genealogieonline

West-Europese adel » Arend Baron Sloet van Tweenijenhuizen

Persoonlijke gegevens Arend Baron Sloet van Tweenijenhuizen Mannelijk

Scans zoeken, een service van Genealogie Online

Gezin van Arend Baron Sloet van Tweenijenhuizen

Hij is getrouwd met (1) Anna van Dannenberg op 24 februari 1755, hij was toen 32 jaar oud.


Hij is getrouwd met (2) Johanna Philippa van Dedem van de Gelder op 16 december 1766 te Wijhe, Ov., hij was toen 44 jaar oud.

Kind(eren):

  1. Coenraad Willem Baron Sloet van Tweenijenhuizen  1767-1849 Tree
  2. Anthonie Baron Sloet van Oldruitenborgh  1769-1853 Tree
  3. Anna Judith Sloet van Tweenijenhuizen  1771-1858 Tree
  4. Johanna Philippa Helena Gerhardina Sloet van Tweenijenhuizen  1772-1826 Tree
  5. Boudewijn Reinoud Wolter Baron Sloet van Hagensdorp  1773-1863 Tree
  6. Catharina Christine Coenradina Sloet van Tweenijenhuizen  1777-1849 Tree


Notities bij Arend Baron Sloet van Tweenijenhuizen

Heer van Tweenijenhuizen, Oldruitenborgh, Hagensdorp en Ter Heyl
===========================================
Neef Arent Sloet tot Tweenijenhuizen was kind van Philips zuster Anna Judith van Echten en Coenraad Willem Sloet tot Lindenhorst. Deze Arent Sloet verwierf dus door erf Oldruitenborg.
Hij trad in 1755 - hij was toen 32 - in het huwelijk met de zeer rijke en veel oudere Anna Dannenberg, een patriciërsdochter uit Steenwijk. Zij was toen reeds 63 jaar oud en kon hem geen kinderen meer geven. In 1758, drie jaar na zijn huwelijk, stond Arend al te boek als de op één na rijkste inwoner van de provincie met het formidabele vermogen van 179.980 gulden!
Het echtpaar woonde eerst in Steenwijk en vestigde zich vervolgens op de havezate Oldruitenborgh, die Arent van zijn kinderloze oom van moederszijde Philip Gerrit van Echten tot Oldruitenborgh had geërfd, en die hij met geld, dat voornamelijk van Anna afkomstig was, had vergroot (1764). Een jaar na Anna's overlijden hertrouwde Arent in 1766 met de in 1741 geboren Johanna Philippina van Dedem tot de Gelder, uit welk huwelijk drie zoons en drie dochters opgroeiden.
Arent was in 1763 landdrost van Salland geworden, de hoogste politieke functie in die tijd in Overijssel. Ook was hij afgevaardigde naar de Staten-Generaal. Voor het uitoefenen van zijn functies bewoonde hij geregeld zijn huis in de Diezerstraat in Zwolle, het latere Provinciehuis.
In 1764 verbouwt hij Oldruitenborg, en begint met het aankopen van allerlei stukken grond, die uiteindelijk het huidige landgoed Olruitenborgh zouden gaan vormen. In 1775 werd een weidekamp aan de Groenestraat tussen de havezate Nijerwal en de Oude Molenberg aangekocht evenals de boomgaard achter de Toutenburg, in 1782 gevolgd door de koop van de hof van de Toutenburg met plantage, hoveniershuis en nieuw getimmerd bouwhuis.
Op 25 mei 1786 is Arent baron Sloet van Tweenijenhuizen, Oldruitenborgh, Hagensdorp en Ter Heyl in Vollenhove op 64-jarige leeftijd overleden.

De jongste broer van Boldewijn, Arent (22-3-1722 – 25-5-1786) wordt dus één van de belangrijkste baronnen uit de lijn Sloet en combineert drie titels: Tweenijenhuizen, Hagensdorp en Oldruitenborgh en later ook nog Ter Heyl in Drenthe door zijn huwelijk in 1750 met Anna Dannenberg, een rijke weduwe die overlijdt op 27-12-1765. In 1766 huwt hij Johanna-Philippa van Dedem tot de Geldre (31-12-1741 – 12-5-1815 op Ter Heyl). Ze krijgen 7 kinderen, waarvan 3 zoons: Coenradt-Willem in 1767, Antonie in 1769 en Boldewijn-Reint in 1773.
Arent wordt in 1746 voorzitter van de Ridderschap en Staten van Overijssel, in 1766 drost van Salland en in 1786 coadjutor van de Duitse Orde (balie van Utrecht). De drost van Salland was doorgaans de belangrijkste van de drie drosten in Overijssel en daarmee luitenant-stadhouder.
http://www.henkvanheerde.nl/vollenhove/Personen/Sloet/geslachtsloet.htm

============================================================

Arend baron Sloet vanTweenijenhuizen (1722-1786), drost en financier
door mr. A.F Stroink

Ter inleiding
Arend Sioet bekleedde van 1763 tot 1786 het ambt van drost van Salland. Daarmee was hij tevens voorzitter van de Ridderschap alsmede president van de Staten van Overijssel, de hoogste functie in dat gewest. Er werd nooit eerder een aparte publikatie aan hem gewijd. Enige jaren geleden werden stukken betreffende zijn financiële nalatenschap ontdekt, wat de aanleiding was om het geheel van zijn leven aan een nader onderzoek te onderwerpen. Daaruit komt een man naar voren die door het geld dat hij via zijn eerste vrouw had verworven, tot eerder genoemd belangrijk politiek ambt kon opklimmen. Overijssel speelde in de tweede helft van de achttiende eeuw bij de strijd tussen prinsgezinden en patriotten een belangrijke rol. Als president of voorzitter van de Staten gaf Arend naar beste weten en kunnen daaraan leiding. Voor de riddermatige helft van de Staten vervulde hij echter nog een tweede functie namelijk van financier via talrijke leningen, die hij onbekrompen gaf zowel aan prinsgezinde als aan patriottische edellieden, die vaak door familierelaties met hem verwant waren. Om deze dubbelfunctie van voorzitter en financier duidelijk te laten uitkomen, zullen zijn activiteiten in twee gedeelten beschreven worden: I persoon en financiën, en II voorzitter van de Staten.

I. Arend Sloet als persoon en als financier
Het enige portret dat van hem bekend is, is dat van de schilder A. Thirn. Het toont een man van middelbare leeftijd. Hij ziet er welvarend uit, bezadigd, maar met een opmerkzame blik. Hij draagt het kapittelkruis van de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, aan een zwart lint om zijn hals en het commandeurskruis op de borst. Arend Sloet werd op 22 maart 1722 in Vollenhove geboren, op de havezate Lindenhorst, als vierde zoon van Coenraad Willem baron Sloet van Lindenhorst en Anna Judith van Echten van Oldruitenborgh. Zijn vader was landrentmeester van Vollenhove en stierf reeds op 37-jarige leeftijd in 1724. Zijn weduwe bleef achter met acht kinderen, vijf zoons en drie dochters. Zij overleed in 1741. Het ouderlijk erfdeel was niet niet zo groot, maar de kinderen kregen er later erfenissen bij. Daardoor lukte het dat elk van de zoons een Vollenhoofse havezate verwierf, waardoor zij in de Ridderschap werden verschreven. De oudste zoon Boldewijn kreeg de ouderlijke havezate Lindenhorst. Hij trouwde in 1741 met een nichtje, Frederika Margaretha Sloet tot Kersenberg, en was evenals zijn vader landrentmeester van Vollenhove en wel van 1753 tot 1758. Ook hij stierf jong. Daarna volgde Roelof, die de havezate De Hare verwierf. Dit goed had zijn vader in 1712 van Rutger van Haersolte tot Hoenlo gekocht. Dan volgde Lodewijk Arend, die de havezate Plattenburg - eveneens uit de ouderlijkeboedel - kreeg. De jongste zoon Coenraad Willem junior, die pas één jaar was toen zijn vader overleed, kreeg de havezate Marxveld uit de nalatenschap van een verre aangetrouwde en kinderloze nicht Armgarth Gansneb genaamd Tengnagel, weduwe van Gijsbert Frederik Sloet tot Marxveld. Van de drie dochters trouwde de oudste, Johanna Catharina, met Gerrit-Jan van Rhemen tot Rhemenshuizen. De jongste, Judith Anna, bleef ongehuwd en woonde eerst in bij haar getrouwde zuster evenals haar zuster Margaretha, die pas op haar 53e jaar trouwde met de Kamper burgemeester W.F. baron van Knuth. Arend zelf was bij zijn ongetrouwde oom Philip Gerrit van Echten in huis gekomen, die hem als zijn erfgenaam beschouwde. Na diens overlijden werd hem bij testament van 25 maart 1755 de havezate 'Den Olden-Ruytenborg toebescheiden. Verder was Arend reeds mede-erfgenaam van een verre neef, de Vollenhoofse drost Arend Herman Sloet, die de laatste was van de oorspronkelijke tak Tweenijenhuizen. De ongehuwde Arend Herman had de kinderen van zijn verre neef, en plaatsgenoot, Coenraad Willem senior, bij testament van 28 februari 1728 tot zijn erfgenamen benoemd. Ingevolge de boedelscheiding van 16 februari 1746 tussen de mede-erfgenamen van Arend Herman Sloet was aan Arend de havezate Tweenijenhuizen - iets ten oosten van de stad Vollenhove - toebescheiden. Sindsdien noemde Arend Sloet zich naar Tweenijenhuizen, en bleef dat doen ook al kreeg hij later Oldruitenborgh. Uit de nalatenschap van Arend Herman kreeg hij ook nog de havezate Hagensdorp aan de Bisschopstraat te Vollenhove. Voorts deelde Arend uiteraard mee in de boedel van zijn ouders en ook in die van de reeds genoemde weduwe Sloet-Gansneb genaamd Tengnagel.
Alvorens Arends totale vermogen te becijferen, zullen eerst de lotgevallen van enkele andere families worden nagegaan, om te zien waar dit alles toe leidde.

In Steenwijk woonde eind zeventiende eeuw het geslacht Dannenbergh.De eerste die we hier tegen komen is Lucas Dannenbergh en zijn vrouw Anna ter Stege, oude Steenwijker namen van gegoede burgers. Dan volgt Jacobus Dannenbergh, doctor in de rechtsgeleerdheid, die stadssecretaris is geweest. Hij overleed in 1699 en was gehuwd met Aleida Calckman, die in 1728 overleed. Het echtpaar had drie kinderen: Anna, Egbertus en Andrea Aleida. Egbertus was eveneens rechtsgeleerde en schout van Steenwijk, Steenwijkerwold en Scheerwalde van 1722 tot zijn dood in 1748. Hij bleef ongehuwd en benoemde zijn beide zusters tot erfgenamen. Andrea trouwde met de Zwollenaar Abraham Gerrit Vriesen, landrent-meester van Vollenhove van 1727 tot 1753 - tussen vader en zoon Sloet in. Hij was een zoon van Willem Vriesen, schout van Zwolle, en Harmanna van Suchtelen." Het echtpaar had één dochter Harmanna Camelia Vriesen, geboren in 1730. Zij verloor haar moeder reeds bij haar geboorte, waarna zij bij haar vader bleef, die in 1753 overleed. Nadien kreeg zij het beheer over de aanzienlijke vermogens van beide ouders. Harmanna Vriesen trouwde in 1755 op 25-jarige leeftijd met Adolf Julius Borchard baron van Huffel tot Verborg,' een 47-jarige weduwnaar. Hij was eerder getrouwd geweest met Cornelia Maria de Jonge van Ellemeet, kleindochtervan de zeer rijke Cornelis de Jonge van Ellemeet, destijds ontvanger-generaal van de Republiek," Zij was dan ook zeer vermogend toen zij in 1739 met Adolf van Huffel trouwde. Hij werd in 1746 drost van Salland, tot welke benoeming het geld van zijn eerste vrouw wel zal hebben bijgedragen. Reeds in 1747 overleed de kinderloze Camelia de Jonge, die haar man tot erfgenaam benoemde.
Keren wij nu terug tot Arend Sloet. Van jongsaf aan kende hij Hermanna Vriesen zeker goed. Het kringetje in Vollenhave en Zwolle waarin beiden verkeerden was niet zo groot. Ook in Steenwijk was ze bekend, waar ze veel onroerend goed bezat, evenals in Vollenhove. In Steenwijk woonde in die tijd ook Mr. Hilbrand Tuttel, uit een vooraanstaande familie aldaar. Tuttel, geboren in 1719, was rechtsgeleerde en secretaris van zijn woonplaats. Hadden zowel Arend als Tuttel een huwelijk met Hermanna op het oog? Zij maakten echter geen van beiden een kans, want ze trouwde, zoals wij zagen, met Adolf van Huffel, die door zijn royale levenswijze haar geld wel goed zal hebben kunnen gebruiken. Van Huffel was dus Arend enTuttel voor geweest. Hermanna's tante Anna Dannenbergh vond dat voor hen zeker wat sneu. De volgende data geven te denken. Het huwelijk van Adolf van Huffel met Hermanna Vriesen werd op 22 februari 1755 te Zwolle voltrokken en twee dagen later, op 24 februari trouwde Arend Sloet met tante Anna in Steenwijkerwold. Arend had dus wel z'n rijke bruid, maar ze was dertig jaar ouder, zij 63 en hij 33 jaar.Toen Adolf van Huffel in 1762 overleed werd hij als drost van Salland opgevolgd door Arend Sloet, in een ambt dat de nodige financiële verplichtingen meebracht. In dit geval volgde een oom, van vrouwszijde, een neef op: vaker gebeurt het omgekeerde, maar de onderscheidelijke leeftijden maakten dit hier mogelijk. En Hilbrand Tutte!? In 1765 overleed Anna Dannebergh en zij gaf zowel Arend als Hilbrand nog genoegdoening door hen beide tot haar erfgenamen te benoemen. Wat Arend Sloet daarmee deed zal in het navolgende worden beschreven. Hilbrand Tuttel overleed,nog steeds ongetrouwd, op 18 juni 1774. Hij liet van zijn ruime erfenis een fonds van 40.000 gulden na om daaruit jaarlijks uitdeling te doen aan oude en armlastige bouwlieden, boeren en voerlieden. Hermanna Vriesen hertrouwde na de dood van Van Huffel met de markies de Louvois, op welk huwelijk later nog wordt terug komen.

Vermogen van Arend Sloet aan onroerend goed
Onder welke financiële omstandigheden verkeerden nu Arend Sloet en Anna Dannenbergh in het trouwjaar 1755?
Van Arend Herman Sloet verkreeg Arend door erfenis de havezateTweenijenhuizen, toenmaals geschat op 5.000 gulden. Er behoorden vier percelen land bij die, naar de taxatie van 1789, geschat werden op 4.100 gulden, dus tezamen met het huis 9.100 gulden. Arend Sloet had bij testament van 1728 van zijn neef ook een pre-legaat gekregen dat de havezate Hagensdorp omvatte, geschat op 3.400 gulden, plus enkele erven in het schoutambt Vollenhove van totaal 12.845 gulden. Tezamen 16.245 gulden.
Van de zijde van Philips Gerrit van Echten kwam bij testament van 25 maart 1755 de havezate 'Den Olden Ruytenburg'. Het huis - gelegen aande zuidzijde binnen de stad Vollenhove - had een waarde in 1755 van 6.400 gulden, met tien daarbij behorende percelen van totaal 4.805 gulden.Tezamen 11.205 gulden.
Van zijn ouders kreeg Arend niet zoveel: drie percelen ter waarde vantotaal 2.175 gulden. Toen hij nog minderjarig was en onder voogdij van zijn moeder stond, werd op Arends naam in 1739 een tweetal percelen gekocht voor 2.505 gulden. Het hele vermogen van Arend Sloet aan onroerend goed bedroeg dus bij zijn huwelijk 41.270 gulden.

Vermogen van Anna Donnenberg
Bij haar huwelijk beschikte Anna Dannenbergh reeds over een aanzienlijk vermogen. Het oudste bestanddeel, dat in de boedel Dannenbergh en op die manier in de boedel van Arend Sloet is terecht gekomen, dateerde al van 14december 1647 en betrof een obligatie ten laste van het kantoor van Salland, oorspronkelijk ten name van het lid van de Generaliteitsrekenkamer Robert van der Beecke, groot 500 gulden. Van Anna ter Stege, weduwe van Lucas Dannenbergh, waren er twee obligaties ten laste van het kantoor van Mastenbroek van 5 augustus 1695 van respectievelijk 600 en 500 gulden. Van Aleida Calckman, weduwe van Jacobus Dannenbergh, waren er zeven obligaties ten laste van het kantoor van Vollenhave in het tijdvak 1705-1723 van totaal 9.600 gulden. Na haar dood belegden haar erfgenamen nog twee obligaties ten laste van hetzelfde kantoor, beide van 14 augustus 1730, bedragende respectievelijk 1.573 en 1.993 gulden.
Van haar broer Egbertus verwierf Anna Dannenbergh negen obligaties uit de periode 1724-1746 van in totaal 10.267 gulden. Met Egbertus deed Anna ook gezamenlijk een veertiental beleggingen in obligaties, bedragende 33.747 gulden. Na Egbertus' dood erfde Anna dit bedrag. Alleen op naam van Anna stonden in de periode 1702-1754 zestien obligaties, makende 17.050 gulden. Alles bij elkaar bestond Anna's bezit aan obligatiesuit 75.240 gulden.
Na hun huwelijk hebben Anna Dannenbergh en Arend Sloet hun gezamelijk bezit nog vermeerderd met diverse hypotheken en obligaties voor in totaal 72.100 gulden. Anna bezat daarnaast nog veel onroerend goed. InVollenhove werd met haar geld het landbezit van Arend uitgebreid voor7.280 gulden. In Steenwijk was er een 'huis en stede met een plaats, stallingen en koetshuis aan de zuidzijde van de Gasthuisstraat en de westzijdevan de Onnigerstraat, ter waarde van 5.000 gulden, waarin het echtpaar de eerste tijd van hun huwelijk woonde, om na de verbouwing van Oldruitenborgh daar hun intrek te nemen. Later werd dit Steenwijkse huis verhuurd. In Steenwijk en wijde omgeving bezat Anna nog een twintigtal boerderijen en los land ter waarde van 37.459 gulden. Samen met obligaties -147.340 gulden - was het vermogen van Anna aan de hand van de gegevens uit de boedelbeschrijving van Arend in 1789 groot 184.799 gulden. Haar bezit aan obligaties bracht haar natuurlijk jaarlijks baten. Nergens is een rentepercentage vermeld, maar in die tijd gold een percentage van vier. Voor het onroerend goed een percentage van twee. Het valt te veronderstellen dat Anna 50% van haar jaarlijkse vermogensopbrengst heeft herbelegd. Uit de bovengenoemde cijfers is duidelijk dat het echtpaar steeds geld genoeg voor handen had om steeds nieuwe investeringen te doen.
Welke waren nu de beleggingen van Arend Sloet en zijn vrouw tijdens hun huwelijk aan adellijke personen?

Kwartier van Salland
Een hypothecaire lening in 1756 aan Joachim Adolf van Rechteren tot Rechteren ten bedrage van 14.000 gulden op de havezate Schuilenburg bij Hellendoorn. Een zelfde aan Jan Zeger van Welvelde tot Buckhorst van12.000 gulden, daterend van 1750, die in 1759 door zijn erven werd overgedragen aan Willem Bentinck tot Beverfeurde. Nog een in 1765 aan Arend van Echten tot Arendshorst van 8.000 gulden, in verband met de aankoopvan die havezate bij Ommen.

Kwartier van Twente
Twee hypothecaire leningen op Singraven bij Denekamp van 1757 en '58 aan Anthony Barthold Sloet tot Singraven en zijn vrouw Johanna Margaretha de Thouars van respectievelijk 12.000 en 11.000 gulden.

Kwartier van Vollenhove
Een lening van 8.000 gulden aan Gerrit Jan van Rhemen tot Rhemenshuizen en zijn vrouw Johanna Catharina Sloet, zuster van Arend, in 1764. Naast deze leningen aan enkele leden van de adel in Overijssel waren er veel grotere en kleinere leningen aan boeren en burgers in dat gewest,vooral in Vollenhove en omgeving, maar ook in Drenthe en Friesland, o.a.aan Onno Zwier van Haren en diens vrouw Sara Adel van Hulst van15.000 gulden en aan de familie van Heloma.

Een erfgenaam?
Het is begrijpelijk dat Arend Sloet en zijn vrouw Anna Dannenbergh zich hebben afgevraagd wat er na Anna's overlijden zou moeten gebeuren met dit grote vermogen. Zij bedachten toen een plan: Arends broer, Lodewijk Arend Sloet tot Plattenburg, die toen nog ritmeester was in het regiment van de graaf van Rechteren, was getrouwd met Johanna Geertruid Juliana van Sytzama, uit welk huwelijk al een dochtertje was geboren op 22 februari 1756. Het tweede kind zou wel eens een jongetje kunnen zijn. Zo gebeurde het ook. Op 6 juni 1757 werd het geboren. Afgesproken werd dat het de volledige namen, dus voor- en achternaam, zou krijgen van Anna's overleden broer en dat Anna petemoei zou worden. Zo werd de eerste zoon van het echtpaar Sloet van Sytzama niet naar één van de grootvaders genoemd, maar kreeg het bij de doop de namen Egbertus Dannenbergh Sloet tot Plattenburg. Helaas mislukte de opzet omdat het jongetje na een ziekte van elf dagen reeds op 4 maart 1759 overleed. Later zijn er geen soortgelijke pogingen ondernomen.

Overlijden van Anna Dannenbergh
Anna Dannenbergh overleed op 27 december 1765. Voorafgaande maakte zij op 22 november een acte van donatie op van haar roerend goed. Op 20 december maakte zij een beschikking dat haar man en Hilbrand Tuttel beiden evenveel zouden erven. Als gevolg daarvan troffen Arend en Hilbrand op 21juli 1766 een regeling waarbij de boedel werd verdeeld en Tuttel 160.000 gulden kreeg.
In 1789, toen de inventaris van Arends bezit werd opgemaakt, bleek dat hij veel meer gekregen had. Degenen die de inventaris opmaakten, te weten broer Lodewijk Arend Sloet tot Plattenburg, oomzegger Reint Wolter Sloet tot Marxveld en Willem Jan Nessink, voorheen schout van Vollenhove en Blokzijl, tastten ook in het duister en de weduwe verklaarde dat zij niet wist hoe de zaken tussen haar man en zijn eerste vrouw precies geregeld waren. Uit een onbekend gebleven kasboek van Anna bleken er 78 vorderingen bestaan te hebben variërend van 310 tot 51.875 gulden, meteen totaal van 581.570 gulden. Volgens het verdelingsaccoord moest Arend de kosten van de 'zeer splendide begrafenis' betalen, alsmede de kostbare grafsteen in de Grote Kerk te Steenwijk en de lopende schulden,die alles bij elkaar 7.088 gulden bedroegen. Aan legaten werd nog eens 21.400 gulden uitgekeerd. Aan baron de Breteuil, de erfgenaam van de markies de Louvois, werd op 9 januari 178480.803 gulden uitbetaald (laterwordt hierop teruggekomen). Vermoedelijk betrof het hier geld dat oorspronkelijk aan Andrea Dannenbergh, respectievelijk Hermanna Vriesen toekwam.
Het uiteindelijke vermogen dat Anna bij haar overlijden aan Arend naliet, is dus veel groter geweest dan aan de hand van de afzonderlijke posten van de boedelbeschrijving was op te maken. Hoe dat kon, zal bij gebrek aan gegevens wel altijd een raadsel blijven. Met dat vele geld dat er na Anna's overlijden tenslotte voorhanden was, hebben Arend en zijn tweede vrouw het beleggingsbeleid op de oude voet voortgezet.

Het tweede huwelijk van Arend Sloet
Arend Sloet hertrouwde reeds een jaar later op 16 december 1766. Hij was toen 44 jaar oud en zijn bruid was bijna 25, want ze was geboren op 31 december 1741. Deze bruid was Johanna Philippina van Dedem tot de Gel-der, dochter van Anthony van Dedem en Isabella Frederica Charlotte van Rechteren tot Mennigeshave. Zij was genoemd naar haar beide grootmoeders Johanna van Haersolte en Philippina van Castell-Rüdenhausen. Uitdit huwelijk werden zeven kinderen geboren, waarvan één jong overleed. Drie zoons en drie dochters trouwden allen en kregen nageslacht. Bij haar huwelijk kreeg Johanna Philippina ingevolge huwelijksvoorwaarden een douairie van 3.000 en een morgengave van 25.000 gulden. Verder kreeg de jonge echtgenote een bruidschat, die volgens de Inventaris bestond uit 'juwelen, kleinodiën en andere preciosa'. Ook werden vele nieuwe meubelen, rijtuigen en anderszins aangeschaft voor de inrichting van Oldruitenborgh, omdat Anna voor haar dood nog over haar roerend goed had beschikt. Kort na zijn aanstelling als drost van Salland in 1763, dus nog ten tijde van zijn eerste huwelijk, begon Arend Oldruitenborgh te verbouwen tot wat het was voor de verbouwing tot gemeentehuis na 1947. De waarde steeg daardoor van 6.400 naar 10.100 gulden. Hij ging dit huis zelf bewonen. Ook liet hij Tweenijenhuizen opknappen. Wat tevoren 5.000 waard was, werd in 1789 getaxeerd op 9.600 gulden. In gemeld jaar was het verhuurd aan de vrederechter mr. J.E. van der Linde voor 200 gulden per jaar. Hij leende van Johanna Philippina op 17 november 1787 de somma van 800 gulden, welke lening in Zwolle werd afgesloten. Blijkbaar woonde zij na Arends dood nog in het huis dat Arend gekocht had toen hij het als drost nodig had. Het stond in de Diezerstraat (het grijze gedeelte van het voormalige Provinciehuis) en werd in 1770 gekocht van de graven van Rechteren tot Rechteren en vervolgens geheel 'vertimmerd'. Het was in1789 22.000 gulden waard. Alvorens nader in te gaan op de activiteiten van Arend als drost en voorzitter van de Staten, wordt eerst nagegaan hoe Arend Sloet met vele leden van de Overijsselse adel financiële verbindingen had.

Financiële banden
Familie van Haersolte
a. In 1779 sloot de douairière Johan Gerhard Blankvoort tot Benthuis, geboren Johanna van Haersolte, een hypothecaire lening van 2.000 guldenop de havezate Benthuis te Vollenhove, welke zij vervolgens verkocht aan Coenraad Willem van Haersolte tot Staverden ten behoeve van zijn zoon Carel Willem, die daardoor toegelaten kon worden in de Ridderschap.
b. Fenria Elisabeth van Haersolte van Bijssel, dochter van de oud-drostvan Salland, sloot op dezelfde datum van 5 maart 1782 twee leningen af van respectievelijk 8.000 en 7.000 gulden.
c. Rutger van Haersolte tot Tautenburg en zijn vrouw Anna Elisabeth van Haersolte sloten in 1768 een hypothecaire lening van 5.000 gulden op de havezate Tautenburg te Vollenhove, die in 1787 voor 3.000 gulden werd gecedeerd aan Jan Arend de Vos van Steenwijk tot Nijerwal.
d. Een andere Anna Elisabeth van Haersolte was gehuwd met Hendrik van lsselmuden tot Paeslo. Zij sloot in 1776 een lening van 1.000 gulden en een jaar later één van 2.000. Deze hypotheken gingen na haar dood over op haar dochter Coenradina Wilhelmina, die gehuwd was met de eerder genoemde Jan Arend de Vos van Steenwijk.

Familie van Rechteren
a. Frederik Lodewijk Christiaan van Rechteren, broer van de eerder vermelde Joachim Adolf en gehuwd met Wilhelmina Charlotte Dorothea Rijksgravin van Heiden-Hompesch, sloot in 1781 een hypothecaire lening op de heerlijkheid De Eese (in Steenwijkerwold) van 16.000 gulden.
b. Aan Christiaan Albrecht van Rechteren tot Borgbeuningen, gehuwd met Gerharda Johanna Blankvoort tot Benthuis, werd in 1779 5.000 gulden geleend. Borgbeuningen onder Oldenzaal had hij van zijn gelijknamige oom geërfd, die op zijn beurt de erfgenaam was geweest van Timon Sloet tot Borgbeuningen.
c. Een obligatie van 600 gulden werd in 1780 uitgezet bij Joachim Philip Adolf van Rechteren tot Mennigeshave en diens vrouw Ida Elisabeth van Voorst tot Averbergen.

Familie van Voorst
a. Derk Ernst van Voorst tot Averbergen en Borgel sloot in 1768 een lening van 1.000 gulden.
b. In 1778 sloot Dirk Christoffel van Voorst tot Hagenvoorde, gehuwd met Jacoba van Raesfelt, een hypothecaire lening op Hagenvoorde onder Wijhe af van 15.000 gulden. Zij deden dit om hun oudste zoon Theodorus Anthony in staat te stellen een compagnie in het regiment Nassau-Weilburg te kopen. In 1779 en '81 sloten ze nog aanvullende leningen van 4.300 en 3.000 gulden.
c. Derk Frederik van Voorst tot Alerdink, haagschaut van Hasselt, en zijn vrouw Adriana Josina van Haersolte tot Elsen, leenden in 1776 een bedragvan 1.000 gulden.
d. Een bedrag van 5.300 gulden werd in 1787, na Arends dood, door zijn weduwe geleend aan Christoffel Casimir Adolph van Voorst, schout van Wijhe.

Familie van Pallandt
a. Adolf Werner van Pallandt tot Zuthem, drost van IJsselmuiden, leende in 1779 450 gulden en in 1783 3.000. Daarna van Arends weduwe in 17888.000 gulden, toen hij was ontslagen als drost.
b. August Leopold van Pallandt tot Eerde, Beerse en Oosterveen met zijn vrouw Elisabeth van Haersolte tot Egede sloten in 1779 een lening groot 5.400 gulden.

Familie van Dedem
Arends zwager Frederik Gijsbert van Dedem tot de Gelder, later gezantbij de Verheven (Ottomaanse) Porte, gehuwd met Adriana Sloet, dochtervan Arends broer Boldewijn, leende op 13 apri l1774 8.750 gulden voor de aankoop van de Twentse havezate Hagmeule bij Delden, die hij voor16.214 gulden had gekocht van Jacob Jan van Wassenaer tot Twickel op dezelfde datum. In 1778 leende hij nogmaals 8.000 gulden.

Familie Gansneb genaamd Tengnagel
a. Een obligatie groot 2.000 gulden werd in 1772 verstrekt aan Borchard Herman Gansneb gen. Tengnagel tot Luttenberg en eveneens in 1775 één van het zelfde bedrag.
b. Aan Lambert Joost Gansneb gen. Tengnagel tot Bonkenhave werd in1773 een bedrag geleend van 1.000 en in 1775 nog eens 1.000 gulden.
c. Aan Alardina Elisabeth Beatrix Gansneb gen. Tengnagel tot Krijtenberg, weduwe van Gerrit Maurits van Hemert, werd tezamen met haar zoon Daniël Adolph van Hemert in 1778 een bedrag van 4.000 gulden geleend.

Familie Bentinck
Berend Hendrik Bentinck tot Buckhorst sloot in 1783 een lening van 3.000 gulden.

Familie van lttersum
Het echtpaar Frederik Alexander van Ittersum tot de Oosterhof en Anna Judith Sloet tot Plattenburg, dochter van Arends broer Lodewijk Arend, leende van Johanna Philippina in 1787 een bedrag van 4.000 gulden.

Familie Sloet
De reeds eerder genoemde Anthony Barthold Sloet tot Singraven kreeg nog een hypothecaire lening in 1768 van 10.000 gulden.Op de aangegeven wijze waren leden van vrijwel alle Overijsselse adellijke geslachten debiteuren van Arend Sloet geworden, zowel tijdens zijn leven als kort daarna van zijn weduwe. Met velen van hen had hij ook te makenals voorzitter van de Staten. Het maakte hem ook niet uit of zij prinsgezind dan wel patriot waren.Al deze leningen, hier en hiervoor vermeld, bestonden nog in 1789 en zijn vermeld in de toen opgemaakte Inventaris van Arends nalatenschap.Bezien over de jaren 1766 tot en met 1788, vertoont het beleggingsbeleid een grillig beeld. Misschien was er wel geen vastomlijnd 'beleid' maar werden leningen in Overijssel, Friesland en Drenthe op aanvraag verstrekt. Totaal werd een bedrag van 390.430 gulden uitgezet. In 1771 niets uitgeleend en in 1772 slechts één post, waarschijnlijk in verband met de aankoop, verbouwing en inrichting van het huis in Zwolle. Daarbij komen nog de aankopen van onroerend goed en de beleggingen in Groningen, waarover later meer.

Niet alle beleggingen waren even goed. Uiteindelijk moest er voor een bedrag van 35.490 gulden worden afgeschreven als zijnde dubieus. Het betrof hier voornamelijk twee vorderingen op Rutger van Haersolte tot Tautenburg en op de uitgebreide boerenfamilie Sijses in Friesland, die in de loop der jaren vele leningen had verkregen. Op een totaal van 604.556 gulden was dit ongeveer 6 percent.

Wat geld betreft kon Arend Sloet naar gegevens van de belastingen in 1758, dus drie jaar na zijn eerste huwelijk, goed meekomen. Als rijkste van de Overijsselse adel werd Unica Wilhelm Rijksgraaf van Wassenaer tot Twickel aangeslagen voor 225.790 gulden (in Overijssel), waarna Arend volgde voor 179.980; daarna volgden Rijksgraaf van Heiden-Hompesch tot Ootmarsum voor 176.871 en Adolf Philip Zeger Rijksgraaf van Rechteren tot Almelo voor 163.415.

II. Arend Sloet als voorzitter van de Staten van Overijssel
Het 'NederlandscheJaerboek' van 1763 meldde over Overijssel in de maand april: 'Den 31 van dezelfde maand hebben Ridderschap en Steden, uitmakende de Staten dezes Lands tot Drost van Salland aengesteld den Hoog Ed. Geb. Heer Arent Baron Sloet, heer van Tweenieuwenhuisen, Hagensdorp en Olden Rutenberg'. Hij was geen Sallands edelman, hetgeen voor benoeming tot drost in die tijd geen bezwaar meer was. Ook Wolter Jan van Haersolte had in het verleden geen havezate in Salland gehad toen hij tot drost benoemd werd.
Toen vond men nog een uitweg door hem te laten compareren voor de havezate Arkelstein onder Bathmen, die in het bezit van de Staten was en voor dit doel werd aangehouden. Bij zijn opvolger, de reeds meermalen genoemde Adolf van Huffel, was die Arkelsteinse omweg niet nodig geweest omdat hij de havezate Verborg in Zwollerkerspel bezat. Toen Arend hem opvolgde was de eis van het hebben van een havezate in Salland reeds losgelaten.Arend was in 1746 ingeschreven in de Ridderschap van het Kwartier van Vollenhove. Hij had toen de voorgeschreven leeftijd van 24 jaar bereikt. Ook zijn oudere broer Roelof Sloet tot de Hare trad tegelijkertijd toe.
Toen Arend zijn intrede deed telde de Ridderschap van Overijssel 71 leden, namelijk 32 uit het kwartier van Salland, 23 uit het kwartier vanTwente, waaronder 4 Sloeten (Singraven, Pekkedam en twee maal Warmelo) en 16 uit het kwartier van Vollenhove, waaronder 5 Sloeten (Westerholt, Marxveld en de 3 broers Lindenhorst, de Hare en Tweenijenhuizen)." In het spel rond de benoemingen voor de onderscheidene functies, de zgn. 'commissiën', die er in dat Stadhouderstijdperk te vergeven waren, had Arend Sloet reeds voor 1763 meegedaan." Zo was hij per 1 november1757 lid geworden van de 'Binnenlandsehe Deputatie', een college dat overeenkomt met dat van Gedeputeerde Staten van nu. Begin 1757 vormden Adolf Werner van Pallandt tot Zuthem namens Salland, Arend Sloet tot Warmelo namens Twente en Allard Jan Gansneb gen. Tengnagel namens Vollenhove het riddermatige deel van de Deputatie, naast de 3 vertegenwoordigers van de 3 steden. Gansneb wisselde zijn functie elk jaar met Arend. Ook was Arend in 1762 benoemd tot Extra (d.i. reserve) Gecommitteerde ter Staten-Generaal voor de periode 1 mei 1762 tot 1 mei 1763, met zijn broer Roelof als Ordinaris Gecommitteerde. Deze was dit al sedert 1754 en bleef dit onafgebroken tot zijn dood in 1790. Beide broers steunden elkaar geregeld.

Familiebanden
De Jong spreekt in zijn boek over 'Joan Derk van der Capellen'" over 'de in vele opzichten voortreffelijke organisatie van de Ridderschap, die werd gesteund en versterkt door eng vervlochten familiebanden'. Als een staaltje daarvan het volgende.Naast de uitgebreide Sloeten-familie waren er door Arends tweede huwelijk relaties ontstaan met de familie Van Dedem, die wat grootte betreft niet onder deed voor de familie Sioet. Arends schoonvader was Anthony van Dedem en diens vader heette Gijsbert. Een zuster van Anthony was Anna Elisabeth van Dedem, die gehuwd was met Willem Hendrik Bentinck tot Werkeren, uit welk huwelijk Hillegonda Anna Bentinck was geboren.Zij werd de vrouw van Joan Derk van der Capellen tot de Pol, met wie Arend een groot deel van zijn voorzitterschap te maken had.
De vrouwen van Arend en Joan Derk waren dus nichtjes. Zij moeten elkaar van jongsaf gekend hebben. Johanna was geboren in 1741 op de Gelder bij Wijhe en Hillegonda in 1738 op Wittenstein in Kamperveen. Ontmoetingspunt waser bijvoorbeeld bij de tantes in de Bloemendaalstraat in Zwolle, in het huis met het Van Dedemwapen. Het echtpaar Van der Capellen woonde 'swinters daarnaast, terwijl het echtpaar Sloet in de Diezerstraat woonde. Genoemde Gijsbert van Dedem had een zuster Johanna Christina, die getrouwd was met Elbert van Pallandt, uit welk huwelijk twee zoons waren geboren: Gijsbert Jan van Pallandt tot Glinthuis en Adolf Warner van Pallandt tot Zuthem. Eerstgenoemde zoon was in zijn jonge jaren een 'mede-minnaar' geweest van zijn nichtje Hillegonda Bentinck," maar Joan Derk had het van hem gewonnen. Hij bleef zijn gehele leven ongehuwd en was lange tijd prinsgezind Ordinaris Gecommitteerde ter Staten-Generaal.
Adolf Warner van Pallandt was eerst Gedeputeerdeen later drost van IJsselmuiden. Oorspronkelijk prinsgezind en tegenstander van Joan Derk bij zijn admissie of toelating in de Ridderschap in 1770, stond hij in 1778 evenwel geheel aan diens kant. Als patriot kreeg hij na 'Goejanverwellesluis' ontslag als drost van IJsselmuiden, maar na de omwenteling in 1795 werd hij drost van Salland.
Financieel had hij, zoals we zagen, steun gezocht bij Arend en diens weduwe. Gijsbert Jan van Pallandt werd als Gecommitteerde door de gunst van de Stadhouder tevens tot baljuw van Axel, Terneuzen en Biervliet benoemd. Zijn mede-Gecommitteerde Roelof Sloet werd om die reden tevens vereerd met het lucratieve ambt van kwartierschout van Peelland in de Meijerij van 's-Hertogenbosch.

Doordat gemelde Van Pallandt zijn zetel voor Salland in de Staten-Generaal zo lange tijd bezet hield, was daar geen plaats voor de jonge Frederik Gijsbert van Dedem, Arends zwager. Hij kocht daarom de havezate Pekkedam bij Diepenheim in Twente en kon zodoende toch Ordinaris-Gecommitteerde worden, nu namens Twente. Later kocht hij nog deTwentse havezate Hagmeule, waarvoor Arend hem de financiële middelen verschafte. De adellijke helft van de 6 Overijsselse Gecommitteerden was dus nauw verwant aan Arend.
Na de affaire met de havezate Breedenhorst bij Heino, kocht Joan Derk van der CapelIen in 1775 de havezate de Pol in de buurtschap IJhorst van Reinder van Raesfelt tot Heernse,
Deze havezate was een leen van de leenkamer van Tweenijenhuizen, waarvan Arend de leenheer was. Het is waarschijnlijk dat Arend hem op deze te koop staande havezate attent heeft gemaakt. Na de dood van Joan Derk werd zijn weduwe er mee beleend, onder hulderschap van neef Adolf Werner.
Arends jongste broer Coenraad WiIIem Sloet tot Marxveld was van 1758 tot zijn overlijden in 1784 landrentmeester van Vollenhave geweest. Bij zijn overlijden op 19 juni van dat jaar was het ambt dus vacant en nog dezelfde maand schreef Arend een brief aan de Stadhouder waarin hij deze herinnerde aan zijn 'gunstige toesage' ten aanzien van Arends oudste zoon, ook Coenraad Willem geheten, voor de opvolging in deze functie, waarbij wegens diens minderjarigheid, hij was nog geen 17jaar, een schikking zou kunnen worden getroffen. Hij zag later echter van deze toezegging af, schreef hij, omdat hij vernomen had dat zijn broer Lodewijk Arend ook solliciteerde naar deze functie. Deze was zoveel ouder dan zijn zoon, zodat Arend Sloet aan hem de voorkeur gaf en deze bovendien de 'apui' van de drost van Vollenhave had. Het zou Arend daarom 'ten uijttersten aangenaam zijn, indien Uwe Doorl. Hoogheijd dezelven met het voorschreven ampt gelieft te beneficeren'.

Prins Willem V
Voor Arend was de belangrijkste persoon met wie hij als drost te makenhad de stadhouder zelf. Als drost van Salland bekleedde hij ook de functie van luitenant-stadhouder, de vertrouwensman van de Stadhouder in de provincie. De drost van Salland was de primus interpares van zijn beide collega's van Twente en Vollenhove, In Twente was dat Sigismund Rijksgraaf van Heiden-Hompesch tot Ootmarsum, die in 1764 zijn vader was opgevolgd. In Vollenhove fungeerde als zodanig tot 1779 Jan Arend de Vos van Steenwijk tot Nijerwal en na diens overlijden Derk Bentinck tot Diepenheim. Met beide laatstgenoemden bestonden nauwe betrekkingen. De Vos was met zijn havezate Nijerwal te Vollenhove de naaste buurman van Arend op Oldruitenborgh. Diens opvolger Bentinck was getrouwd met Elisabeth Sloet, dochter van de eerder genoemde Arend Sloet tot Warmelo.Ook met de Twentse drost stond Arend op goede voet, hoewel deze een zeer dominerende figuur was.
Arends voorganger Adolf van Huffel had zijn invloed in Den Haag verspeeld wegens zijn heftig optreden en willekeurige arnbtsbegeving. Daardoor was Arend niet direct in de gelegenheid dezelfde positie van weleer in te nemen bij de hertog van Brunswijk, die na het overlijden van Anna van Hannover in 1759 regent was geworden. Pas toen Willem V in 1771 23 jaar was geworden begon een wederzijdse briefwisseling. In het Rijksarchief te Zwolle bevinden zich 77 brieven van de Stadhouder aan de Arend en in het Kon. Huisarchief 53 brieven van Arend aan de Stadhouder. Aanhef en ondertekeningvan de brieven geven de verhouding weer tussen heer en dienaar. De 50-jarige Arend schrijft aan de 23-jarige Prins: 'Doorluchtige Hoog Geboren Vorst en Heere' en ondertekent met 'Uwe Doorl. Hoogheijds Zeer Ootmoedige en gehoorsame Dienaar'.
Onderdanig en vol eerbied was ook de toon van de brieven. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de eerste brief van 8 oktober 1771. Naar aanleiding van een bericht van de Stadhouder is Arend terstond van Vollenhove naar Zwolle gegaan om diens order uit te voeren. Daar bleken de leden van Gedeputeerde Staten afwezig te zijn terwijl de griffier geen nieuwe vergadering had uitgeschreven. Sloet haastte zich toen naar Deventer om tegen 15 oktober de Ridderschap bijeen te roepen: vlugger kan niet, zo verzekert hij. Bij zijn terugkomst in Zwolle wordt hij weer 'gehonoreerd' met een missive van de Stadhouder, nu met het verzoek de Gedeputeerdenter Generaliteit van een 'gave Resolutie' te voorzien. 'Ik zal al wat in mijn vermogen is toebrengen om de Resolutie te doen uitvallen volgens het sentiment van Uwe Doorl. Hoogheijd, hetwelk mij ook als het eenigste en beste middel voorkomt om de publieke zaaken te houden buiten confusie, zullende dan bezorgen dat de Resolutie ten spoedigste worde verzonden.'
Op dezewijze berichtte Arend de Stadhouder over tal van gebeurlijkheden in de provincie en zijnerzijds schreef de Prins zijn reacties daarop. Zo opperde de Prins in zijn brief van 30 maart 1779 zijn gedachten over de 'overstemming', dat is de wijze van stemming in de Staten, een oud twistpunt. De Prins schreef: 'Het zal mij byzonder aangenaam zijn zo ik een middel kan vinden om de twistappel uit de weg te ruimen'. Dan volgde een voorstel. 'Dit zijn losse gedachten die mij onder het schrijven invallen en die nog niet genoeg gekookt zijn om daar op te kunnen doorgaan'.
Veelvuldig werd Arend geraadpleegd over benoemingen in de onderscheidene functies, die door de Stadhouder waren te vergeven, zowel provinciaal als landelijk. Ook drong hij geregeld aan om de drosten van Twente en Vollenhove in kennis te stellen van zijn missiven, waartegen-over Arend vaak mededeelde dat hij namens zijn collega's sprak. Het meest waren de contacten met de drost van Twente. Zo stelde Arend bijvoorbeeld in 1778 uit beider naam voor om in de vacature van dingwaarder (openbaar aanklager), ontstaan door het terugtreden van Reinhard van Rechteren tot Gramsbergen, Johannes van Coevorden tot Rande te benoemen. Helaas overleed deze een jaar later en toen waren beide drosten het niet met elkaar eens over de nieuwe kandidaat. Arend stelde de prinsgezinde Derk Ernst van Voorst tot Borgel voor, maar zijn Twentse collega kwam met de patriot Christiaan Albrecht van Rechteren tot Borgbeuningen. Toen voelde de Stadhouder zich vrij om zelf ook met een kandidaat te komen en wel met August Leopold van Pallandt tot Beerse, die uiteraard prinsgezind was. Maar hoe verschillend ze ook waren, allen hadden gemeen dat ze bij Arend in het krijt stonden.
Niet alleen bestuurlijke zaken kwamen aan de orde. In de brief van 24september 1778 schreef de Stadhouder een P.S.: 'Gade geve dat de Provincie van Overijssel geen schade moge lijden door de zware storm gelijk dievan 1775 en 1776'. Reeds eerder had hij zich over die stormen bezorgd getoond en aangedrongen om de dijken in orde te maken. Arend kwam ook aan het hof, zoals voor de doopplechtigheden van prinses Louise en de prins van Oranje. Anderzijds kwam ook de Stadhouder op bezoek. In 1773 was hij te gast in Zwolle om de vergadering van de Staten bij te wonen." Voor deze feestelijke gelegenheid waren 46 edelen en 26 stedelijke magistraten aanwezig. Het doel van de reis was om Overijssel te winnen voor de uitbreiding van landmacht en vloot. De meeste correspondentie tussen de Prins en Arend en vice versa betrof echter Joan Derk van der Capellen tot de Pol," waarin Arend niet schroomde om duidelijk stelling te nemen ten aanzien van zijn aangetrouwde neef.

De zere hand
In februari 1776 ontbrandde tussen twee Zwolse geneesheren een twist, die tot een gerechtelijke klacht zou leiden van dokter Cyrus tegen dokter Stolte." Slachtoffer van dit geschil, een medische handeling volgens dokter Stolte, een medische mishandeling volgens dokter Cyrus, was Arend Sioet. Hij had ganggreen, koud vuur, in twee vingers van zijn rechterhand, waarin dokter Stolte met onvoldoende resultaat gesneden had. Dat snijden, uiteraard zonder narcose, veroorzaakte ondragelijke pijnen. Dokter Cyrus vondhet niet gewenst dat er weer gesneden zou worden, dokter Stolte vond van wel. De strijd liep zo hoog op dat men elkaar voor het gerecht daagde. Volgens het verslag van het proces was er in dezelfde tijd een landdag van de Staten waarvoor vele gasten in het huis van Sloet in de Diezerstraat gelogeerd waren. Het waren de drost van Twente, Van Heiden-Hompesch, en Arends naaste familieleden zoals zijn beide broers Sioet van de Hare en van Plattenbrug en zijn zwagers Van Rhemen tot Rhemenshuizen en Van Dedem tot de Gelder. Zij waren allen oog in oog getuigen van het lijden van Arend. Zelfs professor De Lille uit Franeker werd geconsulteerd, de vader van Willem de Lille, die sinds 1772 de huisvriend was van het echtpaar Sloet van Dedem. Tenslotte liep het met de hand van Arend nog goed af.

Ter Heyl en de Groningse beleggingen
In de provincie Groningen, destijds bekend onder de benaming Stad en Lande, had Arend ook verscheidene aankopen gedaan en leningen geplaatst. Nog samen met Anna Dannenbergh werd in 1765 aan hem een restant verkoopsom overgedragen van een 'Heert Lands' onder Termuntenten bedrage van 2.500 gulden. Daarna volgde sinds 1767 een 30-tal transacties voor de totale somma van ruim 100.000 gulden. Het betrof hier zowel los land, zoals 'nieuws ongedijkte landen agter Finsterwolde' als huizen inde stad Groningen, waaronder zelfs twee herbergen 'Rotterdam' en 'Het wapen van Stad en Lande'. De wederpartijen waren vaak leden van de deftige burgerij zoals Dr. Hoeth tot Bovenbuiren, de echtparen Coppen-Jarges en Anna Lewe, de cornet J.A. Picard en Gesina Swijman, de 'Capitein Ingenieur' J. Trip, Mr. J.A. Engelhard, mevrouw Ter Pelkwijk, enz.Ook kwamen in 1770 vier verzegelingen tot stand, die gesloten werden 'ten laste de Repraesentanten van de huise Nienoort modo de Heer [Ferdinand Folef] Baron van In- en Kniphuizen tot Ulrum en Nijenoort' van in totaal 20.000 gulden.In 1783 werd door Arend de havezate Ter Heyl (in Nietap bij Roden) gekocht van het echtpaar Jan Carel van der Borch van Langetrier en Johanna Habina van Inn- en Knyphausen, welk huis met land in 1789 in de Inventaris genoteerd stond voor 51.408 gulden. Door geldgebrek had Ferdinand Folef Ter Heyl aan de genoemde verwanten moeten verkopen. Dan volgde eind 1784 een drietal verzegelingen van totaal 15.000 gulden, ten laste van de huizen 'de Nijenoort en ter Heyl' op de vaart door de Nijenoortse venen ten behoeve van Mr. Willem de Lille, doch kort daarna overgedragen aan Arend Sloet, ten bedrage van 51.200 gulden.
Waarom de omweg via Witlem de Lille? Kenden Willem en Ferdinand Folef elkaar? Beiden stonden namelijk bekend als patriotten." Of was het dat Willem Ter Heyl wel eens wilde zien? De gehele transactie met Ter Heyl is ingewikkeld. De Inventaris vermeldde aan het slot daarom ook: 'Alles breder op de rekeningen van Mf. J.J. Cremers te zien', de advocaat/makelaar die in vele van de bovengenoemde transacties een bemiddelende rol speelde.

Willem de Lille
Willem de Lille" werd op 1 mei 1750 te Zwolle geboren als zoon van Christiaan Everard de Lille en Johanna Marcella Meteierkamp. Zijn vader was eerst arts in Zwolle en daarna hoogleraar aan de Hogeschool in Franeker. Willem had de rechtenstudie gekozen en werd in Steenwijk eerst advocaat en nadien stadssecretaris tot februari 1784. Hij behoorde eerst tot de prinsgezinden, doch was in juli 1785 naar de patriotten overgegaan. Vele familieleden behoorden ook tot de patriotten, zoals zijn zwager Joan Valckenaer en zijn oom Rutger Metelerkamp, die in Zwolle voorzitter was van de 'meente'. Ondertussen was hij zeker reeds sinds 1772, toen zijn gelegenheidsgedichten voor leden van de familie Sloet begonnen, huisvriend vanhet echtpaar Sloet Van Dedem op Oldruitenborgh. Ook hielp hij ArendSloet bij diens Groningse transacties.
Begonnen als geldbelegging, heeft de aankoop van Ter Heyl ook misschien tot doel gehad als een weduwenplaats voor Arends vrouw te dienen. Arend zal wel niet onkundig zijn geweest van de goede betrekkingen van zijn vrouw Johanna Philippina met Willem de Lille. Sinds 1774 schreef Willem aan Arends vrouw gedichten bij haar verjaardag. Het laatste couplet van een lang gedicht in 1776 luidde:
'Zo is mijn hart, Mevrouw! -
Zo zal het 't allen tijd
Gelijk Uw Huis,
mij tot een heiligdom verstrekken,
En blijft U toegedaan,
hoe ook de wrevel nijd
Haar tanden scherpe,
om mij met laster te bevlekken;
Ja! .....zo immermeer
Uw gunst onwaardig word
Zo 'k ooit ondankbaar ben,
voor 't goed aan mij bewezen
Dan moet deze beker,
die ik voor uwe welzijn stort
Dan moet dit druivenat
voor mij vrij doodlijk wezen'.
Een gedieht met vele toespelingen, die voor een goede verstaander voldoende moesten zijn. Arend Sloet bleef Willem de Lille evenwel goedgezind. Op 18 maart1784 schreef hij ten behoeve van hem aan de Stadhouder: 'De Heer Eekhout, ontvanger van de Polder Mastenbroek overleden zijnde, en UwDoorl. Hoogheijd reeds voor vier Jaren en vervolgens bij herhaling aan mij de toesage van dit ampt gedaan hebbende voor de gewesen Secretaris Mr. Willem de Lille, soa neme mij de vrijheid Uwe Doorl. Hoogheijd zulkste herinneren met ootmoedig verzoek dat Uw D.H. behagen moge denselven met voornoemde ontvangst, nu vacant zijnde te benificeren, waardoor Uwe Doorl. H. ten uitersten verpligten zal die de Eer heeft zig met waardeveneratie en attachement te onderschrijven enz.' Maar op 9 april daaraanvolgende moest hij de teleurstellende mededeling doen dat de Stadhouder niet de voordracht voor de begeerde functie deed. Hij beval De Lille vervolgens aan voor als het ontvangerschap van Salland of Vollenhove vacant mocht komen. Al had de poging om De Lille aan een baantje te helpen geen succes, het tekende toch de goede verstandhouding van de prinsgezinde drost jegens de patriot Willem, de huisvriend.

Baron de Breteuil
In het voorgaande werd reeds vermeld, dat Hermanna Vriesen was hertrouwd en wel in 1775 met Louis Sophie Letellier de Souvré, markies de Louvois. Deze was luitenant-generaal geweest en weduwnaar van Claude Louise Gagnat de Longni. Dat huwelijk was kinderloos gebleven. Hermanna woonde sindsdien afwisselend in Parijs en Zwolle. De markies de Louvois had een neef Louis Auguste leTonnelier baron de Breteuil," die erfgenaam werd, met het recht van boedelbeschrijving van Hermarma's bezittingen, toen zij op 6 juni 1781 te Zwolle overleed. De Breteuil was voorheen gezant in Den Haag geweest en sinds enige jaren als minister verbonden aan de hofhouding van de Franse koning. Het was in die tijd dat Joan Derk van der Capellen contacten zocht met Frankrijk.
De Breteuil dacht dat deze Overijsselaar wel iets af zou kunnen weten vanzijn pas verworven erfenis in dat gewest, waarbij hem gebleken was dat de drost van Salland er bij betrokken was." Reeds had de markies de Louvois na haar overlijden een vordering van 100.000 livres gepretendeerd op Hermanna." Daar wilde De Breteuil het fijne van weten. In zijn brief van 27 september 1783 aan Van der CapelIen is De Breteuil nog niet erg te spreken over 'Ms. le Bailly de Salland', maar uit de briefvan 16 januari 1784 blijkt dat de strijd gestreden was en kon Joan Derk De Breteuil feliciteren met de goede afloop van het geschil, waarbij De Breteuil volgens Joan Derk op een genereuze wijze had gehandeld.
Uit de 'Evaluatie' van 1789 blijkt, dat er een transactie is geweest van 9 januari 1784 waarin overeengekomen werd om uit te keren: volgens liquidatie 13.303 gulden en volgens kwitantie 67.500, tezamen dus 80.803 gulden. De Breteuil schreef na afloop aan Joan Derk een briefje waarin hij zijn dank betuigde voor diens hulp in deze 'discussion pecuniaire'.

Ziekte en overlijden van Arend Sloet
Al in 1783 schreef Van der Capellen aan De Breteuil dat 'Le Drossard de Salland est dangereusement malade'. In 1784 was hij zodanig ziek dat men over zijn opvolging ging speculeren. Enkele vergaderingen van de Staten van Overijssel kon Arend wegens ongesteldheid of onpasselijkheid al niet bijwonen. Een keer dat Sloet ziek werd gemeld, schreef hij toch daags daarna een brief aan de Stadhouder waarin hij over het voorgevallene ter vergadering verslag deed. Als Arend absent was, werd hij vervangen door de drost van Twente, die op zijn beurt ook wel eens verstek moest laten gaan wegens ongesteldheid of wanneer hij geen zin had om de vergadering te bezoeken. De Prins schreef op 11 april 1786: 'Ik hoope dat het aanstaande goede saisoen aan UHWG gezondheid bevorderlijk mag wezen, en dat UHWG weederom in staat moge komen om uit te gaan en ter Staatvergadering het Praesidium waar te nemen.' In zijn laatste brief van 15 april 1786 schreef Arend aan de Stadhouder dat geen leden van het kwartier van Salland zich bij hem hadden aangemeld voor 'commissies', maar dat hij vernomen had dat men zich elders had aangemeld omdat hij zelf buiten staat werd geacht om voordrachten te doen, 'terwijl [ik] van alles onbewust ben'. Hij verklaarde zeer gevoelig te zijn voor het feit dat de Stadhouder zich om zijn gezondheid had bekommerd. Sedert eenige dagen is het met de hoofdpijn en binnenkaarsen wat beter'. Hij schreef de brieven niet zelf, maar zette alleen zijn handtekening, die steeds onvaster werd en bij de laatste brief zeer bibberig was. Arend Sloet overleed op 12 mei 1786 thuis op Oldruitenborgh.
In de Ridderlijke Duitse Orde, Balije van Utrecht, waarin hij in 1767 de rang van jonkheer had verkregen en in 1770 die van commandeur, was hij op 20 maart '86 bij recht van opklimming tot coadjutor benoemd, doch kon door zijn overlijden de officiële opneming als zodanig niet meer meemaken.

De opvolging
Toen Arend Sloet overleden was, zond de Prins zijn broer Roelof een brief van 7 mei 1786, waarin hij hem condoleerde met 'dit smertelijk verlies'. Tevens gaf hij Roelof in overweging of het hem zou 'conveniëren in deze troebele tijden die Post te ambiëren. Ik zoude liefst zien dat UHWG gelieve te continueeren om waar te neemen de Commissie in HHMog., doch hebben niet van het ampt willen disponeeren alvorens UHWG er over geschreven te hebben.' Maar als Roelof niet wilde, zo vervolgde de Prins direct, dan had hij de oplossing reeds klaar, namelijk om de drost van Twente te benoemen tot drost van Salland, de drost van Vollenhave tot drost van Twente, de drost van Haaksbergen tot drost van Vollenhove en de heer van Luttenberg (Borchard Harmen Gansneb gen. Tengnagel tot Luttenberg, die steeds pro-Van der CapelIen was geweest) tot drost van Haaksbergen. Wel voegde de Prins hier nog aan toe: 'Ik zal hierop in eerste UHWG consideratiën afwagten en UHWG kan verzeekerd zijn dat zo ik UHWG eenig plaisier kan doen ik altoos gretig zal zijn; UHWG kunnende reekenen onder de oude vrienden van het Huys die de Constitutie willen helpen mainteneren.'Op 29 mei schreef Roelof Sloet terug dat hij het geheel eens was met de Stadhouder; hij kon na deze duidelijke hint ook moeilijk anders. Vervolgens vonden de benoemingen plaats zoals de Prins die had voorgesteld.

De nalatenschap
Johanna Philippina van Dedem stond na het overlijden van Arend Sloet voor de taak de erfenis te doen beschrijven en in ontvangst te nemen. Zij werd daarbij geholpen door de reeds genoemde zwager Lodewijk Arend Sloet, neef Reint Wolter Sloet en mr. Nessink, die door de magistraat van Vollenhove ook tot 'momberheren' waren benoemd over de zes minderjarige kinderen. De zeer omvangrijke nalatenschap, die vele honderden posten bevatte, moest worden geïnventariseerd, welke opdracht door Johannes Bom, schepen van Vollenhove, werd uitgevoerd. Op 3 januari 1789 was hij daarmee gereed; zijn werkstuk, de 'Staat van Inventaris', telde 126 bladzijden, in het voorafgaande met 'Inventaris' aangeduid. Ook werd een 'Evaluatie'van de boedel en nalatenschap van hetgeen aan de kinderen werd nagelaten, opgemaakt.
Naast genoemde voogden werd de weduwe geassisteerd door 'de Heeren Mr. W. de Lille als H.H.W.G. verkooren momber'. Zij trouwden nog in hetzelfde jaar 1789, zij was toen 48 en Willem 39 jaar. Zij gingen op Ter Heyl wonen, waar het vermoedelijk voor gekocht was. De Vollenhoofse huizen werden toebedeeld aan de beide oudste zoons; Coenraad Willem trouwde op 25 oktober 1789 met Maria Mechteld Florentine Gansneb genaamd Tengnagel tot Luttenberg en betrok Tweenijenhuizen terwijl Anthony op 7 juli 1790 trouwde met Isabella Antoinette Le Vaillant en Oldruitenborgh kreeg toebedeeld. De derde zoon Boldewijn Reint Wolter trouwde in 1800 met Catharina Elisabeth van Dedem en ging op haar bezitting Vosbergen (bij Heerde) wonen. De drie dochters trouwden met elders wonende echtgenoten: Anna Judith in 1791 met Gustaaf Willem van Imhoff in Groningen, Johanna Philippina Helena Gerhardina in 1790 met Allard Philip Reinier Carel van der Borch op Verwolde (bij Laren in Gelderland) en Catharina Christina Conradina in 1800 met Borchard Frederik Willem van Westerholt op Hackfort (bij Vorden). Er werd bepaald dat alle bescheiden, eigendomsbewijzen en dergelijkein een kist op Tweenijenhuizen met twee onderscheidene sloten zouden verblijven onder bewaring van de oudste zoon, die de sleutel van het ene slot onder zich zou houden, terwijl die van het andere berusten zou bij de 'Tugtenaren' namelijk de weduwe en haar man. In grote lijnen kregen de zes kinderen bij de acte van verdeling, die eveneens op 3 januari 1789 werd opgemaakt maar pas op 24 april 1790 door hen accoord werd bevonden, tezamen de ene helft van de nalatenschap en de weduwe de andere helft, met inbegrip van Ter Heyl.
Van de inventaris werden negen exemplaren gemaakt. De eerste kwamin de bovenbedoelde kist, het tweede was bestemd voor de Vollenhoofse magistraat als 'overmomboirheeren', het derde, vierde, vijfde en zesde exemplaar waren bestemd voor de inmiddels meerderjarige kinderen, het zevende en achtste exemplaar voor de voogden van de twee minderjarige kinderen en het negende exemplaar was voor het echtpaar De Lille-Van Dedem. Ieder kind kreeg goederen ter waarde van 57.060 gulden. Bij het overlijden van hun moeder in 1815 kreeg ieder nog eens 55.000 gulden.
Het echtpaar De Lille-Van Dedem betrok na hun huwelijk eerst van1789-'93 in Groningen de westelijke helft van het zgn. Sichtermanhuis aan de Ossenmarkt," om in die jaren Ter Heyl, dat wel aan een opknapbeurt toe was, te laten herstellen. Vervolgens beheerde Willem Ter Heyl met bijbehorende landerijen zoals een goed landheer betaamt en vulde zijn dagen verder als raadsheer van het Gerechtshof in Assen. Hij overleed in 1810, zijn vrouw overleefde hem nog vijf jaar. Nog velen klopten bij haar aan voor een lening.

Besluit
Het financiële en het bestuurlijke, het actief beheren van zijn omvangrijk vermogen en zijn voorzitterschap in moeilijk en roerige tijden van de Overijsselse Staten, liepen bij Arend Sloet door elkaar heen. Beide aspecten hebben zowel bij zijn persoon als bij zijn werk een rol gespeeld en elkaar beïnvloed. Het geld van zijn eerste vrouw is van invloed geweest op zijn benoeming tot drost van Salland, zoals dat ook bij zijn voorganger Van Huffel het geval was geweest. Het salaris en de emolumenten van drost en voorzitter van de Staten werden in de Inventaris niet opgevoerd, maar waren zeker niet kostendekkend mede gezien de uitgaven ten behoeve van het huis en verblijf in Zwolle. De correspondentie van en met Willem V was een staaltje van hetgeen door Gabriëls in zijn boek uitvoerig is beschreven: het voortdurend geschuif met baantjes, deftig 'commissies' geheten. Gabriels" noemt, evenals De Jong," Arend 'allerminst een krachtfiguur', in vergelijking met de drost van Twente Van Heiden-Hompesch, die door zijn wijze van optreden dan ook de bijnaam 'Colossus' kreeg. Daarbij was zijn tijdgenoot Joan Derk van der Capellen een man die - op zich zelf terecht - voortdurend de aandacht trok. Wij hebben dit, omdat de omvang van dit artikel z'n beperkingen oplegt, alleen aanduidenderwijs kunnen doen. Wel wezen we op de familierelatie met Joan Derk, die Arend wel eens de handen bond. Wij menen echter dat Arend Sloet zijn ambten steeds op een fatsoenlijke en correcte wijze heeft uitgeoefend. Uit het voorgaande mag in ieder geval wel de conclusie worden getrokken dat hij door zijn relaties met familie en geld tijdens zijn voorzitterschap van de Staten van Overijssel de positievan 'een spin in zijn web' heeft ingenomen.

Note
1. Een kist op de zolder van huize 'Oldruitenborgh' te Vollenhave bevatte voor1947 verschillende acten betreffende de nalatenschap van Arend Sloet, waaronder de 'Staat van Inventaris' en de 'Evaluatie'. Door vererving kwamen dezeacten in het bezit van schrijver, die ze in 1988 deponeerde in het Rijksarchief inOverijssel te Zwolle.
2. Dit portret bevond zich vroeger in de eetkamer van 'Oldruitenborgh' en werd door schrijver, met andere familieportretten, geschonken aan het Provinciaal Overijssels Museum te Zwolle.
3. Genealogische gegevens over de familie Sloet en andere Overijsselse families uit: le Généalogie Sloet 1292-1903, samengesteld door Anton baron Sloet van Oldruitenborgh(1823-1894) en door zijn zoon Albert Willem uitgegeven te Luik in 1903 (niet in de handel).
2e J. van Doorninck, Geslachtkundige Aanteekeningen ten aanzien van de Gecommiteerdenten Landdage van Overijssel 1610-1794 met eenige berigten omtrent de voormalige havezathen in dat gewest (Deventer 1871).
4. J. Westra van Holthe, Vollenhove 1354-1954 en haar havezathen (Assen 1958).
5. P.e. Blays van Treslong Prins, Genealogische en heraldische gedenkwaardighe-den in en uit de kerken der provincie Overijssel (Utrecht 1925), 221.
6. Van Doorninck, Geslachtkundige Aanieekeningen, 598.
7. A.J. Gevers en A.J. Mensema, De havezaten in Salland en hun bewoners (Alphen aan den Rijn 1983),443-444,453.
8. B.E. de Muinck, Een regentenhuishoudingomstreeks 1700. Gegevens uit de privéboekhouding van Mr. Camelis de longe van Ellemeet, ontvanger-generaal der Verenigde Nederlanden (1646-1721) Cs-Gravenhage 1965),3.
9. Prins, GedenkwaardighedenOverijssel, 219.
10. Nieuwe Nederlandsche loerboeken 1774, 803.
11. Van Doorninck, Geslachtkundige aanteekeningen, 309.
12. A.F. Stroink, 'Het 'eigenaardige' huwelijk van Arent Sloet en Anna Dannenberg', in: Kondschap, historisch kwartaalbericht van de Stichting Oudheidkamer Brederwiede, Se jaargang no. 2, juni 1989, 3.
13. D.P.M. Graswinckel en H. Hardenberg, Het archief van het kasteel Rechteren Cs-Gravenhage 1941), 143.
14. Gevers & Mensema, Havezaten in Salland, 359.
15. G.J. ter Kuile, Geschiedkundige aanteekeningen op de havezathen van Twenthe (Almelo 1911), 116.
16. B.H. Slicher van Bath, Een samenleving onder spanning. Geschiedenis van het platteland in Overijssel (Assen 1957),252.
17. Naamregister van alle de heren der regeering in de Verenigde Provinciën, Amsterdam 1735-1794.
18. A.J.e.M. Gabriëls, De heren als dienaren en de dienaar als heer. Het stadhouderlijk stelsel in de tweede helft van de achttiende eeuw ('s-Gravenhage 1990), passim.
19. M. de Jong Hzn., loan Derk van der Capellen, staatkundig levensbeeld uit de wordenstijd van de moderne demokratie in Nederland (Groningen 1922),100 enverder passim.
20. De Jong, loan Derk van der Capellen, 12.
21. FJ.e. Krämer en A.J. van der Meulen, Gedenkschriften van Gijsben Ian van Hardenbroek 1747-1788 (Amsterdam 1901-1918), deel I 325.
22. AJ. Mensema, Repertoria op de registers van de particuliere leenkamers in Overijssel1400-1809 (Zwolle 1988), deel2, 482.
23. N.A. Bootsma, De hertog van Brunswijk: 1750-1759 (Assen 1962),105.
24. De Jong,Joan Derk von der Capellen, 181.
25. Behalve De Jong, loon Derk van der Capellen, ook Erflaters van onze beschaving, deel III: De Tribuun der Burgers, door Jan en Annie Romein, Amsterdam 1946, 134 e.v. en Schaduwbeeld of Het geheim van Appeltern, door Hella S.Haasse, Amsterdam, 1989.
26. Archief Van Dedem in Rijksarchief te Zwolle.
27. J. Bos, F.J. Hulst en P. Brood, red., Huizen van Stand. Geschiedenis van de Drentse havezaten en andere herenhuizen en hun bewoners (Meppel-Amsterdam 1989), 43l.
28. P. Kooy (red.), Dorp naast een stad. Hoogkerk 1770-1914 (Assen 1993),213.
29. A.F. Stroink, 'Op zoek naar Willem de Lille', in: Kondschap 6 (1990), 3, en'Nogmaals Willem de Lille', Ibidem, 37, en 'Ter Heyl en zijn bewoners nader belicht', in: Ons Waardeel, 1990 no. 5, 166. Zie ook: J.D.R. van Dijk en W.R.Foorthuis, 'Een vermogend man in Drenthe en toch burger', in: Drenthe 57 (1986), 46 e.v. en P.J. van Winter, De lijsten der hoogstaangeslagenen in het de parlement van de Weslereems ('s-Gravenhage 1955), II, 567.
30. Rijksarchief in Overijssel: Archief Sloet, de zgn. 'Collectie van den Santheuvel'. 65
31. Dictionaire deBiographie Française VII, 239.
32. W.H. de Beaufort, Brieven van en aan Jan Derk van der Capellen van den Pol (Utrecht 1879), 522.
33. GemeentearchiefZwolle: Rechterlijk Archief van Zwolle, inv. RAOOl-0554,1-49.
34. De Beaufort, Brieven, 665.
35. Ibidem, 737.
36. Ibidem, 830.
37. Ibidem,731.
38. W.J. d'Ablaing van Giessenburg, Wapenboek van de Ridders van de Duitse Orde, Balije van Utrecht Cs-Gravenhage 1871), 89.
39. Gemeentearchief van Groningen, inv. AlII, 190, K8.
40. Gabriëls, De heren als dienaren, 242.
41. De Jong, Joan Derk van der Capellen, 235.
42. AJ.C.M. Gabriëls 'S.V.G.L. van Heiden Hompesch', in: J. Folkerts e.a. (red.),Overijsselse Biografiëen deel3 (Amsterdam/Meppel, 1993)
http://webcache.googleusercontent.com/search?q=cache:P11tBdJ3ZpIJ:www.historischcentrumoverijssel.nl/NR/rdonlyres/047D2C92-30EC-41F6-A3A2-A8A5F56044E6/0/04.pdf+Anton+Barthold+Sloet+van+singraven&cd=6&hl=nl&ct=clnk&gl=nl

Bronnen

  1. http://www.windgenealogie.org/vo/vo_00029.htm#BM11237

Tijdbalk Arend Baron Sloet van Tweenijenhuizen

  Deze functionaliteit is alleen beschikbaar voor browsers met Javascript ondersteuning.
Gebruikte symbolen: grootouders grootoudersouders oudersbroers-zussen broers/zussenkinderen kinderen
Sleep de tijdbalk om terug of verder in de tijd te gaan (of gebruik de l en r toetsen). Klik op de namen voor meer informatie.

Over de familienaam Baron Sloet van Tweenijenhuizen


Historische context (op basis van trouwdag 16 december 1766)


    ?


De publicatie West-Europese adel is samengesteld door (neem contact op).