De familie Vrolijk bezit een brief waarin dijkgraaf en heemraden van de Gnephoekse en Vrouwgeestpolder op 25 november 1797 aan Cornelis Vrolijk meedeelden, dat hij met Kerstmis als molenaar op de toen gereed gekomen watermolen werd verwacht.
Na de aanstelling vertrok Cornelis Vrolijk met zijn vrouw Ariaantje de Gruijter op 13 december 1797 naar Oudshoorn. De aanstelling tot molenaar van de Vrouwgeestpolder was een snelle promotie voor Cornelis, want binnen een jaar kon hij de Laageindsemolen met een loon van vijfennegentig gulden inruilen voor die van de polder Vrouwgeest met een jaarloon van honderdtwintig gulden.
Tijdstip: 21:00
Hij is getrouwd met Anna de Gruiter.
Zij zijn getrouwd op 6 april 1797 te Zegveld.Bron 3
Kind(eren):
Naam Vrouwgeestmolen
Gemeente Alphen aan den Rijn
Databse Nr. 948
Adres Heimansbuurt 1, 2401 LV Alphen aan den Rijn
Bouwjaar 1797
Type grondzeiler
Functie Poldermolen
Kenmerken Achtkante molen, stalen vijzel
Vlucht 27,00 / 27,25 m
Eigenaar Rijnlandse Molenstichting sins 1970
Huidig gebruik Woonhuis
Bezoekmogelijkheden geen
Molenaar H. Vrolijk
Telefoon 0172-519456
Overige informatie en technische specificaties
Constructie
Voet: veldmuren van 2,40 m hoog
Romp: houten achtkant gedekt met riet
Kap: gedekt met riet
Wiekenkruis: ijzeren roeden, fabrikaat gebr. Pot, Kinderdijk,
binnenroede nr. 1823 van 1899,
buitenroede nr. onbekend
Vlucht: 27,25 m
Wiekvorm: systeem Fauël, de binnenroede met regelborden.
Bovenas: gietijzer, fabrikaat Wed. A. Sterkman & Zn. ijzergieterij te s’Hage 1862 No. 153;
lang 6,00 m
Kruiwerk: 47 houten rollen; kruirad
Vang: losse Vlaamse blokvang uit 4 stukken; wipstok
Inrichting: stalen vijzel in de molen ø 1,35 m. woning in de molen
Overbrengingen:
aantal kammen bovenwiel 68
aantal staven bovenschijfloop 35
aantal kammen spilwiel 41
aantal kammen vijzelwiel 33
overbrengingsverhouding bovenas: spil 1:2,41
Versieringen: baard, groen geschilderd met gele versiering en opschrift: 1797 1954
HKD; de steen in de toog van de vijzelgoot vermeldt:
ANNO 1909
Het is Carel Piek geweest
Voorzitter van de Vrouwgeest
Die deze spil voorheen een eiken paal
Vervangen liet door een van staal
Historische bijzonderheden: de molen wordt sinds Kertsmis 1797 van vader op zoon door ene Vrolijk bemalen. De tegenwoordige molenaar Karel Vrolijk is de vijfde van zijn geslacht; de binnenroe is afkomstig van de molen van polder Zuid-Linschoten, Schagen en den Eng.
Geschiedenis Vrouwgeestmolen
De verzelfstandiging van de Veen- en Droogmakerij in de Gnephoekse en Vrouwgeestpolders of ‘Vrouwgeestpolder’ maakte de bouw van een eigen watermolen noodzakelijk. Het besluit tot de realisering van een molen werd op 8 maart 1796 door de gezamenlijke ingelanden genomen. Dat het een geheel nieuw maalwerktuig zou worden stond aanvankelijk nog helemaal niet vast. Ingeland Gerrit Mouthaan zou onderzoeken of er een tweedehands molen te koop was. Men hoopte voor duizend à twaalfhonderd gulden een bestaande molen te Mijdrecht te kunnen kopen, maar een aantal polderfunctionarissen bracht daarover een afwijkend advies uit. Daarna hoopte men van de stad Leiden een watermolen over te kunnen nemen, die even buiten de Wittepoort stond, maar die molen bleek uiteindelijk niet te koop. Vervolgens werden twee plannen uitgewerkt, namelijk voor de bouw van een houten en van een stenen molen. Molenmaker Gerrit Kooy en vermoedelijk Dirk Spruitenburg, die in 1787 was benoemd tot opzichter van de Polder Vierambacht, maakten daarvoor de bestekken en op 14 april 1797 werd het bouwen van de molen aanbesteed. het werk werd gegund aan de Alphense timmerman en molenmaker Hendrik Kooperdraat voor ƒ 19.800,00.
De eerste molenaar op de tegenwoordige Vrouwgeestmolen was Cornelis Vrolijk (1761-1829), die nog maar kort voor zijn komst naar de Vrouwgeestmolen, molenaar was geworden op de Noordeindsemolen van de polder Langeweide. Sindsdien hebben steeds rechtstreekse afstammelingen van hem de vrouwgeestmolen bemalen: Jan Vrolijk van 1829 tot 1872, Aart Vrolijk van 1872 tot 1915, Cornelis Willem Vrolijk van 1915 tot 1950 en sindsdien Karel Pieter Vrolijk. De familie Vrolijk bezit een brief waarin dijkgraaf en heemraden van de Gnephoekse en Vrouwgeestpolder op 25 november 1797 aan Cornelis Vrolijk meedeelden, dat hij met Kerstmis als molenaar op de toen gereed gekomen watermolen werd verwacht.
Na de aanstelling vertrok Cornelis Vrolijk met zijn vrouw Ariaantje de Gruijter op 13 december 1797 naar Oudshoorn. De aanstelling tot molenaar van de Vrouwgeestpolder was een snelle promotie voor Cornelis, want binnen een jaar kon hij de Laageindsemolen met een loon van vijfennegentig gulden inruilen voor die van de polder Vrouwgeest met een jaarloon van honderdtwintig gulden.
Cornelis moest telkens per jaar het malen van de molen aannemen voor een bepaalde som, waarna een jaarcontract werd opgemaakt en ondertekend door de betrokkenen. Uit enkele bewaard gebleven contracten blijkt dat per jaar eigenlijk alleen de namen en aanneemsom verschilden. Het contract van 1816 bevat de volgende bepalingen.
In de eerste plaats moest de molenaar zelf in de molen wonen en dag en nacht malen tot het water beneden het gestelde peil stond, daarbij rekening houdend met het zomer- en winterpeil. Op straffe van een boete van vijfentwintig gulden mocht hij geen water inlaten. De molenaar moest de orders van het polderbestuur strikt opvolgen. Bij ziekte moest hij zelf voor een bekwame vervanger zorgen. Indien de molen onder zeil stond, dus maalde, mocht de molenaar zich niet meer dan vijfentwintig roeden (circa honderd meter) van de molen verwijderen. Hij moest bij buiig weer de lucht in de gaten, zonodig de zeilen aanpassen en altijd het vangtouw ophouden. De molenaar mocht de molen uitsluitend voor de molen aanwenden. Natte zeilen moest hij binnen een dag laten drogen en niet op elkaar laten rotten. Bij overtreding van deze bepaling volgde een boete van drie gulden per zeil. De goederen op de molen mochten geen gevaar opleveren en de vloer beneden achter de vijzel moest goed worden schoongehouden. De molenaar moest de molenwerf maaien, onderhouden en vrijhouden. Een eventueel op de werf liggende nieuwe molenroede moest goed worden afgedekt en bewaard. Op schouwdagen of bij het doen van bestedingen moest de molenaar zich bij de molen bevinden. Bij eventuele nalatigheid volgde een boete van drie gulden. Defecten aan de molen moesten direct aan het polderbestuur worden gemeld. In de tocht mochten geen korven, fuiken, ed. worden geplaatst. De molenaar moest de molenbrug, de twee beschoeiingen in de Heimanswetering, de polderhekken aan de einden der wegen en de duikers teren met door het bestuur geleverde teer. Hij moest de twee grote duikers in de Nieuweweg en de twee duikers in de Notweg sluiten en ontsluiten en de sleutels van de sloten goed bewaren. D.m.v. de duikers moest hij het water in de drie verschillende polderdelen regelen.
Het maalcontract liep van 25 juni 1816 tot 25 juni 1817 en werd door Cornelis Vrolijk aangenomen voor honderdvijfentwintig gulden. Het geld zou worden uitbetaald zodra het molengeld was geïnd. De dijkgraaf en de drie heemraden ondertekenden, Cornelis zette een kruisje onder het contract. Bij het huwelijk van zijn dochter in 1826 kon Cornelis ook geen handtekening zetten. voor zijn beroep was dat natuurlijk ook niet van belang.
De Vrouwgeestmolen is een molen van het type grondzeiler, dat wil zeggen een lage molen, die gemakkelijk van de grond af bediend kan worden. In 1966 werd een nieuw bemalingsplan voor de Oudendijksepolder en de polder Vrouwgeest aanvaard, waarbij een nieuw te bouwen elektrisch gemaal van de polder Oudendijk ook de polder Vrouwgeest zou drooghouden.
Bron: Tweehonderd jaar Familie Vrolijk op de Vrouwgeestmolen
Door: Mauring Roest en Hans van der Wereld
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Cornelis Vrolijk | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
1797 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Anna de Gruiter | |||||||||||||||||||||||||||||||||||