Kind(eren):
Roelof werd vermeld als pastoor van de kerk van Marrijs (=Maarheze, onder Cranendonck) 1368/88, zegelde als raad van de heer van Horne, Altena en Kurtersem 10.05.1386 met drie jachthoorns (2 en 1), met in een vrijkwartier 2 afgewende zalmen.
Blijkens een belening van 31.10.1388 van "Willem van Ghennep Roelofs soen van Emmichoven pastoers van Marrijs" is hij vermoedelijk in of kort na 1388 overleden. Roelof had 3 (bastaard-) zonen vermoedelijk bij 3 verschillende vrouwen: Willem van Gennep, Jan van Craenendonck en Zijn vader zal een wapen met 3 hoorns gehad hebben, waarschijnlijk iemand uit het geslacht Horne of Cranendonck. Gezien het standsverschil tussen het vasallengeslacht van Emminckhoven en het adelijke geslacht Horne/Cranendonck is hij vermoedelijk een onwettige zoon geweest van EEN der zonen van Willem II van Cranendonck en Elisabeth van Steyn. Er zijn echter ook andere hypothesen mogelijk.
Toen deze monografie over de geslachten Cranendonck gepubliceerd werd, werd ervan uitgegaan van een hypothetische stamvader Roelof (van) Cranendonck, vader van Jan Cranendonck Roelofsz., die wij als oudste in de bronnen hadden aangetroffen. Deze Jan Cranendonck Roelofsz. werd samen met zijn (volwassen) zoons Roelof, Willem en Jan Jansz. Cranendonck in 1445-1450 genoemd als landpoorter van Dordrecht, wonende in Riederwaard (bij Ridderkerk). In het dijkkavelingsregister van de Riederwaard (ca.1453) komt hij voor als' Jan Roeloffssoen die men heet Jan Cranendonck'. Uit hem stammen de vele Cranendoncken of Kranendonken op de Zuidhollandse eilanden en waarden.
Van de hypothetische stamvader Roelof werden echter in de archieven van Dordrecht en omliggende eilanden en waarden geen sporen aangetroffen. Reeds enkele jaren na de uitgave van ons boek werd er via publikatie van de leemegisters van Altena geattendeerd op een zekere Jan van Kraandonk, zoon van Roelofvan Emmichoven, 'pastoor van Marrijs'. Jan van Kraandonk wordt hierin vermeld in 1388 en 1392, maar het is onduidelijk of hij op dat moment al meerderjarig was. Pas in 1411 blijkt hij zelfstandig op te treden. Het geschatte geboortejaar van 'onze' Jan Cranendonck Roelofsz. (ca. 1380), zou hiermee mooi overeenkomen. Hoewel voornaam, patroniem, familienaam en geschat geboortejaar zeer goed pasten, moest er toch iets meer zekerheid komen. Als hypothese werd deze afstamming in volgende jaren overigens door anderen reeds verondersteld.
Het heeft enige tijd geduurd voordat men er achter kwam, wat met 'Marrijs' werd bedoeld, maar het ging hier om Maarheeze: de Brabantse heerlijkheid Cranendonck valt immers onder de parochie Maarheeze! Dankzij een bronvermelding uit 1368, waarin Roelof van Emmichoven ondubbelzinnig als pastoor van 'Maerheze' wordt aangeduid, kwam er zekerheid.
Behalve het bovengenoemde leen, zijn met name de gevoerde wapens belangrijk m.b.t. de afstamming van het Riederwaardse geslacht Cranendonck. Het wapen van de Zuidhollandse Cranendoncken (1459) bestaat uit twee of drie hoorns vergezeld van een ster, met in een vrij kwartier twee afgewende zalmen met de koppen naar boven. In de 17e eeuw blijken de kleuren van dit wapen: rode hoorns op een gouden veld; blauwe zalmen op een groen veld. Het geslacht Horne, dat vanaf 1242 de heerlijkheid Cranendonck in bezit had, voerde eveneens drie rode hoorns op een gouden veld (de derde hoorn in het Zuidhollandse Cranendonckwapen werd soms afgedekt door het vrijkwartier): De afgewende zalmen komen overeen met het wapen Altena (twee afgewende rode zalmen op een gouden veld), maar ook met het wapen Ernnlichoven (twee afgewende gouden zalmen op een blauw veld). De afwijkingen van deze basisfiguren in het wapen Cranendonck (een ster, de bovenste hoorn gewend, afwijkende kleuren van het vrij kwartier) kunnen worden gezien als 'breuken' (veranderingen in het stamwapen die aangeven dat het een jongere of bastaardtak betreft).
Inderdaad lijkt het wapen van de Hollandse Cranendoncken gebaseerd te zijn op het wapen van Roelof van Emmichoven, pastoor van Maarheeze. In de inventaris van het archief van Altena is sprake van een akte d.d. 10-5-1386 bezegeld door o.a. 'Roelof van Emmichoven pastoer van Mareyis'. Hoewel het originele charter onvindbaar bleek, is toch een beschrijving van de zegelfiguur bekend dankzij een beschrijvend kaartje. Roelof van Emmichoven, pastoor van Mareyis, zegelde in 1386 met drie jachthoorns (2 en 1), met in een vrij kwartier twee afgewende zalmen.6
De naam Roelof van Emmichoven verwijst overduidelijk naar het Altenase geslacht Van Emmichoven, waarvan het familiewapen terugkomt in het vrijkwartier van het wapen van de pastoor. Meestal is een vrij kwartier een aanwijzing voor een moederlijke afstamming. Deze afstamming uit het Altenase geslacht Van Emmichoven blijkt uit het leen in de Spijk onder Emmikhoven, dat aan zijn zoons wordt overgedragen. Bovendien was hij raad van Willem van Horne en Altena, blijkens een akte uit 1386, mede bezegeld door 'Mathijs van Kessel ridder, Dyrc van Uutwijc, Roelofvan Emmichoven pastoor van Mareys, ende Henric die Borchgrave, knape, onse ghetrou raed' .
De vader van pastoor Roelof zal derhalve een wapen met de drie hoorns hebben gevoerd. Gelet op de functie van de pastoor (Maarheeze onder Cranendonck) en de naam Cranendonck die zijn afstammelingen later voerden, zou de vader iemand moeten zijn uit het geslacht Horne of Cranendonck. Gezien het standsverschil tussen het adellijke geslacht Horne/Cranendonck en het vazallengeslacht Van Emmichoven, betreft het daarbij vermoedelijk geen wettige afstamming. Wellicht was de pastoor een bastaard van een van de broers Cranendonck uit de eerste helft van de 14e eeuw: Amoud, Willem (lIl) of Dirck van Cranendonck, zoons van Willem II van Cranendonck en Elisabeth van Steyn. Dirck werd in het Land van Altena vermeld op 22-7-1331, toen heer Willem van Horne en vijf van zijn Altenase leenmannen, waaronder Emond van Emmichoven en Dirck van Cranendonck, een verklaring aflegden. Dirck, die mogelijk pastoor van Bindervelt in Limburg was, werd in de laatste jaren van zijn leven heer van Cranendonck (ca. 1340/1342), als opvolger van zijn broer Willem III (heer ca. 1323-ca.1340). Dirck moest het geslacht behoeden voor uitsterven en kreeg daarom dispensatie voor een huwelijk met zijn nicht Aleid van Horne. Het huwelijk leverde echter geen nageslacht op, zodat Aleid na zijn dood vrouwe van Cranendonck werd (ca.1342-ca.1355). Na de dood van Aleid ging de heerlijkheid Cranendonck over op resp. zoon(s) van Dirks' zuster Irmgard van Cranendonck, gehuwd met Thomas van Sevenbom.
Andere hypothesen m.b.t. de vader van pastoor Roelof van Emmichoven zijn minder waarschijnlijk, maar niet uit te sluiten: ook een van de vele zoons van Gerard van Horne en Joanna van Gaasbeek, Ermgard van Kleef zou in aanmerking kunnen komen, bijv. Jan van Horne, overleden na 1350. Omdat Jan van Cranendonck een broer had die Willem van Gennep genoemd werd, zou men kunnen denken dat de geslachtsnaam Cranendonck gebaseerd was op zijn geboorteplaats: zijn vader was immers pastoor in Maarheeze/Cranendonck. Juist Roelofs' benoeming tot pastoor van Maarheeze versterkt echter in onze ogen de hypothese van bastaardij uit de heren van Home-Altena: meestal zorgden de adellijke heren goed voor hun bastaarden en het vergeven van bepaalde 'baantjes' hoorde daar zeker bij! Mede gelet op de dominerende aanwezigheid van leden van het geslacht van Horne/Cranendonck in het Altenase woongebied van de Van Emmichovens, is een relatie tussen leden van deze geslachten zeer goed voorstelbaar. Overigens werd een Altena's leen, bestaande uit 6 morgen 2 hont land onder Waardhuizerbroek (ten oosten van Emmikhoven), in 1461 nog aangeduid als 'de Kranendonken'.
Uit het vrij kwartier in het wapen van Roelof van Emmichoven, pastoor van Maarheeze, kan voorzichtig geconcludeerd worden, dat hij met naam en toenaam vernoemd zou kunnen zijn naar zijn grootvader van moederszijde. Deze grootvader Roelof van Emmichoven zou zeer goed identiek kunnen zijn met de stamvader van het Altenase geslacht: Roelof van Emmichoven, genoemd 10-2-1300. Van het geslacht Van Emmichoven wordt wel beweerd, dat het evenals andere Altenase geslachten als Boeckelaer (Beuckelaer), zou stammen uit de heren van Altena. Wellicht is deze bewering gebaseerd op de zal men die deze geslachten in hun wapen voerden, of een foutieve interpretatie van een akte d.d. 29-4-1300, waarin Willem van Home en Altena zich verzoende met Jan van Rijswijk: Jan mocht hierna zijn huis en hof in leen houden, met toestemming daarbinnen een kemmenade te timmeren, zo groot als 'heren Willem onsen sone, Lodewijck Boekelaer ende Roelof van Emmichoven goet ende moeghelijc sal duncken (te) wesen'.Uiteraard wordt met 'onsen sone' slechts Willem bedoeld, de volgende heer van Home en Altena en niet de getuigen Lodewijck Boekelaer en Roelof van Emmichoven.
Helaas is de genealogie van de oudere generaties van dit geslacht Van Emmichoven niet volledig. Na een eerste fragment-genealogie, gebaseerd op een aantal lenen, 13 publiceerde Peter van Eeten in 1990 en 1991 een vrij uitgebreid overzicht van de op dat moment bekende gegevens. Uit deze publikaties, aangevuld met gegevens o.a. uit sindsdien uitgegeven repertoria van lenen, valt echter met het nodige voorbehoud wel een fragmentarische genealogie van de oudste generaties te contrueren. De oude Roelof van Emmichoven had vermoedelijk meerdere zoons: Matthijs van Emmichoven en mogelijk ook Emond van Emmichoven (vermeld 1323, 1336) en Jan (de jonge) van Emmichoven (vermeld 1325): zie schema. De pastoor Roelof van Emmichoven kan zijn naam hebben gekregen via een onbekende dochter van oude Roelof van Emmichoven.
Een extra moeilijkheid voor het reconstrueren van een genealogie van het geslacht Van Emmichoven, ligt in het veelvuldig voorkomen van de voornaam Roelof. Behalve de
Aanwijzing voor de nauwe onderlinge verwantschap tussen de pastoor en bovengenoemde Roelof van Emmichoven (overl. na 1396) ligt in het feit, dat een leen van 7 morgen land in de Spijk onder Emmikhoven door deze Roeof van Emmichoven, met toestemming van diens oudste zoon Anton, overgedragen werd op de kinderen van pastoor Roelof van Emmichoven. Deze Roelof van Emmichoven werd in 1392 beleend met 5 morgen land in Emmikhoven bij overdracht door een zekere Jan van Wisschel, eveneens zoon van een pastoor, die op zijn beurt in 1411 werd beleend met de eerstgenoemde 7 morgen bij overÂdracht door Jan van Craendonck, zoon van de pastoor Roelof van Emmichoven. Gelet op deze onderlinge 'uitwisseling' van lenen, kan worden vermoed, dat Jan van Wisschel of zijn vrouw Claessien op een of andere manier geparenteerd waren aan het geslacht Van Emmichoven. Een andere aanwijzing hiervoor is het voorkomen van de naam Roelof in dit geslacht: in 1451 was in Emmikhoven sprake van de erven van Roelof van Wisschel.
Een eerste vermelding van Roelof van Emmichoven, pastoor van de kerk van 'Maerheze', stamt uit een protocol van 1368, m.b.i. Empel en Meerwijk.' In het Land van Altena komt Roelof van Emmichoven, pastoor van Marrijs, voor het eerst voor in 1382, als getuige. Hij blijkt raad van de heer van Altena te zijn op 10-5-1386, op welke datum Willem van Home, heer van Altena, enige voorrechten aan W oudrichem schonk; het charter was mede bezegeld door 'Mathijs van Kessel ridder, Dyrc van Uutwijc, Roelof van Emmichoven pastoor van Mareys, ende Henric die Borchgrave, knape, onse ghetrou raed' . Op dezelfde dag verklaarden rechter, schepenen en raad van Woudrichem aan de heer van Home, Altena en Kurtersem, dat zij alle artikelen van de privilegebrief die zij van hem hebben gekregen zullen naleven. Met zegels van de poorte van Woudrichem, Matthijs van Kessel ridder, Didderic van Uutwijc, Roelof van Emminchoven pastoor van Mareyis, en Heynric de Borchgreve knape. Het laatstgenoemde charter is zoek, maar volgens een beschrijvend kaartje m.b.i. dit charter zegelde Roelof van Emmichoven pastoor van Mareyis met: drie jachthoorns (2 en 1), met in een vrij kwartier twee afgewende zalmen.
Vermoedelijk is hij in of kort na 1388 overleden, blijkens een belening d.d. 31-10-1388 van 'Willem van Ghennep Roelofs soen van Emmichoven pastoers van Marrijs' .Wellicht identiek met de jongste zoon van pastoor Roelof van Emmichoven was de Maltezer ridder Emond van Emmichoven,die verklaarde 15-3-1455 dat Gilles van Luik, kanunnik en gevolmachtigde van het kapittel van het Heilig Kruis, opgave had verstrekt, vanwege het leenhof van het huis van Haneffe (ten westen van Luik), van de gronden gelegen in Dommartin. (ONS VOORGESLACHT - 2004)
PS. Veel gegevens van het gelacht Cranendonck komen uit: De Geslachten Cranendonck in Holland ca.1400-1700 door Ir.C.Sigmond en K.J.Slijkerman].
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen