Stamboom Van der Veen » Jochum Visser (1887-????)

Persoonlijke gegevens Jochum Visser 


Gezin van Jochum Visser


Notities over Jochum Visser

huwde Foekje Jans Feenstra geb.15-12-1889

JOCHUM (1887 - 1972) VERTELT
In ca 1888, toen ik ongeveer een halfjaar oud was, vertrokken mijn ouders uit het oosten van Hardegarijp naar de westelijke grens met Tietjerk, aan de oude heirweg Leeuwarden - Groningen. Vroeger lag Hardegarijp aan deze weg. Ik herinner me hoe in mijn jeugd het voormalige kerkhof werd afgegraven en het laatste oude huis -dat vol ongedierte zat aan de vlammen werd prijs gegeven. Het zal wel enige jaren hebben geduurd voordat ik ontdekte dat bij de boerderij, waarvan mijn ouders de keuken tot woning hadden, een grote moestuin was met witte, zwarte, rode en kruisbessen, met frambozen en met kerse-, note- en perebomen. Buiten de tuin lag nog een appelhof en een ring perebomen en op het erf een grote boom met jutteperen en een viertal zgn. tintjes.
Het werd mij al vroeg duidelijk gemaakt dat dit alles niet voor ons bestemd was, maar voor de bewoners van Villa Nova. midden in het dorp, waar de eigenaar van de boerderij woonde. Het schijnt moeilijk te zijn geweest dit tot mij door te doen dringen, want meermalen, wanneer ik voor boodschappen naar het ‘slot’ moest, dreigde mevrouw mij met de naast het slot wonende veldwachter. Bij de deur waar dit zich afspeelde lag vaak een grote hoop vruchten te rotten afkomstig uit de bij het slot behorende moestuin! Voordien had ik de bewaarschool in het dorp bezocht. Deze werd in een leegstaande woning gehouden, waarin nog de bedsteden zaten, ik werd daar eens in opgesloten en tot mijn ontsteltenis kwam ik er met witte kleren weer uit.
Pake Jochum en beppe Teitje woonden midden in het dorp in een groot huis, met aan alle zijden woningen. Pake en vaders jongste broer Si j e waren vaak de gehele week van huis. Pake had het riet- en biezengewas van de Bergumer-meer en de Leyen gepacht en in een 12-tons scheepje waarin ze ook het riet vervoerden, overnachten ze bij het werk. In mijn schooljaren logeerde ik dan vaak bij beppe. Beppe bakte ‘s avonds dikwijls aardappels op in vet. wat opgediend op een stuk roggebrood een heerlijke maaltijd opleverde. Als er dan een restje overbleef, had ik een koningsmaal.
Jammer genoeg kwam er ‘s avonds vaak een buurvrouw op visite, Beppe hield van gezelligheid en buurvrouw van een lekker hapje! Vooral wanneer beppe het opdiende met melk waarin een laurierblaadje was gekookt, genoot buurvrouw zichtbaar. Maar ik zat met een lang gezicht. én een niet geheel gevulde maag -aan tafel. Bij dit onderonsje kwamen dan de spookverhalen aan de orde: de honden hadden weer vreemd geblaft en de klok vreemd geluid. Je moest niet midden op straat lopen, want dan kon een niet zichtbare begrafenisstoet niet passeren. Wanneer je iets gedaan had dat God niet welgevallig was, bv gevloekt, kon het gebeuren dat wanneer je bij donker buiten was de duivel naast je kwam lopen, vaak in de gedaante van een hond. En bij nacht op het kerkhof komen was uiterst gevaarlijk. Ja, het waren ernstige tijden, je had voorzichtig te zijn. God liet niet met zich spotten.
Toch waagden we het om ook ‘s avonds op straat te spelen. Vaak op het pleintje naast en voor de woning van de burgemeester, met aan de straat de grote kastanjeboom. Die was lange jaren een sieraad voor het dorp, maar moest terwille van het verkeer het veld ruimen: Eens moest Ik bij de burgemeester op het matje komen. Ik had net als de anderen een sleutel, helaas de huissleutel, met luciferskoppen gevuld, er een slaghoedje opgedaan, er een touw aangebonden met op het ander eind een spijker, die in de sleutel gestoken, en toen met een slingerende beweging, het touw In het midden vasthoudend, de sleutel tegen een hulsmuur aangeslagen. Daardoor kwamen de luciferskoppen en het slag-hoedje met een lulde knal tot ontploffing. Jammer genoeg had de politie dit gehoord en het zaakje In beslag genomen.Het kon bij de burgemeester worden terug gehaald. Omdat het onze enige huissleutel betrof, zat er niets anders op dan dat Ik naar de burgemeester ging. Ik moest hem uitleggen en demonstreren hoe alles In zijn werk ging en hoeveel het kostte. De l/30ste cent vond hij niet duur en de handeling niet onaardig. Jammer alleen dat andermans muur met kans op beschadiging er bij gebruikt werd. Onder de belofte het niet weer te doen, kreeg ik de sleutel terug.
Hoewel we eenzaam woonden was de buitendeur niet op slot, omdat een knecht, die elders zijn kosthuis had. In de veestalling sliep. Hij moest daarbij door onze woning. Hij ging vaak pas naar bed als bij ons alles In de rust was. Daarin kwam verandering toen hij eens -vrijwat beneveld- bij het door de kamer gaan tegen de zijkant van een kast was gelopen en daar staande In slaap was geraakt. Die kast stond tegenover de bedstede van vader en moeder en toen de eerste ‘s anderen morgens uit bed stapte, zag hij tot zijn schrik de man tegen de kast staan. Nadien kwam de deur op slot. Maar vader moest vaak het bed uit om de knecht doorgang te geven.
Op de boerderij werkte vader voor f 5 per week gedurende drie kwartalen van vroeg tot laat. Ook moeder werkte 7 dagen per week. Het tweemaal daags koemelken bracht f 1,75 per week, of ongeveer l cent per koe per keer op. Bovendien verdiende ze er met boter- en kaasmaken nog wat bij, want hoewel er in Veenwouden al een melkfabriek was, was de eigenaar, hoewel vooruitstrevend, er niet bij aangesloten. [Zijn broer had In Denemarken In de zuivel gestudeerd en was bij de toepassing In financiële moeilijkheden geraakt.] In de gang stond de kam en in de schuur de karnmolen waar een geblinddoekt paard voor liep, omdat het steeds In een kring moest lopen. In een grote, even lager dan de vloer gelegen, kelder werd kaas gefabriceerd. Daar zorgde een arbeider voor, terwijl moeder de boter maakte. Op de met bomen omzoomde boenplaats stonden de koelbakken waarin de melkbussen In het koelwater kwamen te staan dat met de er bij staande houten pomp moest worden opgepompt. Deze eer viel mij vaak te beurt, maar een beloning ervoor bleef achterwege .
Toen ze later toch tot de zuivelfabriek toetraden, moest vader na een ruim 14-urlge werkdag met paard en wagen de melkbussen ophalen van de op 3 a 4 km gelegen hoofdweg, toen nog een sintelweg. Hoewel op de boerderij machines voor hooibewerking aanwezig waren, werden deze zelden gebruikt; de arbeidskrachten waren goedkoop! [Uit Bergumerhelde kwamen ze voor 30 a 35 cent per dag op of bij de boerderij werken.] Als een der eersten werd bij ons gras ingekuild. Van heinde en ver kwamen belangstellenden kijken hoe op de met landbouwzout vermengde grasbult een paard werd rondgeleid om het gras aan te trappen. Bij het hoger worden van de grasbult kwamen er wel eens moeilijkheden met het weer op de grond krijgen van het paard.
Wij moesten ‘s winters viermaal per week van 4 tot 6 naar de avondschool en wanneer ik niet bij beppe logeerde moest ik na afloop naar de boerderij. De laatste kilometer moest ik alleen langs een brede modderige landweg met bosjes en boomwallen. Wel romantisch, maar de vele spookverhalen hadden wel enige invloed gehad. Eens op een tamelijk donkere avond stond midden op de brede eenzame landweg een gestalte, die op mijn schuchter ‘goeienavond’ geen asem gaf. Toen ik na enige aarzeling dichterbij kwam bleken het twee op elkaar geplaatste takkenbossen te zijn met een derde er dwars overheen liggend. Nee, het was makkelijker bij beppe te overnachten.
We hadden bij de boerderij ook een bootje liggen, een schouw, en als beppe een enkele keer op bezoek kwam en ons in dat bootje zag wiebelen was ze doodongerust. Ze dacht er niet aan dat grootvaders voor- en nazaten schippers en vissers waren. Beppe had in de tafel la een almanak met de classisindeling; een cent duurder dan de gewone, maar je had er de predikanten met hun standplaatsen enz in. In die la lag ook een stichtelijk boekje met perkamenten omslag; het was een oude druk en moeilijk te ontcijferen. Voor het naar bed gaan moest ik het scheurkalenderblaadje van die dag voorlezen; de achterkant interesseerde me meer dan de voorkant.
Vader had drie broers; de oudste, oom Albert, had zelf een scheepje waarmee hij vaak terpaarde vervoerde. Soms vergezelde ik oom Albert, die op geregelde tijden veel last van hoofdpijn [migraine] had. Eens met het scheepje in Dokkum liggend, lag hij de gehele dag in bed, mij noodgedwongen aan mijn lot overlatend. Hij had een schrift gekocht en daarin op ieder blad met uiterst keurige hand een voorbeeeld geschreven, waarmee ik dan het blad kon vullen. Ik herinner mij nog: ‘Gij kunt niet God én de Mammon dienen’. Oom Klaas, de vader van de bekende auteur Ab Visser, diende bij een ander en kwam niet vaak thuis. De jongste, oom Sije, woonde nog bij pake en beppe en werkte bij pake en vervoerde met deze het riet voor de in het dorp wonende rietdekker. Ze voeren soms met het 12—tons scheepje tot ver in de provincie Groningen. Omdat er nog geen leerplicht was ging ik vaak met oom Sije mee als pake verhinderd was. Dat was niet alleen voor de gezelligheid, maar ook om voor het scheepje in de lijn te lopen, te sturen of mee te bomen.
Wanneer de reis boven Groningen ‘stad’ ging, gingen we ook naar oom Klaas, die intussen getrouwd was en in Groningen bij de gemeente werkte en daar ook woonde. De versie reis in Groningen was naar Losdorp dicht bij Delfzijl. Eens uit Groningen terugkomend kwamen we op zaterdagavond tot in de omgeving van Buitenpost. Oom Sije ging ‘s anderen morgens met de trein naar huis. Zonder een mens in de buurt bracht ik een hele zondag in of op het scheepje door. Toen oom Sije terug kwam lag ik op bed. Behalve de reeds genoemde werkzaamheden was ik kok: koffie- en theezetten, aardappelen schillen en koken. Eens kreeg ik een ernstige berisping: de aardappels waren niet gewassen! Dat gebeurde destijds in het nog schone vaarwater.
Voor het gebruiken van de lunch of het avondeten werd een vouwtafeltje uit de hoek genomen en het blad er op gelegd. Als zitplaatsen dienden een bank en een vouwstoeltje en: klaar was Kees. Voor het naar bed gaan werd de gehele zaak aan de kant gezet, de zitbank opengeklapt en over de vloer uitgezet, waarna het opgerolde bed werd uitgerold. Ik kroop dan onder de roef, waarbij Ik er op moest letten bij het opzitten [’staan’ kon niet] mijn hoofd niet tegen het dek te stoten.
‘s Morgens ging je met de kleren onder de arm naar bulten; je was dan voor het aankleden al goed wakker. Intussen had oom dan de gelegenheid het bed weer In een zitbank te veranderen en kon het ontbijt worden genuttigd. De school werd Intussen wel vaak verzuimd; Ik ging gelukkig toch geregeld over.
In de omgeving van de boerderij waren rietvelden en ultgeveende plassen, z.g. kolken, waarin vrij veel vissen. Tussen de rietstengels en soms ook op de stoppels bouwden kleine meeuwen [stinsen;sterntjes] vrijwel onbereikbaar hun nesten. Met behulp van een lepel aan een lange stok gelukte het ons soms enkele eieren te bemachtigen. De In de kolken levende snoeken waren evenmin veilig. De springstok [een pols was ongekende weelde, want die kostte bijna een gulden], een eind touw met een grote vishaak en als aas daaraan een kikker. Daarmee gelukte hei soms enkele te bemachtigen, al waren daarbij soms twee jongens nodig om de snoek op de wal te krijgen.
Moeder kreeg tenslotte genoeg van de lange werkdagen tegen een loon dat niet altijd voldoende was om de honger buiten de deur te houden. Op Maaie [12 mei] 1897 of ‘98 werden de meubelen in het schip van oom Albert geladen en door het zogenaamde rietveld naar hei nabijgelegen Rijperkerk vervoerd. Enige dagen tevoren hadden we nog, hoewel na l mei en dus in verboden tijd, 6 eieren geraapt en daarvoor bij de bakker een roggebrood gekregen .
Vader was nu los arbeider. Hij vervoerde met een open praam riet naar diverse plaatsen in de provincie. Ik kon zo ondervinden dat het kleine scheepje van pake, met onderdak, was te verkiezen boven een open praam. Wanneer deze met riet werd geladen, werd het voorgedeelte, de kop, leeg gelaten en in het net dat het overdekte werd een gat open gehouden. Zo vormde het dus een beschut onderdak en slaapgelegenheid. Wanneer de lading gelost was. verviel dit en was er alle gelegenheid te ondervinden dat voor het nuttigen van voedsel of voor het doorbrengen van de nacht een open praam geen ideale gelegenheid was. Vooral niet als het regende of hard waaide. Van deze beide hing het af of de verdiensten laag of extra laag waren en of je, als je er de nacht in had doorgebracht, koud of koud en nat was.
In de winter of het vroege voorjaar werd er riet gesneden. Het rietveld was een half uur varen en daar was je dan verder de hele dag aan weer en wind overgelaten. Vader met laarzen tot de lies en ik met klomplaarzen
tot de knie. Daar moest je aan blijven denken, want het water liep er zo over en ze waren dan eerder vol water dan wanneer ze alleen lek waren. Gelukkig dat je bezig was te werken in een mooi natuurgebied en dat je bovendien soms nog een kwartje per dag kon verdienen. Opnieuw dus schoolverzuim. Maar niet van de catechisatie of de zondagsschool; daarin stelde vader trouwens meer belang dan ik. Ik zag overigens wel kans, en kreeg die ook, om het schoolverzuim in te halen.
Wanneer in de winter het rietsnijden niet mogelijk was en de verdiensten moesten komen van het vlechten en maken van biezenmatten, had de honger vaak vrije toegang in het oude grote woonhuis. In de grote schouw hingen wel 4 of meer zijden spek van een ander om gerookt te worden, maar het was niet geoorloofd er iets van af te snijden. Ik had het wel overwogen, maar het zou te allen tijde zichtbaar zijn geweest.
Moeder verdiende met melken en de ‘bóllekoer’ hoogstens drie gulden in de week en vader misschien een cent per uur met vlechten. En beiden wilden niet in aanmerking komen voor ‘de bedeling’: de uitdeling van o.a. roggebrood en spek. Het vorig jaar hadden ze zelfs tegen de overbuurman, de kerkvoogd, gezegd er
liever buiten te blijven zolang ze daar kans toe zagen. Maar toen buurman, die wel gemerkt zal hebben hoe de situatie was, kwam vragen of er nu ook behoefte was, kon dit niet worden ontkend.
Intussen was oom Albert getrouwd met een eveneens niet jonge vrouw, die bij haar moeder inwoonde in een eigen huisje op de Hollen, een gehucht ten oosten van Rijperkerk, vroeger mogelijk een deel van het dorp. Ze hield er één of twee koeien op na. De eerste jaren bleef oom nog schipper. Later werd de boerderij uitgebreid, het schip verkocht en werd oom, zij het onder toezicht van tante, boer. Soms ging ik bij hen eten; beste en lekkere woudaardappelen van eigen teelt met gebraden spek van eigen (geslachte) varken. Als tegenprestatie hielp ik soms in de hooi ing. Wanneer ooms paard stilstond kon ik er op blijven zitten, maar als het begon te lopen lag ik er spoedig naast. Bij de hooiïng was het soms nodig het hooi naar de praam te sjouwen. Daartoe werden onder een opper hooi twee stokken door geschoven, zover van elkaar dat je er tussen kon lopen. Aan weerskanten van de opper nam dan iemand in elke hand een stok, dan tegelijk optillen en weg er mee. Oom paste steeds op de stokken zover mogelijk door te steken en nam dan zelf het kortste einde, dicht bij het hooi, waardoor mijn deel lichter werd. Op een keer dat ik met tante, niet minder sterk dan oom, moest sjouwen, schonk deze daaraan, bewust of niet, geen aandacht, met het gevolg dat ik het zwaarste deel kreeg. Toen ik enige tijd later bij een gewezen dokter werkzaam was, klaagde ik tegenover hem over pijn in de zij. De dokter vroeg of ik me vertild kon hebben. Het is nu 70 jaar later en, hoewel niet erg hinderlijk, plaagt me nog steeds een lam gevoel.
Met dit alles was tot mijn spijt een eind aan de goed volbrachte schooltijd gekomen en diende ik een werkkring te zoeken, ‘t Zal moeder wel zijn geweest die deze zocht; zij was gewend het initiatief te nemen. Toen er eens een schaap moest komen kocht zij het. In het nabij gelegen Hardegarijp woonde een timmerbaasje; lichamelijk gehandicapt en daarom genoodzaakt enige hulp te nemen. Hij nam daarvoor doorgaans jongens die drie jaar bij hem werkzaam bleven en dan zover gevorderd moesten zijn, dat ze als timmergezel naar een andere baas konden.
De plaats was vacant en zou door mij worden Ingenomen, maar omdat naderhand zou kunnen blijken dat ik voor timmerman ongeschikt was, vond moeder dat ik bovendien het melken wel kon leren. Zelf ging ze ‘s morgens en ‘s avonds melken bij een boer die op ruim l km afstand woonde. Dit bracht fl 2 per week op. Ze hoefde daar niets anders voor te doen dan 7 maal 4 = 28 km te lopen en 7 maal 2 maal 10 = 140 koeien te melken.
‘s Morgens om zes uur werd ik gewekt, kreeg een stuk brood in de hand en moest dan een km lopen. Daarna proberen koeien te melken, een km terug lopen, thuis een boterham eten en dan naar de baas in Hardegarijp.
In de werkplaats trokken twee dingen direct mijn aandacht, ten eerste: een grote plaat op de Wc-deur met drie in toga gehulde mannen, die met rollen papier in de hand rond een doofpot stonden. Daaronder stond geschreven:
“Volk van Nederland; de Hoogerhuiszaak niet in de doofpot;” [De gebroeders Hoogerhuis uit Beetgum waren -volgens de publieke opinie onschuldig- wegens moord tot gevangenisstraf veroordeeld. Ze werden door Troelstra verdedigd. In Friesland, maar ook elders in het land, veroorzaakte deze zaak veel opschudding. ]
Op een andere plaats in de werkplaats hing een gedichtje dat de schoolmeester lof toezwaaide, maar de priester een vloek noemde. Dit papier werd op een keer dat de baas absent was, door een gelovige bezoeker kapot gesneden.
In een tegen de muur geplaatst kastje stond een zgn. ‘bobbel’ [een omvlochten korte brede fles]. Tot de geregelde bezoekers van de werkplaats behoorde o.a. een gedeeltelijk verlamde nazaat van de adellijke familie Tho den van Velsen, die in een wagentje moest worden voortgetrokken. Bij de stopplaatsen waar het wagentje niet naar binnen kon rijden, moest hij door de jongste bediende [een jongen, meer lieten de financiën niet toe] op de rug worden genomen en zo ter bestemde plaats worden gebracht. Een in de nabijheid wonende vrijgezel en ‘Oostganger’ en iemand die zich met behulp van een manshoge stok moest voortbewegen, kwamen soms ook even aanlopen. De baas liep zelf met behulp van een korte stok. Tengevolge van een vroegere val van een dak was hij zodanig vergroeid, dat zijn lichaam steeds een hoek van 90° vormde. Nogal wat verschil dus in vorm van invaliditeit bij de bezoekers, maar allen waren liefhebbers van een borrel.
Gewoonlijk moest het jongetje [mijn persoon] bij bezoek van één of meer van hen naar de nabijgelegen kroeg om naar gelang van de financiële toestand of het aantal bezoekers om twee (16 cent) of drie maatjes jenever of brandewijn. Die moest dan door mij in de bij de bobbel behorende romer zonder voet worden rondgedeeld. Als beloning was er voor mij dan ook een half glaasje. Al spoedig betrapte ik er mijzelf op, dat ik naar het bezoek verlangde. Gelukkig nier: erfelijk belast besloot ik wél te willen halen en schenken, maar niet mee te willen drinken. Daar kwam bij dat het me tegen de borst stuikte op andermans zak te teren, omdat mijn eigen financiën, maximaal een kwartje per week, een bijdrage in de kosten niet mogelijk maakte. Later bleek mij dat de leerlingen van de baas naast goede vaklieden vaak ook beste drinkers waren geworden.
Na enige tijd kwam er nog een leerling bij. Diens vader betaalde een gulden leergeld voor hem. Dat maakte het er voor mij niet beter op. Het bleek echter dat de ‘nieuwkoop’ voor handenarbeid ongeschikt was. Jaren later passeerde bedoeld persoon dagelijks per trein ‘Wirdum en wel als hoofdconducteur, terwijl ik moeite had mijn brood te verdienen.
Mijn baas had van de dichtbij wonende rustend dokter het bouwen van een dubbele woning aangenomen voor zeshonderd gulden. Voor de fundering werd de teeltaarde weggegraven en de geul volgeplempt met zand, waarop halfsteensmuren. Eén kamer met twee bedsteden met de voeteneinden naar elkaar toe om ruimte uit te sparen voor een kast er tussen. Op het hoofdeneind van de ene bedstee het boveneind van een ladder, waarvan het ondereind zich onder een aflopend af dak bevond, waarin ook de keuken. Het privaat was buiten, evenals de waterpomp, die hier maar heel kort behoefde te zijn. Een dak van juffersspanten waarover een goedkoop rieten dak. Het geheel een teken van geringe bouweisen en -verordeningen.
De baas was een goed vakman. Hij maakte linnenkasten en uitgesneden kronen daarvoor; repareerde en veranderde biljarten, maakte, schilderijlijsten, ronde vuurstoven, geweerkolven, enz. Hij beschikte, zelf over een dubbelloops geweer, waarmee vaak ‘met’ succes houtduiven en ‘zonder’ overvliegende ganzen werden belaagd. In de werkplaats werden soms ook biljarten gemoderniseerd; de hoekzakken eruit, gummi stootbanden ter vervanging van de veren, enz., maar er was niet steeds voldoende werk om dat vak te leren.
Nadat de drie jaren verstreken waren kwam ik bij een andere alleenwerkend patroon in delfde plaats, maar niet zo’n goede vakman. Eén der eerste karweitjes was: dakpannen aan de binnenkant aansmeren; destijds was er meestal geen dakbeschot onder de pannen. De bewoner van het huis, een veldwachter, bood al spoedig een borrel aan, die door mijn nieuwe baas dankbaar werd aanvaard, maar door mij, tot verbazing en ergernis van baas en agent, werd afgeslagen. Daar bovendien bleek dat mijn vakkennis niet groter was dan die van mijn patroon, volgde er ontslag. Mijn eerste baas nam dat de tweede behoorlijk kwalijk.
In Veenwoudsterwal werd een nieuwe baas gevonden; op een afstand dus van 4 a 5 km, die daags tweemaal moest worden gelopen. Gezien de lange werkdag van ‘s morgens 5 tot ‘s avonds 7, moest er wel een fiets komen. Maar die kostte fl 65, oftewel 6 maal een weekloon! Vader was intussen zuivelbewerker op de fabriek geworden en moeder ging behalve te melken nu ook uit werken en ventte met de ‘bóllekoer’. Maar het zal wel de nodige hoofdbrekens hebben gekost om het geld voor de fiets bijeen te krijgen.
Mijn eerste karwei bij de nieuwe baas was het behulpzaam zijn bij het maken van molenraderen, die nodig waren bij de verbouw van een grote watermolen onder Akkerwoude. Die zou ze worden gemaakt, dat hij bij normale wind kcr. malen met een grote schroef, bij weinig wind met een kleine schroef en bij harde wind met beide tegelijk.
Uit het voorgaande is wel gebleken, dat destijds de levens- en rechtspositie van de werkende man veel te wensen overliet. Sociale voorzieningen bestonder, er niet; het was geen wonder dat er verzet kwam. Er werden vakorganisaties opgericht; de timmerliedenbond behoorde tot de eersten. Overal werd getracht afdelingen op te richten. Ik hielp daarbij mee, door met Bouke Molenaar van Leeuwarden op stap te gaan. Wat waren we zenuwachtig toen we de eerste keer een vergadering openden waar Molenaar ging spreken. Er volgden nadien vele en op verscheidene plaatsen werden afdelingen opgericht. Ook de politiek vroeg aandacht: de S.D.A.P. werd opgericht. Mijn werken daarvoor werd in mijn woonplaats weinig gewaardeerd.
Tot mijn verwondering werd en bleef vader lid van de moderne organisatie, maar zijn politiek stemgedrag was wispelturig. Oom Albert, vaders broer, trachtte hem steeds weer bij te brengen dat je door op de S.D.A.P. te stemmen in handen van de duivel viel. Moeder had daarover haar eigen mening en liet zich daarvan niet door ooms preken afbrengen. Op een keer toen een dorpsgenoot had opgemerkt dat ik wel ‘van de duivel’ zou zijn, ging moeder hem opzoeken om hem duidelijk te maken dat zij daar andere gedachten over had. De gemoederen waren in die jaren meer in beweging dan nu. Het gelukte de afdeling Wirdum van de Timmer!liedenbond eens de Roomse timmerlieden van Wijtgaard, zes a zeven man, bij hun organisatie te krijgen, maar de pastoor had ze er in een paar dagen weer uit.
Een schrijnend voorbeeld van de arbeidsverhoudingen uit die tijd is ook het volgende verhaal. Mijn broer, leerling-machinist op de zuivelfabriek in Giekerk, had de ketel van de fabriek schoongemaakt. Toen hij per fiets naar huis zou gaan, kwam hij tot de ontdekking dat het carbid in de fietslantaarn uitgebrand was. Op aandringen van de machinist nam hij een paar stukjes carbid uit de bus die in de machinekamer stond. De volgende morgen kreeg hij te horen dat hij vergiffenis moest vragen voor de “diefstal” van het carbid, dat immers eigendom van de directeur was! Hij weigerde. Doordat hij vermoedelijk een bekleuming had opgelopen bij de keteloperatie werd hij nog dezelfde dag ziek. Maar alvorens hij na zijn herstel weer aan zijn werk mocht gaan, moest hij alsnog vergiffenis vragen. Mijn broer weigerde opnieuw en werd ontslagen. De directeur, die grote invloed in de zuivelwereld had, werkte een benoeming elders steeds tegen. Mijn broers uitstekende getuigschriften van de ambachtsschool hielpen hem desondanks weer aan een benoeming.

Heeft u aanvullingen, correcties of vragen met betrekking tot Jochum Visser?
De auteur van deze publicatie hoort het graag van u!


Tijdbalk Jochum Visser

  Deze functionaliteit is alleen beschikbaar voor browsers met Javascript ondersteuning.
Klik op de namen voor meer informatie. Gebruikte symbolen: grootouders grootouders   ouders ouders   broers-zussen broers/zussen   kinderen kinderen

Voorouders (en nakomelingen) van Jochum Visser

Jochum Visser
1828-1874
Teitje Postma
1829-1909
Wytze Fennema
1818-1874
Wierd Visser
1859-1941
Ynske Fennema
1862-1950

Jochum Visser
1887-????


    Toon totale kwartierstaat

    Via Snelzoeken kunt u zoeken op naam, voornaam gevolgd door een achternaam. U typt enkele letters in (minimaal 3) en direct verschijnt er een lijst met persoonsnamen binnen deze publicatie. Hoe meer letters u intypt hoe specifieker de resultaten. Klik op een persoonsnaam om naar de pagina van die persoon te gaan.

    • Of u kleine letters of hoofdletters intypt maak niet uit.
    • Wanneer u niet zeker bent over de voornaam of exacte schrijfwijze dan kunt u een sterretje (*) gebruiken. Voorbeeld: "*ornelis de b*r" vindt zowel "cornelis de boer" als "kornelis de buur".
    • Het is niet mogelijk om tekens anders dan het alfabet in te voeren (dus ook geen diacritische tekens als ö en é).



    Visualiseer een andere verwantschap

    De getoonde gegevens hebben geen bronnen.

    Historische gebeurtenissen

    • De temperatuur op 11 december 1887 lag rond de 3,4 °C. De winddruk was 4 kgf/m2 en kwam overheersend uit het west-zuid-westen. De luchtdruk bedroeg 76 cm kwik. De relatieve luchtvochtigheid was 100%. Bron: KNMI
    • Koning Willem III (Huis van Oranje-Nassau) was van 1849 tot 1890 vorst van Nederland (ook wel Koninkrijk der Nederlanden genoemd)
    • Van 23 april 1884 tot 21 april 1888 was er in Nederland het kabinet Heemskerk met als eerste minister Mr. J. Heemskerk Azn. (conservatief).
    • In het jaar 1887: Bron: Wikipedia
      • Nederland had zo'n 4,5 miljoen inwoners.
      • 22 maart » De eerste editie van de Colombiaanse krant El Espectador verschijnt.
      • 8 mei » Het Leger des Heils start zijn evangelisatiewerk in Nederland met de eerste openbare bijeenkomst in Amsterdam.
      • 4 juni » In Parijs wordt het Institute Pasteur opgericht.
      • 12 juli » Oprichting van Odense Cricketklub, waar twee jaar later de Deense voetbalclub Odense BK uit voortkomt.
      • 1 september » Emile Berliner vraagt octrooi aan op de grammofoonplaat.
      • 15 september » De Texelse Courant wordt opgericht.
    

    Dezelfde geboorte/sterftedag

    Bron: Wikipedia


    Over de familienaam Visser

    • Bekijk de informatie die Genealogie Online heeft over de familienaam Visser.
    • Bekijk de informatie die Open Archieven heeft over Visser.
    • Bekijk in het Wie (onder)zoekt wie? register wie de familienaam Visser (onder)zoekt.

    Wilt u bij het overnemen van gegevens uit deze stamboom alstublieft een verwijzing naar de herkomst opnemen:
    B. van der Veen, "Stamboom Van der Veen", database, Genealogie Online (https://www.genealogieonline.nl/van-der-veen-stamboom/I35.php : benaderd 3 februari 2026), "Jochum Visser (1887-????)".