Een poldermolen (ook wel watermolen genoemd, maar die naam geeft verwarring) is een windmolen die water van een lager niveau naar een hoger niveau verzet. Dit type molen komt vooral voor in de poldergebieden van Midden- en West-Nederland.
Anders dan de industriemolen bijvoorbeeld een korenmolen, een papiermolen of een zaagmolen waar de bewerking en productie van materialen een verkoopbaar product oplevert, is de poldermolen wellicht het enige type molen waar geen direct gewin voor demolenaar verkregen wordt. De poldermolen is meestal in het bezit van een waterschap, dat de molenaar voor bewezen diensten beloont. Bij een poldermolen is het aangedreven werk (de vijzel of het scheprad) vast opgesteld. Bij een houten achtkante poldermolen is de kap draaibaar en bij een wipmolen en spinnenkop het bovenhuis, waardoor de wieken op de wind gekruid worden. De spinnenkop is een kleine poldermolen. De tjasker is nog kleiner, rust op een paal of bok en is geheel draaibaar. Ook is ernog een weidemolen, die zichzelf op de wind zet.
Benaming
De benaming van molentypen levert nogal eens verwarring op. De naamgeving kan per streek variëren, een bepaald molentype kan bekend staan onder verschillende namen. Het omgekeerde komt ook voor: verschillende molentypen staan bekend onder dezelfde naam. Bijvoorbeeld, een watermolen is ook een molen die water als drijfkracht gebruikt. Daarom spreken we in dit lemma liever van poldermolen.
Geschiedenis
De vroegste tot op heden bekende windgedreven poldermolen werd vermeld in de Bourgoyenmeersen te Gent in 1316 als de "hoesse molen" (Hoosmolen). In het begin van de 15e eeuw werd in de omgeving van Alkmaar voor het eerst in Nederland gebruikgemaaktvan poldermolens; de eerste werd in 1407 in gebruik genomen. Het idee bleek in de praktijk succesvol en weldra verschenen er door het land meer exemplaren. In de eeuwen daarna werd de poldermolen een belangrijk instrument bij de beheersing van de Nederlandse waterhuishouding. Tot de komst van de stoomgemalen vanaf de 19e eeuw en de elektrische gemalen in de 20e eeuw waren de poldermolens het belangrijkste hulpmiddel om polders droog te malen.
Verschillende typen
Er bestaan verschillende typen poldermolens. Op de bovenste foto staat een achtkante poldermolen (een Noord-Hollandse binnenkruier). Andere typen poldermolens zijn de tjasker, de spinnenkop, wipmolen, weidemolen en de Amerikaanse windmotor.
Werking
Een poldermolen maakte oorspronkelijk gebruik van een scheprad om het water naar een hoger niveau te scheppen. Met deze techniek kan een molen het water ongeveer anderhalve meter opvoeren. Scheprad in werkingMet de toepassing van de vijzel (schroefvan Archimedes) vanaf de 19e eeuw kon de opvoerhoogte vergroot worden tot 4 à 5 meter. Het water gaat bij een molen met en scheprad vanuit de polder door het krooshek, de achterwaterloop met de krimpmuren en wordt via de opleider door het schepradvoortgestuwd over de slagdorpel en langs de slagstijlen van de wachtdeur, door de voorwaterloop, de boezem in. De wachtdeur zorgt ervoor dat het water bij stilstaande molen niet terug de polder inloopt. De overbrengingsverhouding bij een molen meteen scheprad is 1 : 0,5. Dus bij twee omwenteling van de bovenas gaat het scheprad één keer rond. Als de molen sneller draait dan 90 - 100 enden (wieken) (22,5 - 25 omwentelingen van de bovenas) wordt water over de kop van het scheprad gegooid en stroomt dus weer terug. Dit wordt over de kop malen of een wit paard malen genoemd. Bij een vijzel spreekt men in zo'n geval van over de balk gooien. Een molen met een vlucht van ongeveer 27 m kan bij 90 - 100 enden 60 - 70 m³ water per minuut ruim1 meter opvoeren. De formule hiervoor is K = n x b x t x 2 p (R - ½t) - 10% lekverlies. K is de hoeveelheid m³ water per minuut, n het aantal omwentelingen van het scheprad, b de schoepbreedte in meters, t de tasting (steektediepte van de schoep in het water), p is 3,14 en R de halve diameter van het scheprad.
Molengang
Als het te overwinnen niveauverschil groter is dan een molen aan kan worden er meerdere molens geplaatst. Als twee of meer molens het water van eenzelfde lage waterpeil naar eenzelfde hoger waterpeil, de boezem, verplaatsen, wordt dit een molenganggenoemd. Indien het water over een grotere hoogte moet worden verplaatst dan wat één molengang maximaal aan kan, dan worden meerdere opeenvolgende molengangen gebouwd. Dit komt vooral voor bij diepgelegen polders. Dit wordt getrapte bemaling genoemd. Als er ook nog door een molen uit een diep gedeelte van de polder gemalen wordt, heet deze molen een putmolen. In de praktijk bestaat een molengang uit drie of vier trappen met soms een putmolen:
de ondermolen maalt het water vanuit de polder in de onderboezem;
de middenmolen maalt het water uit de onderboezem in de tussenboezem;
de bovenmolen maalt het water in de ringvaart.
de strijkmolen maalt het water van de ene boezem naar de andere boezem.
Nederlands bekendste molengang staat in Kinderdijk.
Zij is getrouwd met Albert Langenberg.
Zij zijn getrouwd
Kind(eren):
Anna Britsma | ||||||||||||||||||||||||||||||||||