Overleden aan boord van het SS Saint Andrew op een reis van New York naar Antwerpen, en op zee begraven (50º NB / 8º WL - zo'n 90 mijl bewesten Land's End)
Hij is getrouwd met Maria Louisa Eleonora Mathilda Frackers.
Zij zijn getrouwd op 27 december 1873 te Apeldoorn, hij was toen 24 jaar oud.
Geest en Leven
Vandaag, 5 Febr. 1949, is het een eeuw geleden, dat de dichter Jacob Winkler Prins geboren werd te Tjallebert in Friesland, waar zijn vader Anthony Winkler Prins doopsgezind predikant was. Deze vader heeft zich nogal bekend gemaakt door zijn aandeel aan „Braga", een satyrisch „tijdschrift, geheel op rijm", door zijn houding tegenover de Aprilbeweging van 1853, door zijn voorzitterschap van de Amsterdamse Loge 'Nos vinxit veritas' en vooral door zijn uitgave ener encyclopaedie, die nog heden, nu er de 6de druk van verschijnt, zijn naam draagt. De eerste druk verscheen in zestien delen tussen 1869 en 1882.
In 1855, toen Jacob zes jaar was, verhuisde zijn vader naar Veendam, waar Jacob de latijnse school doorliep om daarna nog afzonderlijk wiskunde en zeevaart te bestuderen. De vacanties bracht hij bij zijn grootvader van moeders kant, Kolonel Klijnsma, door, op Lyclema Stins, „rondom in pikzwarte grachten gelegen", nabij Wolvega, niet ver van de Zuiderzee. Men herkent dit landschap zijner vacanties herhaaldelijk zijn tekenachtige gedichten, de bundels „Sonnetten" (1885), „Zonder Sonnetten" (1886) en „Liefde's Erinnering" (1887), die in 1910 nog eens verzameld uitgegeven door Joannes Reddingius, en in 1929 herdrukt.
Jacob had schildersaanleg en aarzelde tussen de Amsterdamse Academie en de Utrechtse Universiteit, maar nadat hij zakte voor zijn staatsexamen, ging hij een tijd naar Engeland, waar hij les gaf in Latijn, Grieks en Frans te Derbyshire, hetgeen hem, voor dertig pond per jaar, slecht beviel, zodat hij er weg liep en naar Veendam terugkeerde om er te trouwen met het hoofd der meisjesschool, Marie Frackers. Over zijn jeugd en Engelse ervaringen bestaat van hem een onuitgegeven hekeldicht in vier zangen, geschreven in 1879 en getiteld „Jorem en de Leellijkzoekers", dat zich vermoedelijk nog in de nalatenschap van Joannes Reddingius bevindt, die er iets over schreef in de N. R. Ct. van 25 Nov. 1929.
Met zijn vrouw ging hij, schilder en dichter, in de tachtiger jaren te Apeldoorn wonen, en toen zij gestorven was maakte hij naam als heide-ontginner te Beekbergen in Gelderland. Uit zijn verzen is duidelijk op te maken, dat hij het leven der natuur ook wetenschappelijk kende. Hij geeft het weer in genre-stukjes, waarin landschap en zeegezicht hun ogenblikkelijk uitzicht heel precies en gevoelig vastgelegd krijgen als op doekjes van Gabriël of Jongkind.
De dichter hield niet van rumoer. Hij deed niet mee aan beweging van tachtig, hoewel hij door de tachtigers zeer gewaardeerd werd. Het gedrang op begane paden hinderde hem. Hij bleef liever alleen.
Nu en dan ondernam hij reizen. Aan boord van de Saint Andrew, die hem uit Amerika terugbracht, stierf hij op 25 November 1904. Het lijk werd neergelaten in de zee. De handschriften, die hij naliet, werden voor het grootste gedeelte achteloos door een schoonmaakster verbrand.
[De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad 5 februari 1949]
Grappig genoeg geeft de hierboven genoemde zesde druk van zijn vaders encyclopedie als zijn overlijdensjaar abusievelijk 1907 (deel 18 blz 553). In de negende druk is dat weer gecorrigeerd.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Jacob Winkler Prins | ||||||||||||||||||
1873 | ||||||||||||||||||
Maria Louisa Eleonora Mathilda Frackers | ||||||||||||||||||