(1) Hij is getrouwd met Josina Manders.
Zij zijn getrouwd op 6 juni 1850 te Cuijck en St. Agatha, hij was toen 38 jaar oud.
Kind(eren):
(2) Hij is getrouwd met Petronella Peters Toonen.
Zij zijn getrouwd op 2 juli 1860 te Cuijck, hij was toen 48 jaar oud.
Toen Mathias Baptist Regouin vanuit Frankrijk zich in 1838 in Cuijk vestigde, was dat een welbewuste keuze geweest.
Er waren toen vrijwel geen looierijen in deze streek, terwijl de voorwaarden, voor het looien van huiden, ruimschoots aanwezig waren.
In de weilanden langs de Maas was een uitgebreide veeteelt en er groeide veel eikenhakhout. Bovendien was er het goede water van de Maas.
De 3 belangrijke grondstoffen: huiden, eikenschors voor de looistof en water, waren er in voldoende mate.
De veeteelt, van ouds welbekend in het Land van Cuijk, verschafte voldoende huiden. Huiden van een zeer goede kwaliteit, geschikt voor het vervaardigen van vetleer, tuigleer, zoolleer en later ook technisch leer.
Eikenschors was reeds lang in gebruik als hoogwaardige looistof. Men hoefde slechts het eikenhakhout van de schors te ontdoen. De schors werd gedroogd, daarna in stukjes gehakt, fijn gemalen door de dorpsmolenaar en men had een ideale looistof op zeer goedkope wijze verkregen.
De "Looimolen" in Nijmegen herinnert hier nog aan. Later gingen de looiers er zelf toe over de schors in stukjes te kappen en zelf te vermalen in de kruisslagmolen.
Een dergelijke hak- en maal installatie van vóór 1900 vindt u in 't Tuigleerstraatje in Cuijk.
Water, als derde noodzakelijke grondstof was er, dankzij de Maas, in ruime mate.
Soms zelfs teveel, als de Maas te hoog werd en het land onder water kwam te staan. Aangezien de looiputten (waarover straks meer) dan eveneens wel eens onder water zouden kunnen komen, begon Regouin zijn looierij op het hoogste deel van Cuijk, thans Grotestraat 3, in een pand dat omstreeks 1780 gebouwd is
Mathias Baptist Regouin begon zijn looierij in 't voorjaar van 1838 met de huiden "ontdaan van zijn ruigte en haar" zoals in het versje van Jan Luyken staat, in de looiputten te hangen om ze aan te kleuren.
Na licht aangelooid te zijn, werden de huiden in de putten gelegd, met tussen elke huid een laagje schors van ca. 2 cm. De putten, gemaakt van eikenhout waren ca. 1,75 m. lang, 1,75 m. breed en ook ca. 1,75 m. diep.
De gemalen eikenschors , "run" of "eek" werd iedere 6 à 8 maanden ververst.
Het looien in die tijd was nog een zeer langdurige zaak. Het duurde anderhalf à twee jaar, voor men een goed stuk leer had vervaardigd.
In tussentijd was er voor de jonge looier geen werk en vertrok hij naar de looierijen in België en Frankrijk, om daar een korte tijd in de bestaande looierijen te werken.
Na verloop van tijd, kwamen er meer looierijen in de streek. In Cuijk o.a. in de Kaneelstraat waar H. Cranenburgh een looierij begon die later werd overgenomen door Augustinus Kaal. Er zouden ook nog kleine looierijtjes zijn geweest van Jongendijk en Wacker, veel is hier niet van bekend. De gebroeders H.J. en C.W. Meyer begonnen een bedrijf in 1916 in de Oeiep. Twee families Manders waren eveneens looierijen begonnen. Lambertus Manders aan de Grotestraat en de Gebr. Manders, waar nu het sportcomplex "de Kwel" staat.
De machines in 't Tuigleerstraatje zijn afkomstig van de looierij van de Hr. Manders.
In Boxmeer kwam de looierij Lion en in Ravenstein de firma Suermondt.
In Mill zou vóór 1786 een looierij zijn geweest waar nu de oude pastorie staat. Men heeft daar destijds nog ronde looiputten gevonden. Deze waren voor het looien van kleine vellen, zoals schapen, geiten en kalveren.
In Cuijk zou een zekere Derk Bulsing in 1760 "huyden en velbereijder" zijn geweest. Of hij een looierij had vermeldt de geschiedenis niet.
Vermoedelijk hield hij zich alleen bezig met het conserveren en verhandelen van vellen en huiden.
Voor de afwerking van het leer had iedereen zijn eigen "geheim" recept. Zo'n recept doet in deze tijd meer denken aan een huishoudtip uit een damesblad, dan aan samenstelling voor een apprêt. Citroenen, kandijsuiker, eieren, rozijnen enz. kwamen er o.a. aan te pas, zoals blijkt uit een in 1842 door Mathias opgetekend recept.
Zeker is, dat in 1884 11 looierijen in Cuijk waren, Grave had er 3 en Boxmeer had in 1879 5 looierijen. In de overige plaatsen behorende tot het Land van Cuijk waren geen looierijen meer.
Aldus de archiefdienst van het Land van cuijk.
Merkwaardig is, dat de ontwikkeling van lederfabricage maar langzaam voortschreed.
Na verloop van tijd werden de looistoffen verbeterd. Men gebruikte niet meer alleen eikenschors of extract hiervan, maar er kwamen ook andere looistoffen die allen weer specifieke eigenschappen hadden. Zoals myrabolanen uit India, valonea uit Turkije en mimosa uit Zuid Afrika.
Tekst bron: Foto Archiefdienst Cuijk
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
Mathias Baptist Regouin | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
(1) 1850 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Josina Manders | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
(2) 1860 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
Petronella Peters Toonen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.