Paul Rubens, Jan Lievens, Gerard van Honthorst, Cornelis van Poelenburch en Anthony van Dyck. Van Rembrandt van Rijn werden tussen 1625 en 1633 dertien schilderijen aangeschaft.
In Huis ten Bosch werd na de dood van Frederik Hendrik door Amalia de Oranjezaal aan hem opgedragen. De muren en het plafond werden in de jaren 1648-1652 beschilderd met voorstellingen uit zijn leven. Hij werd afgebeeld als een door God aangestelde vorst, waarbij zijn daden endeugden op heroïsche wijze verheerlijkt werden.
Door zijn grote uitgaven aan de bouw- en tuinkunst, portretkunst en mode heeft het stadhouderlijke paar een belangrijke bijdrage geleverd in de ontwikkeling van deze kunsten in de Republiek.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Frederik Hendrik van Oranje | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
(1) 1625 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Amalia von Solms | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
(2) | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.