INGEZONDEN.
In de Leeuwarder Courant van 4 Sept. jl. komt onder de rubriek „binnenland" een bericht uit Schiermonnikoog van den 1 dezer voor. 't Zou volstrekt niet in mijn plan liggen op die mededeeling antwoord te geven, ware het niet, dat ik er zeer „eervol" in vermeld werd. 't Schijnt, dat uwen berigtgever mijn naam „onsterfelijk" heeft willen maken. Jammer echter, dat een dagblad zoo spoedig bestemd is tot scheur- of papillottenpapier, etc. en mijne „onsterfelijkheid" dus heel gauw zal opgehouden hebben te bestaan, 'k Zou echter den schrijver voor mijne „eervolle" vermelding mijnen hartgrondigen dank betuigen, ware het niet, dat in zijn bericht eene „karikatuur-teekening schijnt door te schemeren, want hij, die te Schiermonnikoog zoo op de hoogte is van de zaken, den burgerlijken stand betreffende en die zoo juist weet te vertellen, dat de waarnemende burgemeester aldaar, volgens art. 5 der wet van 1 Juni 1865, een consent tot begraving van een overledene weigert af te geven — iets wat ik sterk betwijfel, daar ik dien loco burgemeester in de verste verte geen de minste wetkennis zou durven toedichten — zoo iemand moest ook met den aard en de geschiedenis der bewuste „instructie", die mij indertijd te Schiermonnikoog werd uitgereikt, zeer nauw bekend zijn.
Ik voor mij, protesteer tegen de „onjuiste" mededeeling, dat ik binnentijds Schiermonnikoog zou hebben verlaten. Toen ik in 1869 zou solliciteeren naar Schiermonnikoog, vroeg ik vóór dien inlichtingen bij den burgemeester en tevens bij den aldaargevestigden geneesheer. Van beide heeren ontving ik mededeelingen, die mij noopten naar de vaceerende betrekking te dingen, doch bij die mededeelingen sprak geen van beiden over eene bestaande „instructie." Den 25 Maart 1869 werd ik als geneeskundige te S. benoemd; den 26 daaraanvolgende werd mij van die benoeming bericht gegeven, doch zonder mededeeling, „dat ik mij zou te houden hebben aan eene verbindende instructie, die mij bij de aanvaarding van mijne betrekking zou worden uitgereikt."
Den 1 Mei van dat jaar trad ik in functie, nadat ik mij reeds verscheidene dagen voor dien metterwoon in de gemeente gevestigd had. Nog werd mij 't bestaan eener „instructie" niet medegedeeld. „Ruim een half jaar" na mijne vestiging te Schiermonnikoog, overhandigde de burgemeester mij een stuk papier, dat dan de „instructie voor den geneeskundige te Schiermonnikoog" was. Bedoeld stuk werd mij onder zeer amicale uitdrukking door ZijnEd.Achtb. overhandigd en door mij, onder voorrecht van boedelbeschrijving, aanvaard. Veel wat het bevatte en wat ik meende mijn plicht te zijn, ben ik trouw nagekomen, doch veel wierp ik buiten boord, getuige de interpellaties hierover in den gemeenteraad. Al staat nu in de bewuste „instructie", dat geneesheer eorst „drie maanden na aanvrage" zijn ontslag zal krijgen, zoo meen ik hierboven duidelijk aangewezen te hebben, dat door „mijne onbekendheid met het bestaan van dit stuk, tijdens mijne vestiging te Schiermonnikoog" het voor mij „niet verbindend" was. Ik ben echter na mijne benoeming te Westerschelling niet „onmiddelijk" daarheen vertrokken. Hoewel men mij zulks niet had kunnen beletten, heb ik de gemeenteraad zes weken tijd gegeven tot oproepingen benoeming van een ander geneeskundige. Dat ik nog zes weken te Schiermonnikoog bleef, was volstrekt niet om het dagelijksch bestuur dier gemeente te verplichten, maar wel uit liefde en in 't belang der bewoners van 't eiland.
Westerschelling, 5 September 1879.
A. ZANDIJK, Geneesheer.
Met ingang van 15 dezer is de heel- en vroedmeester de heer A.N. Erkelens, eervol ontheven van het gezondheidsonderzoek van schepen voor Terschelling en Vlieland, en met dat onderzoek voor den tijd van drie jaren belast de heer A. Zandijk, heel- en vroedmeester te Schiermonnikoog.
uitgeschreven naar Terschelling
Hij is getrouwd met Maria Magdalena Sara Klasina Verhagen.
Zij zijn getrouwd op 28 januari 1859 te Goes, hij was toen 24 jaar oud.Bron 6
Kind(eren):
Adriaan Zandijk | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1859 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||