Rechtbank te Zwolle
Uit de volgende zaak bleek weer de waarheid uit het middel-Nederlandsche spreekwoord: "swagers synt nimmermeer beter vrienden dan veer van den anderen."
P. Mastebroek, 27 jaar, arbeider te Zwartsluis, gedagvaard ter zake, dat hij in den nacht van 16-17 Augustus zijn zwager W. Mars heeft mishandeld en bloedend verwond. Getuige Mars, van Kampen, buiten eede gehoord, doet verslag van 't gebeurde. Beklaagde liep hem achterna met een ander. Hij werd door beiden aangegrepen en door beklaagde met een scherp voorwerp gesneden. Beklaagde ontkent iets gedaan te hebben en zegt dat hij zelf geslagen is. Getuige B. Hollander heeft wel gezien dat er gevochten is, maar weet niet zeker of beklaagde er bij was; wel zag hij dat Mars bloedde. De verdere getuigen hebben allen zeer weinig van den twist gezien. Beklaagde blijft ontkennen en zegt dat Mars het steeds op hem gemunt heeft en hem ook geschopt heeft.
De officier acht het feit niet bewezen en requireert vrijspraak.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 17 oktober 1890
Rechtbank te Zwolle
De rechtbank heeft heden het navolgende vonnis gewezen:
P. Mastebroek, arbeider te Zwartsluis, ter zake van mishandeling, vrijgesproken.
Ongeregeldheden te Zwartsluis!
Door eenige ontevreden lieden te Zwartsluis die voor het meerendeel des zomers goede verdiensten hebben, maar voor den winter niets overhouden, was reeds sedert eenige dagen gedreigd, dat men op Oudejaarsavond met de politie eens afrekenen zou. Met het oog daarop waren er eenige maréchaussees aanwezig, voorts bestond de politiemacht uit een brigadier, een veldwachter en drie nachtwakers.
Voor het sluitingsuur der herbergen (11 uur) was het vrij rustig op straat, maar daarop begon het rumoerig te worden. Vele nieuwsgierigen voegden zich bij het troepje levenmakers en het duurde niet lang of een paar glasruiten moesten het ontgelden; bij een vijftal ingezetenen werden er eenige ingeworpen. Korten tijd daarna kwam het in het Buitenkwartier, een betrekkelijk smalle straat, tot een ernstige botsing tusschen de politie en eenige belhamels.
Zekere A.C. Blei, iemand die met de politie meermalen in aanraking is geweest, wierp zich op den brigadier De Ruiter, ontrukte hem zijn karabijn en legde op een marechaussee aan; een collega van dezen, die achter hem stond, schoot daarop Blei neer; de kogel had hem de hersenpan verbrijzeld. Er is vervolgens nog gevochten en geschoten. Jacob Tuin kreeg daarbij een sabelhouw op het hoofd. Laske een schot door den pols, Piet Mastebroek een schampschot over jachtvest en mouw. De troep is daarop uit elkaar gestoven.
Om 3 uur werd het lijk van Blei in het ziekenhuis gebracht. Des nachts en ook den volgenden dag bleef het rustig. 's Middags kwam de justitie uit Zwolle en de kapitein van de marechaussee. Voorts werd in den loop van den Zondag de politie versterkt met 3 brigadiers en 3 huzaren te paard.
Zondagmiddag had er nog een kleine schermutseling plaats, toen Piet Mastebroek (die samenwoont met een zuster van Blei's vrouw) het lijk aan het ziekenhuis, waar een der nachtwakers oppasser is, kwam opeischen. De wachter ging daarop de hulp der politie inroepen, maar werd, toen hij van het gemeentehuis terug komende, Mastebroek tegenkwam, met dezen handgemeen. Op het gezicht van de inmiddels toegeschoten hulp zette Mastebroek het op een loopen, doch werd door den kastelein H. Slot gevat en op den grond geworpen. Hij werd door de marechaussees gepakt en met Laske gevankelijk naar Zwolle vervoerd.
De rust is verder niet verstoord.
Zw. Ct.
De Tijd 4 januari 1893
Zwolle, 2 Jan. Heden-ochtend 11½ uur zijn uit Zwartsluis alhier gevankelijk aangebracht twee der belhamels, gisteren door de justitie aldaar gearresteerd, zijnde zekere Mastenbroek en Lassche. De eerste bekwam Zaterdag-avond een schampschot langs den buik, terwijl Lassche een schot in den arm boven de pols bekwam. Ze zijn naar het Huis van Arrest overgebracht.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 25 februari 1893
Rechtbank te Zwolle
Voorzitter mr. J. S. van Roijen. Openbaar ministerie mr. Roosenburg.
Het gebeurde te Zwartsluis op den Oudejaarsavond en den Nieuwjaarsmorgen werd gisteren beknopt vermeld. Een meer uitvoerig verslag dient te volgen.
Daar in den laatsten tijd ook aldaar van eenigen zucht tot verzet was gebleken en 't bekend was geworden, dat men zich voorstelde op den Oudejaarsavond de politie eens een gevoelige les te geven, was de betrokken autoriteit op mogelijke rustverstoring bedacht geweest.
De politiemacht was met eenige beambten versterkt. Drie marechaussees, Prijs, Zuidam en Somers, waren aangewezen om hun bedreigde ambtgenooten in hun moeitevolle taak bij te staan. Dit was zeker niet onnoodig, want zij die het afkeurenswaardige voornemen hadden opgevat, toonden maar al te zeer dat zij vrienden waren van de daad. Of het nu ook deze zijn, welke gister ter terechtzitting van de rechtbank zich over hun gewelddadig optreden tegen de politie hadden te verantwoorden, kan niet met zekerheid worden gezegd; doch zeker is het, dat zij in 't afschuwelijk spel een eerste viool speelden.
Twee van hen, nl. Piet(er) Mastebroek, oud 29 jaar, visscher en tapper, en Johannes Lassche, oud 33 jaar, arbeider, beiden te Zwartsluis woonachtig, die zich in voorloopig arrest bevinden, worden, gestoken in hun gevangenispak, de gerechtszaal binnengeleid, terwijl de beide anderen, Hendrik van de Wetering., oud 23 jaar, koopman, en Albertus Volken, oud 28 jaar, arbeider, uit vrijen wil uit hun woonplaats Zwartsluis zijn gekomen, om hun zaak te bepleiten.
Reeds de stemming, die in den vroegen avond van het oude jaar in de tapperij van Piet Mastebroek heerschte, leverde het bewijs dat er iets gaande was. Toen dan ook op het bij plaatselijke verordening bepaalde uur - 11 uur - de gemeenteveldwachter Split die tapperij kwam sluiten, verwijderden zich de daar aanwezige personen niet dan onder teekenen van hevig misnoegen. Men scheen er ook niet aan te denken om huiswaarts te keeren: men bleef buiten de tapperij staan. Spoedig sloten zich bij hen eenige nieuwsgierigen aan, zoodat weldra een schare van ongeveer 40 personen was samengeschoold. Behoefte scheen men te gevoelen om uiting te geven aan de misnoegde stemming en die gelegenheid bood zich aan toen de burgemeester van Zwartsluis in gezelschap van den rijksveldwachter De Ruiter voorbij ging. Deze werden eerst met kiezelsteentjes, daarna met grootere steenen achterna geworpen. Geen van beiden stoorde zich daar evenwel aan: integendeel, na een eindweegs voortgewandeld te hebben, keerden zij terug en gedoogden het toen ook, na de massa weer gepasseerd te zijn, dat diezelfde handeling werd herhaald. Zij gingen verder en ontmoetten kort daarop de 3 marechaussee's, alsmede den gemeenteveldwachter Split. De politiebeambten gingen nu gezamenlijk terug, maar toen zij de brug over de Aremberg schutsluis passeerden, die zich onmiddellijk in de nabijheid van de tapperij van Piet Mastebroek bevindt, werden zij weder met steenen gegooid, waarvan een der marechaussee Prijs aan den linkerarm trof. Zij gingen de brug over, en aan den anderen kant gekomen overlegden zij, dat Prijs en Split dezen weg zouden vervolgen, terwijl de drie overigen zouden retourneeren. Aldus geschiedde, maar toen laatstgenoemden de massa volk weer voorbij trokken, hadden enkelen op nieuw de brutaliteit om met steenen te werpen. Dit verbitterde den rijksveldwachter De Ruiter, hij draaide zich om en sommeerde het volk om uit een te gaan. Toen daaraan evenwel na herhaalde vordering niet werd voldaan, trok hij zijn hartsvanger en dreef de menigte, daarin bijgestaan door de andere politiebeambten, uiteen. Bij dit optreden werd een zekeren Tuin verwond, die, toen hij eenigen tijd later onder politiegeleide zou worden weggevoerd, door enkele belhamels aan die handen weder werd ontrukt.
Na dit tumult begrepen de politiebeambten, dat de zaak eene ernstige wending begon te nemen. De rijksveldwachter De Ruiter snelde dan ook naar huis, om zijn karabijn te halen, en toen hij kort daarop zich weder bij zijn zijne confrères voegde, werd er overlegd, wat hun te doen stond. Ziende dat de schare onderwijl was afgetrokken, besloot men op aanraden van De Ruiter zich schuil te houden, wellicht zou zij dan kalm blijven. Aldus geschiedde, doch men kon niet lang bij het genomen besluit volharden, want bijna onmiddellijk daarna kwam een man tot hen gesneld met de mededeeling, dat de oproerige bende zich onledig hield met het inwerpen der glasruiten. Onmiddellijk begaven zij zich daarheen en toen zij voorbij de tapperij van Piet Mastebroek kwamen, zagen zij dat de schare aldaar verzameld was, zich den drank, die door Mastebroek haar werd aangeboden, goed latende smaken.
De beambten liepen door en posteerden ongeveer 50 à 60 meter verder zich op de stoep van het huis van den kleermaker Snijder, afwachtende de dingen, die komen zouden. En de door den drank nog opgewondener geworden oproerlingen lieten niet lang op zich wachten en bezorgden de politie aan de stelling, die niet met 't oog op een eventueele verdediging door hen gekozen was, eenige benauwde oogenblikken. Zij werden tegen den muur aangedrukt; men greep hen bij de kolven der karabijnen, kortom men was volkomen in de macht van hen, die reeds menig bewijs dien avond hadden afgelegd, het niet goed met de politie te meenen. Bij deze gelegenheid weerde zich voornamelijk Blei, die later door een kogel doodelijk getroffen werd, en Mastebroek Deze laatste ging op den rug liggen en slaande met armen en beenen, tierde hij zich als een razende. De politie verkeerde niet in een benijdenswaardige positie. Het getuige dan ook van den krijgsmansblik van De Ruiter, toen hij op een gegeven oogenblik van de omstandigheden partij trok, om zich uit de knel te helpen en zijn confrères beduidde, hem in dat voorbeeld na te volgen. Ook dezen bevrijdden zich, uitgenomen, zooals hem een oogenblik later bleek, Somers, die opgehouden werd door de 4 beklaagden, eindelijk aangegrepen en tegen de muur geslingerd. De gemeenteveldwachter Split kwam hem echter verlossen.
De vijandelijkheden namen hiermede evenwel nog geen einde. De menigte achtervolgde hen en de belhamels gingen zelfs tot handtastelijkheden over. Zij beproefden namelijk de aaneengesloten politiemacht te splitsen, om dan met ieder van hen afzonderlijk schuldvereffening te kunnen houden. Dit liep den rijksveldwachter De Ruiter toch een beetje te erg. Hij greep naar zijn karabijn en vuurde een schot in de lucht af. Dit scheen echter wel olie in 't vuur, want men schoot op hem toe, stompte hem rechts, stompte hem links, zoodat hij eindelijk op den grond viel, waarna men hem het karabijn, dat hij onmiddellijk weder geladen had, afhandig maakte. Piet Mastebroek scheen zich nu ten taak te stellen, om de rekening met De Ruiter te sluiten en bracht hem dan ook onder meer een verwonding onder 't oog toe.
Maar onderwijl dit gebeurde, was er een ander drama afgespeeld. Blei, die reeds den geheelen avond moeite had gedaan, om een vuurwapen te bekomen, door bij dezen en genen te vragen, mocht zich nu in 't gelukkig bezit van zulk een voorwerp rekenen. En hij scheen voornemens te zijn, het niet ongebruikt uit handen te leggen. Dit voornemen kostte hem evenwel het leven, want toen hij het geweer op den marechaussee Zuidam aanlegde, bracht de marechaussee Prijs schielijk de karabijn aan 't hoofd, trok af en joeg Blei een kogel door 't hoofd.
Na dit treurig voorval, dat schijnbaar niet onmiddellijk door allen werd opgemerkt, had er nog een kleine schermutseling plaats, waarbij de marechaussee's zich met revolverschoten verdedigden en daarna ging men schielijk uiteen. Het was evenwel Piet Mastebroek die nog weder terugkwam, wellicht om de gevallen makker te wreken. Telkenmale verscheen hij met eenige steenen gewapend, die hij naar de politie wierp. Eindelijk gaf ook hij er evenwel de brui van, toen de marechaussee Prijs hem eenzelfde lot als zijn makker Blei voorspelde, indien hij zich niet spoedigl uit de voeten maakte. Toen ging Mastebroek, al beweerde hij, dat een gelijktijdig genieten van 't aardsche leven door de politie en hem tot de onmogelijkheden was gaan behooren.
De beklaagden ontkennen allen in meerdere of mindere mate. Albertus Volken zelfs geheel. Piet Mastebroek accepteert slechts het hem ten laste gelegde steenen gooien. Hendrik van de Wetering wendt onwetendheid voor en wil de ongeloofwaardigheid der hem ten laste gelegde feiten op grond van zijn klein postuur bepleiten.
De officier van justitie, mr. Roosenburg, bekomt thans het woord en zegt: Wanneer onder de Romeinsche Republiek de staat gevaar dreigde, kwam er een waarschuwing van de zijde der consuls, waarvoor steeds de formule werd gebruikt: "Caveant consules ne quid detrimenti respublica capiat."
Deze formulie had ook op den 31 December jl. te Zwartsluis dienst kunnen doen. Want het op den avond van dien dag plaats gegrepen feit is van hoogst ernstigen aard. In de dagvaarding is aan den beklaagden wederspannigheid ten laste gelegd, maar het gold werkelijk een ernstig oproer. Wat de oorzaak van al die ongeregeldheden is, is een vraag, waarop geen bevredigend antwoord kan gegeven worden. Er is niets van gebleken, dat bij het publiek ernstige grieven tegen de politie bestonden. Het zal dan ook hoogstwaarschijnlijk wel weer gegaan zijn zooals in den regel, het volk heeft zich laten opwinden door eenigen die het slecht men hen meenen.
Alvorens tot een uiteenzetting der feiten over te gaan, wenscht Z.E.A. een woord van lof aan de politie te brengen voor haar bezadigd optreden. Zij heeft niet dan in de uiterste noodzakelijkheid van de wapenen gebruik gemaakt en al valt het nu ook te betreuren, dat het bloed gevloeid is, zonder eenigen twijfel was het gebiedende noodzakelijkheid voor hen om aldus te handelen. Het gold hier een daad van wettige zelfverdediging, want het uit complex van feiten blijkt met overtuigende klaarheid, dat de toeleg bestond om de politie een nederlaag toe te brengen. Dit blijkt uit het herhaalde geroep: "de sluis in", dit wordt duidelijk uit de gewelddadige aanranding van den marechaussee Somers.
Een waardeerend woord voor haar nauwgezette plichtsvervulling meent spreker der politie niet te mogen onthouden doch hij hoopt en vertrouwt, dat, wanneer straks het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, de regeering hun, die het op dien avond zoo zwaar te verantwoorden hebben gehad, een rechtmatige belooning niet zal onthouden.
Thans overgaande tot behandeling der vraag, of de ten laste gelegde feiten aan beklaagden bewezen zijn, merkt spreker op, dat de tegenstrijdigheid, die in enkele opzichten in de verklaring van de getuigen bestond, een pleidooi houdt voor de juistheid van het gerelateerde. Men heeft hier immers niet met een feit, maar met een reeks van feiten te doen, en nu spreekt het wel van zelf, dat de handeling ter 11½ uur niet volkomen identiek was aan die te 12½ uur.
En nu zijn in al die geconstateerde feiten twee hoofdmomenten aan te wijzen, nl. dat wat in de voornacht is voorgevallen en dat wat een aanvang heeft genomen te 1½ uur circa, toen men de politie op de stoep bij Smit in 't nauw drong. Voor het in den voornacht plaats gegrepene, zich bepalende tot het werpen met steenen en ingooien van glasruiten, kunnen geen bepaalde personen worden aangewezen. Anders is 't gesteld met het tweede hoofdmoment, dat plaats greep nadat Mastebroek aan het volk jenever had geschonken. Uit het getuigenverhoor is ten duidelijkste gebleken, dat de 4 beklaagden in meerdere of mindere mate zich daaraan schuldig hebben gemaakt. En wat hiertegen door de getuigen à décharge wordt ingebracht, beteekent zoo weinig, dat het spreker geen enkel oogenblik kan schokken in zijn overtuiging van de juistheid van het aan hun ten laste gelegde.
Welke straf dient nu aan beklaagden te worden opgelegd?
Z.E.A. meent, dat de wet hier in haar volle gestrengheid moet worden ten uitvoer gelegd. Dit belemmert evenwel niet om rekening te houden met de straf die Johannes Lassche reeds in de verwonding van zijn arm heeft bekomen en welke hem geheel of ten deele zal ongeschikt maken voor eenigen arbeid. De officier qualificeert het hun ten laste gelegde feit als: wederspannigheid door twee of meer personen met vereenigde krachten gepleegd, lichamelijk letsel tengevolge hebbende, en vordert dat Piet Mastebroek zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar en 6 maanden, Johannes Lassche tot 6 maanden, Henderik van de Wetering en Albertus Volken ieder tot 1 jaar en 6 maanden, de eerste beiden onder aftrek der straf, die zij in voorloopige hechtenis zullen hebben doorgebracht van de dag hunner arrestatie af tot aan de uitspraak van 't vonnis.
De verdediger der eerste beide beklaagden, mr. B.R. Roijer, ziet in het voorgevallene een der vele zaken die als gevolg van 't optreden eener zekere partij aan de orde van de dag zijn. De aanvoerders blijven achter de schermen en uiten door het onderontwikkelde volk hun haat tegen de maatschappelijke instellingen. Spreker releveert dit niet om het optreden van beklaagden te vergoeilijken, doch om te doen uitkomen dat de volle verantwoordelijkheid voor 't bedrevene niet op hun schouders gelegd mag worden. Want dat het verzet tegen de politie door opruiing van die zijde is gekweekt, bewijst het reeds lang te voren bekende plan, om op Oudejaarsavond een socialistische betooging te houden. Spreker erkent dat de politie het op dien avond zwaar te verantwoorden heeft gehad, maar juist daarom mag men de verklaring niet zonder aarzeling, niet dan na nauwgezette overweging en met groote voorzichtigheid aanvaarden. Ten bewijze hiervan wijst pleiter op de tegenstijdigheid van 't geconstateerde op sommige punten en concludeert ten slotte dat Johannes Lassche zal worden vrijgesproken, terwijl hij voor Piet Mastebroek een mildere toepassing der betrekkelijke wetsbepaling vraagt.
Het comische element ontbrak ook al weer niet aan dit tragische feit. Nadat Hendrik van de Wetering zijn verdediging met enkele woorden had voorgedragen, hield Albertus Volken zijn pleidooi, een moordkuil der Nederlandsche taal, waarvan de slotwoorden aldus luidden: En op grond hiervan, Edelachtbare heren, acht ik de mij ten laste gelegde feiten niet bewezen en vraag ik vrijspraak. De president liet hem uitspreken en bepaalde de uitspraak van het vonnis op Donderdag 2 Maart a.s.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 3 maart 1893
Rechtbank te Zwolle
De rechtbank heeft heden de navolgende vonnissen gewezen:
Piet Mastebroek, 29 jaar, visscher en tapper, Johannes Lassche, 33 jaar, arbeider, Hendrik van de Wetering, 23 jaar, schoenmakersknecht en Albertus Volken, 28 jaar, arbeider, allen te Zwartsluis, wegens wederspannigheid op 31 December jl. aldaar, no. 1 tot 2 jaar, no. 2 tot 6 maanden gevangenis, onder aftrek der preventieve hecht, nos. 3 en 4 ieder tot 1 jaar gevangenis.
Rechtbank te Zwolle
Piet Mastebroek te Zwartsluis zou op 14 Dec. in zijn herberg H. Moorman hebben geslagen en geschopt. De kwestie liep over het verhuren van vischwater. Beklaagde beweerde dat hij eerst was aangevallen en op den rug geslagen. Eerst was er twist ontstaan tusschen zekeren Blei en beklaagde. H. Moorman wilde eens toonen hoe hij geschopt was en stroopte daartoe, ondanks het verbod van den president, zijn kous af. De gebroeders Moorman beweerden verder, dat toen Blei uit huis was, alle deuren gesloten waren en zij er eerst niet uit konden. Ook hadden zij tegen beklaagde een klacht ingediend wegens drankwetovertreding. Blei betoogde dat H. Moorman was opgesprongen, waarschijnlijk om hem te helpen. Getuige Lassche verklaarde dit ook. Deze had de vechtpartij niet gezien, maar wel gehoord. Alle partijen waren blijkbaar wel niet dronken, maar gingen toch wel van de leer uit, dat een paar borrels niet schaden. Bekl. verklaarde dat, toen de gebr. Moorman de achterdeur uit waren, zij hem door de ruiten nog hadden getart, naar buiten te komen.
Het O.M. meende dat de schuld vaststond. Beklaagde heeft reeds meerdere veroordeelingen achter de rug, waaronder vrij zware. Eisch 14 dagen gevangenisstraf.
De verdediger, mr. S. Gratama, meende dat de eerste twee getuigen het er op toe hebben gelegd beklaagde ten val te brengen. Zoo hebben zij o.a. bij hem een borrel gebruikt en er daarna bij de politie aangifte van gedaan. Bovendien heeft H. Moorman er zijn best voor gedaan een vechtpartij uit te lokken. Hun verklaringen kloppen bij lange niet met die van de getuigen à décharge Blei en Lassche. In 16 jaar is beklaagde slechts 4maal veroordeeld en dat is niet veel, als men den toestand in Zwartsluis kent. Beklaagde is uitgedaagd door Moorman en beiden waren niet vrij van sterken drank. Pleiter vroeg vrijspraak, omdat het bewijs z.i. ontbrak.
Uitspraak over 8 dagen.
(1) Hij is getrouwd met Wichertje Mars.
Zij zijn getrouwd op 21 juli 1887 te Zwartsluis, hij was toen 24 jaar oud.Bron 1
Het echtpaar is gescheiden 10 april 1895 te Zwolle.
(2) Hij is getrouwd met Margien Uiterwijk.
Zij zijn getrouwd op 6 juli 1895 te Zwartsluis, hij was toen 31 jaar oud.Bron 8
Kind(eren):
Pieter Mastebroek | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
(1) 1887 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Wichertje Mars | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
(2) 1895 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Margien Uiterwijk | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 10 oktober 1890
Rotterdamsch Nieuwsblad 4 januari 1893
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 30 januari 1903
BS Zwartsluis 1897 geb. akte 46
BS Zwartsluis 1908 geb. akte 48
BS Zwartsluis 1936 ovl. akte 14
BS Zwartsluis 1895 huw. akte 14