Jan Geurtsz Reumelaar
Notariële akte op 23 april 1644
Notaris J. VAN STEENRE, Notaris van beroep
Constituan, de burgers:
lnge lijst inwoners van Rhenen, waaronder:
Jan Gerritss Reumelaer, wonende te Rheenen, raedt in der tyt van Rheenen van beroep
Jan Pauwelss Taets, wonende te Rheenen
Geconstitueerde: Cornelis Portengen, procureur 's hoofs van Utrecht van beroep
Het Utrechts Archief te Utrecht, Notariële archieven
Notarissen in de stad Utrecht 1560-1905, archief 34-4, inventarisnummer 324, 23-04-1644, J. VAN STEENRE, aktenummer 211, folio 275-276
Jan Gerritsz Reumelaer contra Aelbert Steck. Er is arrest gedaan op de goederen van Aelbert Steck tot betaling van 25 guldens en een zilveren ducaton van kamerhuur.
Met verhoor van Paulus Cornelisz Taets
Datering:1653-1654
066 Stadsgerecht Rhenen Organisatie: Regionaal Archief Zuid-Utrecht
066 Stadsgerecht Rhenen
170-179 Akten van attestatie voor en door het gerecht, 174 1662-1668
25-4-1665: Attestatie van gerecht dat Theuntge van Triest, tegenwoordig huisvrouw van Eb Aertsz, die moeder en universele erfgenaam is van Jan Geurtsz van Rhenen, aan haar verwekt door Geurt Jansz die 1641 met het schip Vogelstruijs is gevaren naar Columbo en in 1662 is overleden.
Reg.Hist.Centr.ZO-Utrecht:
Not.Jacob Boumeester (1655-1674) te Rhenen, inv. 2056:
21-5-1666 Eb Aertsz x Teuntje van Triest, die tevoren gehuwd was met Geurt Jansz, constitueren Cornelis Boonsaijer om zich te vervoegen op de kamer van de Oost-Indische Compagnie te Amsterdam om daar te onderzoeken hoeveel traktement te goede en te ontvangen hebben van Jan Geurtsz, haar zoon die in Oost-Indië is overleden.
Eight ships are known to have sailed from Curaçao to New Netherland with slaves on
board. Among these are the Gideon and the Bontekoe, both had made a transatlantic voyage. The
Gideon called at Curaçao in 1664 and continued to New Netherland without delivering any slaves
at the island. The Bontekoe arrived at Curaçao with 191 slaves in 1657, but it is not certain if any of
them were brought to New Netherland when the ship went there. Two other ships that should
be mentioned are the Eyckenboom and the Vogelstruys: they are reported to have brought slaves
from Curaçao to New Netherland, but it is unknown how many. However, the former had 50
horses from Aruba on board, and the latter a load of wood and unsold goods (probably
European manufactures); it is therefore unlikely that the slaves on board of each of these ships
numbered more than a few dozen: there cannot have been space for more than that. The other
ships carried five (in two cases), ten, and one 41 slaves, all journeys recorded took place between
1657 and 1664. So the slave trade from Curaçao to New Netherland was small in comparison
to the trans-Atlantic trade.
Nummer Toegang: 1.10.78
Verzameling stukken, afkomstig van Salomon Sweers (levensjaren 1611-1674), Jeremias van Vliet
(levensjaren ca. 1602-1663), Jacques Specx en François Mannis: April 1641 zeilde Sweers van Texel uit op "De Vogel Struys", die tegelijk vertrok met het
schip "Wesel", waarop zich de tot de extra-ordinaris Raad van Indië benoemde Cornelis
Witsen bevond. Beurtelings zou elk der Raden voor een maand de commando-vlag voeren.
Over Sweers' reis tot Kaap de Goede Hoop is een relaas te vinden in brieven, augustus
1641 in Tafelbaai geschreven, waarvan afschriften zijn bewaard in het archief der O.-I.
Compagnie. Een deze brieven is gericht aan zijn broeder Jacob, die als opperkoopman aan
boord was van het schip "Wesel". Uit dezen brief vernemen wij, dat zich bij Salomon Sweers,
behalve zijne vrouw, ook bevonden zijne jongste zuster en broeder, Catharina en Benjamin
Salomon Sweers, extra-ordinaris Raad van Indië, kwam begin November 1641 te Batavia aan.
Van 15 November af nam Sweers deel aan de vergaderingen van den raad van Indië.
Krachtens resolutie van dit college van 20 December 1641 kreeg hij zitting in den Raad van
Justitie als vice-president. De Raad van Indië bestond destijds, nadat François Caron als
commandeur der retourvloot was vertrokken, uit den Gouverneur-generaal Van Diemen, den
Directeur-generaal Cornelis van der Lijn, den raadspensionaris mr. Joan Maetsuyker en den
extra-ordinaris Raad Justus Schouten, waarbij toen nog kwamen: Salomon Sweers en Cornelis
Witsen.
In zijne vergadering van 1 februari 1642 werd door den Raad eene regeling voor de
verdeeling van sommige werkzaamheden getroffen. Gouverneur-generaal Van Diemen had
reeds in de raadszitting van 23 october 1641 deze aangelegenheid ingeleid; hij had toen
voorgedragen, dat door het toenemen van den Staat der Compagnie in Indië de besoignes
meer en meer verzwaarden, zoodat het opstellen der vereischte schrifturen naar de diverse
kwartieren (werkzaamheid tot nu toe voornamelijk door den Gouverneur-generaal alleen
gedaan) door één persoon bezwaarlijk zou kunnen worden bijgehouden. Van Diemen gaf
derhalve in overweging, of het voor de Compagnie tot verlichting van zijne persoon en tot
"aankweeking" van de andere leden niet dienstig zoude wezen het generale werk over de
raadspersonen eenigzins te verdeelen. De op de 1 februari 1642 getroffen regeling hield in,
dat het opstellen van het generaal dagregister van het gepasseerde in Indië, tot nog toe door
raadpensionaris Maetsuyker gehouden, onder de Raden verdeeld zoude worden, zoodat dit
zoude bestaan uit vijf deelen, elk verschillende kwartieren van Indië betreffend; tevens zou
dan het concipiëeren der antwoorden op de brieven, uit de kwartieren ontvangen, door de
Raadsleden moeten geschieden. Salomon Sweers kreeg voor zijn deel de behandeling der
papieren van Guzeratte, Hindustan, Perzië en Mocha. De bescheiden afkomstig van Sweers,
aanwezig in de collectie C. S., wijzen uit, dat hij de eerste maal niet alleen het relaas van deze
kwartieren, maar ook dat betreffende Choromandel, Bengalen en Pegu (toegewezen aan den
secretaris van den Raad Pieter Mestdagh) bewerkte, waarbij het volgend jaar nog kwam het
verslag over Ceylon en de Kust van Indië.
Nauwelijks had Sweers een kwart jaar in den Raad van Indië zitting gehad of hij werd in de
waarneming van zijn ambt geschorst. Er was ontdekt, dat hij voor eigen rekening een partij
barnsteen (hem, zijn broeders en Jacob en Benjamin en zijne zuster Catharina
gemeenschappelijk toekomend) benevens eenige andere koopmanschappen aan een Chinees
had verkocht - een particulier handeldrijven, dat den Compagnies-dienaren bij den Generale
Articul-brief streng verboden was. In hun zitting van 22 februari 1642 besloten
Gouverneur-generaal en Raden tegen niet der vergadering aanwezigen Sweers proces
aanhangig te maken bij den Raad van Justitie en hem zoolang den toegang tot den Raad van
Indië en dien van Justitie te ontzeggen. Sweers wendde zich daarop tot de Raden van Indië
ieder afzonderlijk, opdat de zaak geen voortgang zoude hebben, maar dit mocht niet baten,
zoodat Gouverneur-generaal en Raden op 10 maart bij het genomen besluit volhardden. Door
den Raad van Justitie werd Sweers bij uitspraak van 5 april 1642 van zijn ambt gesuspendeerd
tot discretie van den Gouverneur-generaal. Deze won de adviezen der Raden van Indië in en
het resultaat was, dat Sweers op 7 juni 1642 door Van Diemen provisioneel in in zijn vorige
kwaliteit hersteld, mits Bewindhebberen in Nederland zulks goedkeurden.
Sweers was gehuisvest in het kasteel te Batavia. Te zijnen huize overleed in april 1642 de
jongste broeder Benjamin, assistent op de secretarie van den Gouverneur-generaal. Broeder
Jacob huwde in mei 1642 te Batavia met Maria Aux Brebis (geboortig van Hamburg),
weduwe van den kapitein-majoor in dienst der O.-I. Compagnie Adriaaen Anthonisz., eerder
weduwe van den opperkoopman der O.-I. Compagnie Adriaen Daniël de Bucqoy. Catharina
Sweers werd juli 1642 de vrouw van jeremias van Vliet, laatstelijk als commissaris naar Siam
gedien hebbend.
Sweers' ambtelijk werkzaamheid te Batavia in de volgende jaren vinden wij toegelicht door
enkele resolutiën van Gouverneur-generaal en Raden. Het commissariaat van de monstering
der van Batavia vertrekkende schepen en jachten benevens het opzicht over de generale
equipage werd hem 2 augustus 1642 opgedragen. Bij resolutie van 1 october 1642 kreeg hij
aanstelling tot visitateur-generaal der negotieboeken in Indië. Op 5 januari 1643 wees de Raad
van Indië hem aan als president van het College van Weesmeesteren.
De resolutie, door den Raad van Indië in de zaak Sweers genomen, zond Van Diemen aan
Bewindhebberen bij brief van januari 1643. Heeren Zeventien beantwoordden dit schrijven in
augustus; zij deelden daarin mede, dat - hoewel de zij de zaak van groot gevolg oordeelden -
zij goedvonden het te laten bij het in den Raad van Indië gevallen besluit, met dien verstande
evenwel, dat men Sweers voortaan gebruiken zou, waar hij het beste dienst zou kunnen doen,
zonder hem verder in de Raad van Indië te admitteeren, hetgeen naar de mening van de
Heeren Zeventien al te aanstootelijk zoude wezen. In april 1644 kwam de missive van
Bewindhebberen te Batavia aan. Ondanks hun verbod bleef Sweers zitting houden in den
Raad van Indië. Spoedig daarna, op 13 mei 1644, kreeg hij van dit college eene benoeming tot
opperregent van Compagnie's ziekenhuis en bij resolutie van 17 juni 1644 werd hem opgelegd
de uitbetaling der maandgelden benevens het toezicht op de beoken van het soldijcomptoir. Voor den Gouverneur-generaal Van Diemen heeft Sweers groote achting gekoesterd en
blijkbaar bleef de landvoogd ook hem genegen. Geheel anders was de verhouding van Sweers
tot den Directeur-generaal Cornelis van der Lijn, oudsten Raad van Indië. Op een maaltijd ten
huize van Sweers in januari 1645 kwam het tusschen deze beiden tot een hevige twist, waarbij
Van der Lijn tegenover Sweers' vrouw van den rottang gebruik maakte en Sweers den
Directeur-generaal beleedigende woorden toevoegde. De Raad van Indië hield zich met het
geval in zijne zitting van 22 februari bezig. Gouverneur-generaal Van Diemen kwam in april
1645 te overlijden. Het oppergezag kwam aan Van der Lijn, onder den titel van "President in
Rade van Indië". In het sterk geslonken college der Hooge Regeering, waarin Maetsuycker als
eenige ordinaris Raad zitting had, zouden voortaan de extra-ordinaris Raden Sweers en Simon
van Alphen mede in alle zaken concludeerende stem hebben.
Een tweede inbreuk van Sweers op zijn compagnie's verbod van particulieren handel door de
ambtenaren zou zijn ontslag uit den dienst der Compagnie ten gevolge hebben. Over de
toedracht heeft P. A. Leupe reeds een en ander medegedeeld in een opstel Salomon Sweers,
Raad van Indië 1644 (Bijdragen voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van
Nederlandsch-Indië, Reeks 3, Deel 8) , waartoe van de stukken in de collectie C. S. gebruik is
gemaakt. Uit eenige door de kamer Amsterdam onderschepte brieven werden Heeren
Zeventien in september 1644 geïnformeerd, dat Sweers zich wederom aan particulieren
handel en correspondentie had schuldig gemaakt. In aanmerking nemend het exorbinant
toenemen van den vrijen handel door de ministers der Compagnie en de voorgaande
ongeoorloofde handeling van Sweers (die een zoodanige honorable charge als
Raad-extra-ordinaris van Indië had) besloten Heeren Zeventien, dat Sweers buiten dienst en
gage van de Compagnie zou gehouden worden. Nadat de Raad van Indië in juli 1645 van dit
besluit kennis had gekregen, nam Sweers aan de zittingen der Hooge Regeering niet meer
deel. Bij Raadsresolutie van 29 juli 1645 werd hij verder ontlast van het uitbetalen der
maandgelden en het opzicht op het soldijcomptoir; tot zijn vertrek zou hij nog in functie
blijven als president van Weesmeesteren en opperregent van het ziekenhuis.
De resolutiën van den Raad van Indië van 16 en 25 November 1645 maken nog melding van
heftig optreden van Sweers; hij had den extra-ordinaris Raad Van Alphen beschuldigd van
particuliere negotie, maar verklaarde later, dat zijne bewering in dronkenschap gedaan was.
Tot de administratie zijner goederen in Indië wees Sweers aan: Frederick Coyett,
opperkoopman, en Hendrick van Seelst, kassier van het kasteel te Batavia.
Met de retourvloot, die einde december naar patria vertrok, verlieten Sweers en zijne vrouw
op het schip "Vrede" Batavia; einde juni 1646 kwamen zij in Nederland aan.
Aanstonds wendde Sweers zich tot Heeren Zeventien in eene remonstrantie, die bewaard is
onder zijne papieren en naar dit document gepubliceerd door Leupe in Bijdragen voor de
Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, Reeks 3, Deel 8.
Sweers, die zich als koopman te Amsterdam vestigde, zou in zijn verdere leven een
tegenstander der V. O. I. Compagnie blijven. Hierop wijzen enkele bescheiden onder zijne
papieren, waaruit blijkt dat hij zich geïnteresseerd heeft voor de buitenlandsche pogingen tot
oprichting van Indische handelscompagnieën. Hetgeen in zijne papieren voorkomt over de
verstandhouding tot François Caron, heeft Leupe reeds medegedeeld in het bovenaangehaald
opstel.
Salomon Sweers overleed te Amsterdam 2 maart 1674
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.