Let op: Echtgenoot (Ansegisel van Brabant, Austrasië,hofmeier) is ook haar neef.
Zij is getrouwd met Ansegisel van Brabant, Austrasië,hofmeier.
Zij zijn getrouwd in het jaar 643.
Kind(eren):
Begga werd omstreeks 620 geboren als dochter van Pepijn van Landen, hofmeier van Austrasië, stamvader van de Pippiniden en een katholiek zalige, en diens vrouw Ida, beter bekend als de heilige Ida van Nijvel. Begga was de zuster van Grimoald, die zijn vader opvolgde als hofmeier, en de heilige Gertrudis.Begga huwde omstreeks 643 met Ansegisel, een hofmeier, zoon van bisschop Arnulf van Metz en diens vrouw Doda van Metz. Zowel Arnulf en Doda werden heiligverklaard. Uit het huwelijk tussen Begga en Ansegisus werden verschillende kinderen geboren. Echter heerst er onzekerheid over sommige mogelijke kinderen.
Met grote zekerheid is Pepijn van Herstal (ca. 645 - 714), de latere stichter van het Karolingische rijk, een zoon van Begga.
Clothildis (ca. 650 - 692), die huwde met koning Theuderik III van Bourgondië, en heilig werd verklaard
Het is duidelijk dat verschillende van haar verwanten op een bepaald tijdstip in hun leven zich ten dienste stelden van de katholieke Kerk en sommigen zelfs werden heiligverklaard.
Religieus leven
Na de dood van haar man en bijna al haar mannelijke familieleden, tijdens een mislukte staatsgreep in 662, was Begga erfgename van het uitgestrekte familiebezit in het Maasdal. Als weduwe maakt Begga een pelgrimstocht naar Rome en doet daar de gelofte om een klooster en zeven kerken te stichten. Pas als haar zoon Pepijn in 691 zijn politieke positie en zijn bezit veilig heeft gesteld, sticht zij een klooster in Andenne sur Meuse, bevolkt het met nonnen uit Nijvel en werd er de eerste abdis. Begga stierf er waarschijnlijk op 17 december 693.
Patroon- en beschermheilige
De heilige Begga is de patrones van de begijnen, stotteraars en botbreuken en wordt ingeroepen tegen reuma. Het Walcherse dorpje Biggekerke is waarschijnlijk naar haar vernoemd.
Begijnen
Begga heeft niets met de begijnen van doen (begijnen kregen hun naam pas zo'n 600 jaar later), maar wordt vanwege de naamsovereenkomst toch vaak als begijn met kap en gevouwen handen voorgesteld.
Een relikwie van Begga wordt bewaard in de Sint-Amanduskerk te Wezeren in Vlaams-Brabant.
Opgelet!!!!!
Vanaf hier wordt er alleen gesteund op gegevens uit maar een paar boeken van monikken , die zeker kernen van waarheid bevatten , maar ook beinvloed waren door hun tijd ,plus toevoegingen hadden vancopieerders.
Kronieken van Fredegar
Kronieken van Fredegar is een zogenaamde wereldkroniek (universele wereldgeschiedenis) die in de eerste helft van de zevende eeuw is samengesteld door de Frankische geleerde Fredegar (Latijn: Fredegarius Scholasticus) die in eerste instantie in het jaar 642 eindigt. Deze is echter later door anderen uitgebreid en aangevuld met individuele gegevens tot het jaar 658. Deze eerste zogenaamde "voortzettingen" zijn geschreven door onbekende auteurs. De Karolingen gebruikten de Kronieken van Fredegar als hun officiële kronieken en hebben deze later voortgezet en aangevuld. Deze latere voortzettingen zijn geschreven door onder andere de Frankische edelen Childebrand en zijn zoon Nibelung I. Het geschiedkundige werk Liber Historiae Francorum is de primaire bron geweest voor deze latere voortzettingen van de Kronieken van Fredegar zoals geredigeerd door Childebrand in het jaar 751 ten behoeve van zijn half-broer Karel Martel.
Deze latere voortzettingen c.q. aanvullingen lopen door tot het jaar 768. De eerste vijf Kronieken (De Boeken I-III) zijn geschreven op basis van informatie verkregen uit eerdere geschiedkundige werken van befaamde schrijvers; onder andere: Hippolytus van Porto, Isidorus van Sevilla, Hiëronymus van Stridon, Hydatius en Gregorius van Tours.
Fredegar heeft zich in deze geschiedenis met name gericht op de heersers waarbij hij ook wees op hun zwakke punten; waarbij hij de overdrijving soms niet schuwde. Alsmede heeft hij aandacht besteedaan de invloed van vrouwen op het bestuur van de overheid. Hierbij gaf hij meestal aan dat de vrouwen een kwalijke invloed uitoefenden. Hij vermeldde echter ook de, naar zijn mening zeldzame, gevallen waarin vrouw(en) wel een positieve invloed hadden uitgeoefend. Zelfs aan de aristocratie wordt in de Kronieken niet veel aandacht besteed. In de Kronieken van Fredegar wordt voor de eerste keer melding gemaakt van de vermeende mythische Trojaanse afkomst van de Franken ("de Frankische Trojesage"). Ook wordt wel enige kritiek op de Merovingische koningen uitgeoefend. De Kronieken bevatten voorts ook een van de vroegste Europese vermeldingen van Arabische veroveringen in Europa. De relatie van het Frankische Rijk met de landen van Centraal-en Oost-Europa is ook vermeld. Tevens wordt er voor deeerste keer melding gemaakt, in geschreven vorm, van het begin van het ontstaan van het Slavische Samorijk.
Het werk is opgesteld in gebroken Latijn en overgeleverd in 38 handschriften waarvan het oudste exemplaar vermoedelijk in het jaar 700 in Metz is geschreven. De verdeling van de zes Kronieken in vier boeken en verschillende hoofdstukken kwam pas later tot stand.
Fragment :
Unless the Almighty helps me, I cannot tell how I can express in a word the
labour on which I am embarking and how, in striving to succeed, my long struggle
devours days already too short. " Translator " 1 in our own vernacular gives the
wrong sense, for if I feel bound to change somewhat the order of words, I should
appear not to abide by a translator's duty. 2 I have most carefully read the
chronicles of St. Jerome, of Hydatius, of a certain wise man, 3 of Isidore and of
Gregory, from the beginning of the world to the decline of Guntramn's reign;
and I have reproduced successively in this little book, in suitable language and
without many omissions, what these learned men have recounted at length in their
five chronicles. Further,4 I have judged it necessary to be more thorough in my
striving for accuracy, and so I have noted in the above-mentioned chronicles,
as it were a source of material for a future work, all the reigns of the kings and their
chronology. I have brought together and put into order in these pages, as
exactly as I can, this chronology and the doings of many peoples, and have
inserted them in the chronicles (a Greek word, meaning in Latin the record of the
years) compiled by these wise men chronicles that copiously gush like a spring
most pure. 5 I could have wished that I had the same command of language, or
at least approached it; but it is harder to draw from a spring that gushes intermittently.
And now the world grows old, which is why the finer points of wisdom
are lost to us. Nobody now is equal to the orators of past times, or could even
pretend to equality. Thus I am compelled, so far as my rusticity and ignorance
permit, to hand on, as briefly as possible, whatever I have learned from the books
of which I have spoken ; and if any reader doubts me, he has only to turn to the
same author to find that I have said nothing but the truth. At the end of
Gregory's work I have not fallen silent but have continued on my own account
with facts and deeds of later times, finding them wherever they were recorded, and
relating of the deeds of kings and of the wars of peoples all that I have read or heard
or seen that I can vouch for. Here I have tried to put in all I could discover from
the point at which Gregory stopped writing, that is, from the death of King
Chilperic.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.