He is married to Neel Cornelisdr van Driel.
They got married
Landpoorter van Dordrecht en Dijkgraaf & Schout van West-IJsselmonde. Daarnaast was hij ook heemraad in het ambacht van IJsselmonde.
Op 25 mei 1548 verklaarde Henrick Aertsz., wonende in het ambacht van Oost-Barendrecht, dat "wijlen Pieter Dircxz. wonende in 't Oestambacht van IJsselmonde sijne huijsvrouwe vader sterff onlancx nae de laetste groote Innudatie / teweten In 't begunsel van d(en) Jaere lestleden".
Pieter Dircksz. wordt vermeld als landpoorter van Dordrecht, wonend te IJsselmonde (1521-1526). Hij was gevestigd aan de Hordijk aldaar en vervulde er functies van heemraad in het ambacht van IJsselmonde (vanaf 1492), schout van West-IJsselmonde (1510,1514), hoogheemraad (1503-1518) en dijkgraaf van de vier polders van West-IJsselmonde (1520-1532). In de genealogie Verschoor, verschenen in de Nederlandsche Leeuw jrg.1974, wordt Pieter Dircksz. abusievelijk opgevoerd als een zoon van Dirck Jacobsz. (Verschoor); een filiatie waarvan inmiddels is aangetoond dat zij onjuist is. (OV 1996, p.330-334). Dat het geslacht van Driel te IJsselmonde, Rotterdam en De Group terug gaat op Pieter Dircksz., blijkt indirect uit een rentebrief van 1543, gekocht door Cornelis Pieter Dircxz. van IJsselmonde van de thesaurier van keizer Karel V. Het dubbele patroniem dat in deze rentebrief vermeld wordt, toont ondubbelzinnig aan dat Cornelis Pietersz. een zoon moet zijn geweest van de hier behandelde Pieter Dircksz. Vader en zoon komen tezamen voor in een akte van 1529, waarin Pieter Dircxz.(...) van IJsselmonde een pachtcontract afsloot voor24 (!) jaar voor "den Culck inden Hordijck omgaende van Cornelis Pieterszoons tuijn of tot onser Lieve Vrouwenhuysken toe". Deze "culck" in de Hordijk lag ten zuidwesten van het punt waar de oude Smeetlandse dijk op de Hordijk aankwam,"tussen den dijck en de de weteringe".
In de polderrekening van Nieuw-Reijerwaard over 1512 komt een betaling voor van 2gulden door Pieter Dircxz. "van eenen worff". Helaas ontbreken de rekeningen over de periode 1513-1517, maar vanaf 1518 wordt een jaarlijkse betaling vermeld van 3 gulden door Cornelis Pieterss. "van ene worff": blijkbaar was de zoon zijn vader in de pacht opgevolgd. In 1529 is sprake van "enen scpenenbrief omgaend van Piet(er) Dirckss mit sijne mededoenders van(de) gemeenelants willigen an den Hordijck". Deze wilgen, die blijkbaar een functie had den ter verstevigingvan de Hordijk werden van 1530 tot 1532 door Pieter Dircksz. gepacht voor de niet onaanzienlijke som van 16 gulden per jaar. De gemenlands wilgen aan de Hordijk werden in 1534 gepacht door "Cornelis Pieterss.mit sijne mede gesellen"; opnieuw een aanwijzing dat Pieter Dircksz. en Cornelis Pietersz. vader en zoon waren!
Uit diverse akten blijkt dat Pieter Dircksz.gevestigd was aan de Hordijk onder IJsselmonde. Vanaf 1497 betaalde hij jaarlijks aan de waarsman van de polder Nieuw-Reijerwaard een bedrag van 10 gulden "van die putte aen den hordiick". Bij deze "put" moet wellicht gedacht wordenaan een stuk laag gelegen weiland, dat bij hoog water werd gebruikt om overtollig water uit de boezem in te laten lopen. Overigens gaan de gedachten hierbij uit naar de "putte" bij de Hordijk die door Cornelis van Driel, de schoonvadervan Pieter Dircksz., in 1448 was aangelegd in de omgeving van de sluis. In de rekening van 1507/1508 werd Pieter Dircksz. niet langer genoemd als huurder van de put. Vanaf 1504 werd in de polderrekeningen van Nieuw-Reijerwaard melding gemaakt van een jaarlijkse betaling van 3 gulden door Pieter Dircxz. vanwege de huur "van den dick van Aert Heynen offtot onze vrouwen pad toe". Ook met deze "dick" werd zonder twijfel de Hordijk bedoeld: hieraan woonde immers ook voormelde Aert Heynen, de stamvader van een ander geslacht Van Driel. De pacht van een stuk dijk was blijkbaar goed bevallen, want de polderrekening van Nieuw-Reijerwaard uit 1507 vermeld een betaling van 16 gulden door Pieter Dirckz."van den dijck an die noertsij". Overigens komen Pieter Dircksz. en Aert Heijnricsz. al eerder samen in een post voor en wel in de rekening van de rentmeester van het ambacht Ridderkerk over 1499/1502. Onder de ontvangsten van het Nieuweland van Ridderkerk is sprake van de pacht van "dat eerste block van de(n) Zwijndrecht(se) dijck af en (de) streckt tot Mar(tijn) Meusz. vier merg(en) toe en (de) houtmerg (en) ghecoft Pieter Dijrckz. en(de) Aert Heij(n)ricz. om".
Ondanks zijn notabele positie in IJsselmonde droeg Pieter Dircksz. toch zijn steentje bij als de nood hoog was. In de rekening van de waarsman van West-IJsselmonde over de jaren 1508/1510 komt hij tweemaal voor in de (lange) lijst van personen die daggelden kregen omdat zij geholpen hadden "toen men den dijck met grote kracht houden moest": hij ontving vergoedingvoor een bijdrage van vier resp.twee dagen.
Op 28 en 29 augustus 1505 vond regeling plaats van een conflict betreffende de afwatering van het nieuwe land van IJsselmonde. Hierin stonden Floris Oem van Wijngaerden en Pieter Dircx, beiden als ingelanden van de nieuw bedijkte landen van het Oost- en Westambacht van IJsselmonde, tegenover de ingelanden van Reijerwaard, Charlois en Dirk Smeetsland. Onder de vertegenwoordigers van de andere partij werd nog een Pieter Dircksz.genoemd, en wel als"dijkheemraad in de heerlijkheid van Charlois land en Dirck Smeetgensland". Er was dus sprake vantwee personen met de naam Pieter Dircxz., waarbij de eerste vermoedelijk identiek is met Pieter Dircksz., grondheer van Charlois, en de tweede Pieter Dircksz. wonende aan de Hordijk onder IJsselmonde.
Op 10 januari 1511 werd door Pieter Dircxz., schout van IJsselmonde, bij het Hof van Holland een request ingediend in zijn zaak tegen de "vutegevers van denland van Chaerlois". Hij diende dit verzoek in om een zekere "ghiselinge" te laten opheffen, die naar zijn mening onterecht was opgelegd. Wellicht hield deze beslaglegging verband met de processen die de "uitgevers" van Charlois voerden. Dit zou kunnen worden afgeleid uit een volmacht van 14 mei 1510, die mede werd ondertekend "bij mij PieterDirksz." Het is overigens niet onmogelijk dat deze ondertekenaar niet Pieter Dircksz. aan de Hordijk was, maar diens naamgenoot de "uitgever van land" of"grondheer" van Charlois, die vermoedelijk elders gevestigd was. Dat deze "grondheer" Pieter Dircksz. niet identiek is met Pieter Dircksz. aan de Hordijk blijkt opnieuw uit een akte van 3 augustus 1529. Op die datum waren in Rotterdam vergaderde vertegenwoordiger van de grondheren van de nieuwe dijkage van de Hille(polder) in Charlois. Onder deze grondheren werden o.a. genoemd: Jacob Dircxz. uit naam van de weduwe van Mr. Frans Diricxzoon, Pieter Dircxz. als voogd van de weeskinderen van Mr. Frans Diricxz. voornoemd, "Pieter Dircxz. aenden Hortdijck", en Cornelis Dirck Jacobsz. Er werd dus duidelijk onderscheid gemaakt tussen Pieter Dircxz. (zoon van Dirck Jacobsz., grondheer van Charlois), die in deze akte vermeld werd als voogd van de weeskinderen van zijn broer Frans, en de als tweede genoemde Pieter Dircksz., wonende aan de Hordijk. Opmerkelijk is dat Pieter Dircxz., wonende aande Hordijk, in de laatstgenoemde akte wel genoemd werd onder de" grontheeren ende geerffden vander nieuwe dijckagien vande Hille in Charlois" en hierin voor 1/20 deel gerechtigd was. Uit het kohier van de 10e penning van Charlois uit 1543 blijkt, dat de Hillepolder ongeveer 240 mogen groot was, wat betekent dat de portie van Pieter Dircksz. ca. 12 morgen was. In 1543 werden als gebruikers of eigenaars van land in de Hillen vermeld: Jan Heindricxz.(2,5 morgen), Lenaert Pietersz. (14 morgen), Aert Heindricxz. (2,5 morgen), Neel Dircx (9 morgen) en Heindrick Aertsz. (10 morgen). Het ligt voor de hand in deze personen de erfgenamen van Pieter Dircksz. te zien: twee zoons (Cornelis Pietersz. alias Neel Dircksz., Lenaert Pietersz.), een schoonzoon en twee kleinzoons (Hendrick Aertsz., gehuwd met Lijsbeth Pieterss, met hun zoons Jan en Aert Hendricksz.). Het totale oppervlakte dat door de erfgenamen in 1543 in de Hillepolder werd gebruikt was veel groter dan de 12 morgen waarvan Pieter Dircksz. in 1549 eigenaar was, maar dit kan in de tussenliggende periode door koop of pacht zijn uitgebreid.
In het archief van het Huis te Warmond, aanwezig in het Leidse Gemeentearchief, bevinden zich stukken die betrekking hebben op landerijen in West-Barendrecht, afkomstig van de familie Van Beveren. Onder deze archivalia bevindt zich een akte van 5 juni 1527, waarin een zekere Dirc Adriaensz. Verhuel uit Mijnsheerenland verklaarde dat hij had verkocht aan Pieter Dricksz. in IJsselmonde, voor de ene helft, en Heij(n)rick Aertsz. "sijnswager" (=schoonzoon), voor de andere helft" " alle alsulcken uutterlant als hij had leggen(de) in Westbarendrecht genoe(m)t Jacob Damasz. ambocht bijttensdijcks". Het betrof bij deze koop vier percelen, alle gelegen in het ambacht van West-Barendrecht, strekkende van de Nyeuwendijck "then diepen toe", d.w.z. tot in het "diepe" van de rivier de Oude Maas. Vooral het eerste perceel is interessant, omdat als belenders van dit "uutterlants" worden genoemd: Aernt Heynricksz. van Dordrecht "mit Cornelis Dircksz. en(de) Leenert Piet(ers)z. sijn broed(er)s beijd(en)lant". In deze belenders zijn twee zoons van Pieter Dircksz. te herkennen, die in deze akte expliciet worden aangeduid als broeders: Cornelis Pietersz. alias Cornelis Dircks, en Leendert Pietersz. Overigens was mede-eigenaar Aert Heijnricxz. in Dordrecht beslist niet identiek met Aert Heijnen, die reeds was overleden in1525: Aert Hendricksz. in Dordrecht was de grootvader van Margriet Wensen, de echtgenote van Cornelis Claesz. van Driel.
Pieter Dircksz. heeft meerdere zaken voor het Hof van Holland moeten uitvechten. Op 13 maart 1521 werd door het Hof vonnis gewezen in de zaak tussen Pieter Dricsz., eiser, en Jan Jacobsz., baljuw van Zuid-Holland, die namens zijn vader Jacob Jacobsz. optrad. Het betrof eenzaak waarin het gebruik van de korentienden van West-Barendrecht betwist werd. Pieter Dircksz. had aangevoerd, dat dit hem voor het jaar 1520 en de volgende zeven jaren toekwam, uit hoofde van een contract dat hij had gesloten met Jacob Jacobsz. Ook met de besturen van de polders in de omgeving van IJsselmonde had Pieter Dircksz. regelmatig onenigheid. Zo blijkt uit de rekening van het naburige Nieuw-Reijerwaard over 1528/1529, dat met "Piet(e)r Dirckss. mitsijnen volck" door de bode voor de heemraden had laten dagen, toen men een rechtdag had betreffende het "malen". In 1531 was opnieuw een geschil gerezen tussen dijkgraaf en hoogheemraden van Riederwaard enerzijds, en Pieter Dircxzoen van den Hordijckc.s., anderzijds. Ditmaal ging het conflict over de kosten van het maken van zekere 200 roeden dijk "genaemt den Hordijck", midt oick der huyeren van d(en) culck". Bepaald werd dat de oude keur geldig zou blijven en dat Riederwaard een derde deel van de reparatiekosten zou moeten betalen, terwijl de rest verdeeld werd over de ingelanden "alsoe veelelcx voir zijn huijs, berge ofte schuere strect ende ooc bepoot, betheelt, ende besteken heeft, mit willige boomen, of anderssins." Met betrekking tot de huur van de Kulck bij de Hordijk werd afgesproken "dat sij luijden oick betaelen sullen vanden culck de acht Karolus guld(ens) jairlicx".
Iets over de activiteiten van PieterDircksz., gelegen buiten de directe verantwoordelijkheden van zijn functies in dorps- en polderbestuur, valt af te leiden uit een tweetal posten in de polderekeningv an Nieuw-Reijerwaard over 1531/1532. Hieruit blijkt dat Pieter Dircksz. 72 gulden ontving "van denHorddijck te maken alsoo hij dat van den hogen heeren angenomen heeft." Overigens was bij gelegenheid van deze aanbesteding voor een flink bedrag verteerd, namelijk voor 5 gulden en 2,5 stuivers. Pieter Dircksz. huwde met N.N.Cornelis van Drielsdochter; Geboren naar schatting rond 1460 te IJsselmonde. In 1493 had "Neel van Drielsdochter" 14 morgen land in Slikkerveer gehuurd van de voogden van Ariaentje Willems Fijck, een weeskind uit Rotterdam. Dat de vrouw van Pieter Dircksz. een dochter van Cornelis (Dircksz.) van Driel moet zijn gweest valt af te leiden uit een reeks aanwijzingen: Allereerst het feit dat de nakomelingen van haar zoons Cornelis "de oude", Cornelis "de jonge", maar ook van haar dochter Lijsbeth, de familienaam Van Driel gingen voeren. Een tweede sterke aanwijzing is dat twee zoons van Pieter Dircksz. de voornaam Cornelis hadden, waarbij opmerkelijk is dat een van hen, Cornelis Pietersz. de oude,verschillende keren getooid werd met het alias "Neel Dircken". In hem was Cornelis Dircksz. van Driel alias Nee Dricksz.met zijn volledige naam, d.w.z. inclusief patroniem, vernoemd!. Een derde belangrijke aanwijzing is gelegen in het feit dat de landerijen en bezittingen van de nakomelingen van deze dochter van Cornelis Dircksz. van Driel naast of in de directe nabijheid lagen van bezittingen van de Ridderkerkse leden van het oude geslacht Van Driel, die eveneens van Cornelis Dircksz. afstamden. Het vierde gegeven dat tot deze conclusie heeft geleid is, dat tussen de diverse takken nog lang banden hebben bestaan die geleid hebben tot het onderling optreden als doopgetuige, borg, voogd, etc. [Zie: Drie verwante geslacht Van Driel (Zuid-Hollandse eilanden, ca. 1350-1650) door C.Sigmond en K.J.Slijkerman].
The data shown has no sources.