Willem is de enige bekende heer van Pietersheim die munt geslagen heeft.
Slechts vier munten zijn van hem bekend : een zilveren obool, waarvan men niet weet waar ze zich momenteel bevindt, een groot ,,au châtel brabançon" en een groot ,,au lion"; deze beide laatste bevinden zich in het penningkabinet te Brussel. Vermoedelijk werd een vierde munt, die zich in een particuliere verzameling te 's Gravenhage bevindt, eveneens in Pietersheim geslagen.
Gerard van Spralant verkoopt ter beëindiging van een geschil met de
abdis en het convent van de Munsterabdij te Roermond, hun de novale
tienden van zijn land dat behoort tot zijn kasteel Spralant in de paro-
chie Venraij, behalve de smalle tiend van de kasteelhoeve.
In quorum omnium testimonium presentem paginam sigillo nobilis viri mei domini
Reynaldi, comitis Gelrensis, domini Gerardi de Oyen, domini Wilhelmi de Pithersem, militum, ac meo sigillo proprio dicto conventui tradidi roboratam.
1302 september 11
Arnold V graaf van Loon etc. verklaart dat Willem*, heer van Horn, als lijftocht toegewezen
heeft aan diens vrouw Johanna van Gaasbeek al de goederen die hij van de graaf in leen hield,
uitgezonderd het kasteel van Horn. Getuigen en leenmannen: Willem van Petersheim, Jan
burggraaf van Montenaecken (en Arnoldus de Witham) (ridders).
Butkens I Trophées 222; Dülmen, archief Croy, charters Horn*. Coenen nr. 2664. Deze akte
verdient nader onderzoek (!). Kan best wel eens vals zijn.
*) Croy geeft hier Gerardus (!!).
Guillaume, seigneur de Petersem, chevalier, fait savoir que Jean Ier, comte de Namur, lui a donné une rente de 80 livres en fief. Le comte peut la racheter contre 800 livres que Guillaume devra utiliser pour acheter des terres qu'il tiendra en fief de Jean. 9 octobre 1302.
Ridder Willem doet leenhulde aan Jan van Vlaanderen, graaf van Namen, van een rente van tachtig pond.
1306 januari - april 10 en 14.
Reinald I, graaf van Gelre, en Otto I, graaf van Kleef, nemen
Gerard, heer van Horn (en Altena) gevangen en laten hem vrij
na concessies inzake het land van Altena, waarmee hij door Otto
I wordt beleend. Indien Gerard zich niet houdt aan de voorwaarden,
zullen de hertog van Brabant, de graven van Holland en
Loon, Gerard's broer Engelbert, de heren van Heinsberg, Valkenburg,
Cuyk, Diest, Otto van Cuyk, Willem van Megen, de heren
van Herpen, Cranendonk, Batenburg, Gennep, Pietersheim, Daniel
en Robbrecht van Goor, Gozewijn van Bom en Geerlach van den
Bossche, de graaf van Kleef helpen zich in Altena te handhaven.
Klaversma; Hornes p 25/6.
Gerard heer van Horn verklaart manschap verplicht te zijn aan de graaf van Kleef wegens
Woudrichem en een gedeelte van het land van Altena. Getuigen o.a. de hertog van Brabant en
de graaf van Loon. Borg voor de heer van Horn blijft Willem heer van Pietersheim.
Coenen nr. 2737
Gheraerd, heer van Hoirne, oorkondt Woudrichem en het land van
Altena, dat leenroerig is van de graaf van Kleef, en al het
goed, dat zijn vader (Willem) en zijn wijlen oudste broer Willem
in leen hielden van Kleef, nu in leen te houden van Kleef,
aangezien zijn broer Willem zonder oir was gestorven en Gheraerd
geen recht daarop had. Gheraerd is nu daarmee beleend en
is verplicht, alle eisen als leenman te vervullen. Die plichten
worden verder omschreven o.a. zal hij 20 mannen, welgeboren,
op eigen kost kunnen stellen; hij stelt als borgen en medezegelaars:
Jan hertog van Brabant, Willem graaf van Henegouwen en
Holland, Arnold graaf van Loon, Engelbert domproost van Utrecht,
broer van de oorkonder, en de edelheren Reinoud, heer van Valkenburg,
Jan heer van Kuik, Gerard heer van Diest, Otto van Kuik,
Willem van Megen, Albrecht van Herpen, Willem van Kranendonk,
Diederic heer van Batenburg, Henric heer van Gennep, Willem
heer van Pietershem, Daniel en Robrecht van Ghore, Willem van
Millen, Ghoswijn van den Borne, en Gheerlach van den Bossche,
ridders.
Op deze voorwaarde is oorkonder verzoend met de graaf van Kleef
en van zijn gevangenschap aldaar.
Wolters' Hornes, annexes nr 6.
Jan hertog van Braband bekent schuldig te zijn aan Gerard
graaf van Gulik de som van 2000 mark Keulsch in twee
termijnen te betalen waarvoor hij ten onderpand stelt al
het goed, dat heer Willem van Kemmenade in het
graafschap Gulik liggende heeft, verbindende zich
wijders, om, bij wanbetaling, met Florens Ber
taut Willem van Petersheim, Ludolf van der
Dicke kanonik van Keulen Johan van Deme,
Rode en Werner, deszelfs broeders, Henrik
van Lunchin Johan Hasart Christiaan
den ÏValen en Gillis van Huekelbach
te Gulik in leisting te komen.
Al jaren ruzieden de heer van Horn en het kapittel van Sint-Servaas in Maastricht over ieders rechten in Weert. Op 19 december van dat jaar deden twee scheidsrechters in Maastricht uitspraak. Hun oordeel: beide partijen ontvingen voortaan de helft van de opbrengst van de tienden. En de heer van Horn (Gerard I) zou gaan over de rechtspraak in het gehele gebied van Weert. Daarmee werd hij definitief de heer van Weert. Vastgelegd werd alles in dit charter, het oudste stuk in het Gemeentearchief van Weert.
Tekst transcribtie en vertaling uit het latijn deel akte van overeenkomst
Verzoening tussen kapittel van St Servaas en Graaf Gerard van Horn over goederen rechten te Weert
Actum pronuntiatum et ordinatum ac amicabiliter compositum et dictum in ambitu ecclesie sancti Servatii predicte ante ymaginem beate Virginis ibi sitam anno, indictione, die, mense et hora predictis (nl anno Nativitatis Ejusdem Domini millesimo tricentesimo sexton, indictione quarta, decimal nona die mensis Decembris hora misse) in presentia venerabilium virorum dominorum Robini de Milleb decani, magistri Watleri cantoris, Henrici de Pytersheim scolastici, Loduwici theraurarii, Jacobi de Maguncia camerarii, Gerardi de Rennenberg eleemosinarii, Danielis de Hamele, Rycaldi de Rosut, Godefridi de Andernaco, magistri Johannis dicti Bayart de Gandavo presbytorum, Ottenis de Renneberg, Ryquini de Mastrode, Johannis de Auwiria, Phillippi de Altena, Gerlaci de Vrishem, Jacobi de Rupe. Gerardi de Schonowen, Baldewini de Aureabarba, magistri Wilhemi de Bonna, Mathie de Aquis, Gherwini de Gandavo, Guidonis, Symonis fratum de Castrovillano ac Hermanni de Bilsteyne canonicorum dicte ecclesie sancti Servatii qui tunc capitulum opsius ecclesie presentabant pro se suisque successoribus ac pro ipsa ecclesia sancti Servacii Trajectensis, ac venerabilis viri domini Waiteri de Brunshorne canonici Leodiensis et Godefridi de Wertha famuli, procuratorum nobilis viri domini Geardi domini de harne et de Altena, qui procuratores nomini procuratorio pro ipso domino Gerrdo, domino de Horne et suis heredibus ac successoribus dictas pronunciationem, declarationem et ordinationen arbitri sui amicabilem compositionem arbitri seu compromissi supradicti laudarunt, approbarunt , acceptarunt, ratificarunt et in perpetuum observare promiserunt presentibus ibidem honorabilibus viris dominis Willelmo de Altera ripa viro nobili, Ogero de Haren advocato in Trajecto superior, Godefrido de Nidekem, Henrico de Lichtenberg, ejus fratre Lamberto dicto Grinyart et Theodorico de Eyenberg militibus, Brunone Supra donum scabino Trajectensi, Godefrido dicto Kenterken, Henrico dicto Murken, Alexandro, Willelmo dicto Mus, Johanne de Bride, Johanne dicto Rex, Gerardo filio Henrico quondam Mulen, Johanne de Forolignorum presbyteris capellanis, Gerardo de Rolingen, Johanne dicto Pontman, Johanne claustaruim Syberto de Buscoducis clericis choralibus ecclesie sancti Servatii predictem, Johanne filio nobilis viri domini Wilhelmi domni de Pytershem, Johanne fiio quondam domni Henrici dicti Happart de Wyc, Henrico ejus fratre, Walramo filio quondam domini Waltelini de Here, Henrico filio domini Lamberti Grinyart predicti militum, Marcario de Hoghem, Daniele Caseo, Gerardo dicto Roet, Joanne filio quondam Arnoldi Lupi, Florentio filio Egidii de Heppenart, Balduino filio Gosonis quondam de Hospitali, Gosuino de Mayo scabino in Here ac aliis quam pluribus testibus fidedignis ad premissa specialiter vocatis ac rogatis.
Vertaling
Gedaan, afgekondigd, vastgesteld en vriendelijk geregeld en geformuleerd binnen de muren van de voornoemde kerk van St. Servaas vóór het beeld van de H. Maria aldaar, in het jaar, de indictie (tijdperk van 15 jaar), dag, maand en uur allen voornoemd (in het begin van het charter, n.l. in het jaar Onzes Heren 1306, de vierde indictie, de 19e december op het eind van de mis, in aanwezigheid van achtenswaardige mannen, de heren Robinus van Millen, deken, de cantor Walterus, de scholaster (verantwoordelijk voor het onderwijs) Henricus van Pytersheim (=Pietersheim bij Lanaken), de schatmeester Loduwicus, de kamerheer Jacobus van Maguncia (=Mainz), Gerardus van Rennenberg, die de aalmoezen uitreikt, de priesters Daniël van Hamele, Rycaldus van Rosut, Godefridus van Andernacum (= Andernach), meester Johannes, genaamd Baijart van Gandavum, (en in aanwezigheid van) Otto van Rennenberg, Ryquinus van Mastrode, Johannes van Auwiria, Philippus van Alteia, Gerlacus van Vrishem, Jacobus van Rupe (= van de Rots), Gerardus van Schonowen (in voetnoot 6, pg.285 Schonouwen genoemd = Schoonhoven of Schönau), Baldewini de Aurea Barba (Boudewijn van/met de Goudbaard), meester Willelmus de Bonna (Willem van Bonn), Mathias de Aquis (Mathias van Aken), Gherwinus van Gandavum, de gebroeders Guido en Symon van Castrovillanum en Hermannus van Bilsteyne, kanunniken van genoemde kerk van St. Servaas die toen het kapittel van deze kerk vertegenwoordigden voor zichzelf en hun opvolgers en in het belang van deze kerk van St. Servaas van Maastricht, en de eerwaarde heer Walterus van Brunshorne, kanunnik van Luik en de ministeriaal (dienstman) Godefridus van Weert, procuratoren (zaakgelastigden) van de edelman heer Gerard van Horn en Altena, welke zaakgelastigden krachtens hun volmacht ten behoeve van deze heer Gerard, heer van Horn, en zijn erfgenamen en opvolgers met de genoemde afkondiging, verklaring en vaststelling van hun scheidsrechter, de vriendelijke regeling van de scheidsrechter of van de bovengenoemde scheidsrechterlijke overeenkomst hun instemming betuigd hebben, deze goedgekeurd, geaccepteerd en beloofd deze voor eeuwig in acht te nemen terwijl daar ook aanwezig waren eerzame mannen, de heren Willelmus van de Altera ripa (Willem van de andere oever/ van de overzijde van de Maas, = Wijck ), een edelman, Ogerus van Haren, advocaat in Taiectum superius (=Hoog-Maastricht = St. Pieter), Godefridus van Nidekem (= Nideggen), Henricus van Lichtenborg(h) (= Lichtenberg), zijn broeder Lambertus, Grinyart genaamd en Theodoricus van Eynenberg, ridders, Bruno Supra Donum (Bruno Bovenhuis), schepen van Maastricht, Godefridus, genaamd Kenterken, Henricus, Murken genoemd, Alexander, Willelmus, genaamd Mus (Willem (de) Muis), Johannes van Bride (Bree), Johannes , genoemd Rex (= Koning), Gerardus, zoon van wijlen Henricus Mulen (Meulen), Johannes van het Forum Lignorum (= Johannes van de Houtmarkt), priesters met de functie van kapelaan, Gerardus van Rolingen, Johannes, Pontman (= Brugman) genaamd, Johannes de kloosterwacht (bewaker van de clausuur), Sybertus van Buscoducis (= Sybertus van s-Hertogenbosch), klerken die de koorzang verzorgden van de voornoemde kerk van St. Servaas, Johannes, de zoon van de edelman , heer Willelmus (= Wilhelmus) heer van Pytershem (Pietersheijm), Johannes, zoon van wijlen heer Henrick, genaamd Happart de Wyc (= van Wijck), zijn broer Henrick, Walram , zoon van wijlen de heer Waltelinus van Here (= Heer), Henricus, de zoon van voornoemde heer Lambertus Grinyart, ridders, Marcarius van Hoghem (= Heugem), Daniel Caseus (= Kaas), Gerardus, genaamd Roet (= Rood), Joannes, zoon van wijlen Arnoldus Lupi (= Arnold Wolfs), Florentius, de zoon van Egidius (= Gielis) van Heppenart (= Heppeneer), Balduinus (= Boudewijn), zoon van wijlen Giso van het hospitaal, Goswinus van Mayus (= Goswinus van Mei), schepen in Heer en meer ander geloofwaardige getuigen, hiertoe speciaal geroepen en gevraagd.
Guillaume, seigneur de Petersem, fait savoir qu'il a cédé à Jean Ier, comte de Namur, 60 livrées de terre tournois et qu'il a ensuite repris ce bien en fief. 31 décembre 1306.
Willem belooft Jan I van Namen hij aan en diens erfgenamen 60 livres de terre au tournois
Getuige: Willelmus dominus de Pytershem
1311 januari 10 (Ruremonde) (1310?)
Huwelijksverdrag tussen Reinald, zoon van Reinald I graaf van Gelre en Zutphen, en
(Sophia) dochter van Floris Berthout, heer van Mechelen. Borgen voor Gelre: Arnold V graaf
van Loon en Willem heer van Pietersheim.
Coenen nr. 2872
Deise letter die gegeuen ware te Ruremonde int jare Vns Heren dusentich drie hundertich ende tiene des sonnendages na dructene dage. Contrat de mariage de Sophie, fille de Florent Berthout, seigneur de Malines (Meghellen), et de Mathilde (de la Mark), et de Renaud, fils de Renaud (Ier), comte de Gjueldre (Gelre) et de Maguerite (de Flandre). On y lit que le comte de Gueldre avait encore d'autres enfants parmi lesquels un fils du nom de Gui (Gyot sinen sone end andere sine kinder), et que les susdits seigneurs et dame de Malines possédaient une résidence dite ter Anderstat (1). Pleiges pour Renaud (Ier) et son fils : Jean (II), duc de Lotharingie, de Brabant et de Limbourg ; Arnould (VI), comte de Looz (Loen) ; Adolphe (VIII), comte de Berg ; Engelbert (II), comte de la Mark ; Renaud, seigneur de Fauquemont (Valkenburgh) ; Goedefroid (II), seigneur de Heinsberg (Heynsberg) : Gérard ; seigneur de Sottegem ; Gérard, seigneur de la Mark ; Gérard, seigneur de Diest (Deist) ; Arnould, seigneur de Wesemael (Wisemale) ; Gérard, seigneur de Hornes (Hurne) ; Otton, seigneur de Cuijk (Kuyke) ; Frédéric, seigneur de Schleiden (Sleyden) ; Arnould, seigneur de Quabeek (Guatbeyke) ; Guillaume, seigneur de Petersheim (Pietersheym) ; Guillaume, seigneur de Kranendonck (Cranendonck) ; Jean, seigneur de Cuijk ; Jean, seigneur de Heusden (Husden) ; Roger de Leefdael (Leuedale) ; Robert de Goor (Gore) ; Guillaume, seigneur de Boxtel (Bughstal)) ; Chrétien de Limb(o)urg (Lymurgh) ; Jean de Berlaer (Berlor) ; Daniel de Bouchout (Bouchoit) ; Arnould de Wittem (Wetheym) ; Goedefroid de Bongard (Bungarden) ; Jean de Gronsveld (Gronselt) ; Cole de Deurne (Dourne) ; chevaliers ; Guillaume de Born, Chanoine de Saint-Servais de Maastricht (Treight)) ; Guillaume de Goor (Gore), fils de messire Daniel ; et Henri de Meldert (Melderen), chevalier. Pleiges pour Florent Berthout : la ville de Malines (Meghellen), et les villages de Heyst-op-den-berg (Heiste), Berlaer (Berlor), Putte, Iteghem (Ytengeym), Rymenam, Hombeek (Honebeyke), Steen-Ockerzeel (Hockensele), Schelle, Droogenbosch (Drogenbuch) et Contich (Conteke). Ruremonde, 10 janvier 1311.
Willelmus dominus de Petersem, decimam apud Pietersem, et C libras terre apud Trajectum.
Item, idem, secundo tenet de duce ea que habet apud Rode.
Willelmus dominus de Pietersem, decimam de Pietersem, C capones III homagia. Item, X et dimidiam hovas in Lodenake.
Johannes, filius suus, relevavit.
Item nu homagia in theloneo rodensi de quolibet carru in obulos aquenses et de quadriga m sterlingas ejusdem monete .
Louis, de zoon van de koning van Frankrijk,graaf van Evreux, Jan van Vlaanderen, graaf van Namen, Gerard, sire Diest, Ernoul, Heer van Wesemale, Willame, Heer van Petershem, Henry, Heer van Duifel, Gerard Wesemale, vader van Merxem, Thomas Diest, Willame, Heer van Boucstelle, Renaud du Jardin, Daniel Bouchoute en Eruoul, Lombard van Yssche, staan garant voor uitvoering van die belofte.
Hij is getrouwd met N. van Rennenberg.
Zij zijn getrouwd
Kind(eren):
Willem II van Petersheim | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
N. van Rennenberg | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek
Nationaal Biografisch Woordenboek
Nationaal Biografisch Woordenboek (J. BROUWERS, Een muntatelier in Pietersheim, in : Limburg, jg. 54 (1975). 3-10)
Oorkondenboek van Gelre en Zutphen 1148-1326
http://www.roermond.nl/Gemeentearchief
Rijksarchief België op http://search.arch.be
Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, Deel I, 1830, door Nijhoff, blz. 91
http://www.museumweert.nl/Heersen-en-Besturen/Ruzie-bijgelegd
Codex diplomaticus Ordinis Sanctae Mariae Theutonicorum, Deel II, 1861, door J.H. Hennes, pag. 329-330
http://www.roermond.nl/Gemeentearchief en Rijksarchief België op http://search.arch.be
Le livre des feudataires de Jean III, duc de Brabant, door Louis Galesloot 1865 pag. 265-266
Le livre des feudataires de Jean III, duc de Brabant, door Louis Galesloot 1865 pag. 289
Bulletin de la Commission royale d'histoire, 4e serie, deel 9, 1881, pag. 338