Stamboom Westerman » Abel Eppens tho Equart (1534-± 1590)

Persoonlijke gegevens Abel Eppens tho Equart 

  • Hij is geboren op 29 maart 1534 in Eekwerd.
  • Beroepen:
    • eigenerfde boer en schrijver.
    • lid der Gedeputeerde Staten.
  • Eigendom: Bolhuis.
  • Hij is overleden rond 1590 in Emden, Niedersachsen, Deutschland.
  • Een kind van Eppo Abels Tho EQUART en Eeke Sickens Tammen
  • Deze gegevens zijn voor het laatst bijgewerkt op 9 maart 2025.

Gezin van Abel Eppens tho Equart

Hij is getrouwd met Frouke Louwens.

Zij zijn getrouwd op 10 mei 1562, hij was toen 28 jaar oud.


Kind(eren):

  1. Popko Abels van Bolhuis  ± 1571-± 1625 
  2. Eppo Abels van Bolhuis  1567-± 1629 


Notities over Abel Eppens tho Equart

Schrijver van 'Der Vresen Chronicon'
... van beroep eigenerfde boer, kroniekschrijver. Abel is geboren op de boerderij "Bolhuis" , dat wordt later de familienaam van zijn nakomelingen. Hij studeerde theologie bij Melangton in Wittenberg. In 1580 was hij de gedeputeerde dere ommelanden. Na het verraad van Renneberg vlucht hij naar Ostfriesland. Zijn kroniek "Der Vresen Chronicon" werd in 1911 (her)uitgegeven met toelichtingen van Feith en Brugmans.
... De eerste leden van de familie vinden we in begin 1400. In de middeleeuwen was het Bolhuis een tamelijk belangrijke boerderij. De bekendste bewoner was in de zestiende eeuw Abel Eppens, lid van Gedeputeerde Staten, en schrijver van een kroniek die nog steeds een van de belangrijkste bronnen is voor de geschiedenis van Groningen tijdens het begin van de tachtigjarige oorlog.
http://home.planet.nl/~bouwl003/dutch/groningen33.html
Abel Eppens (van de heertstee Bolhuis) was een eigenerfde boer in Eekwerd. Eekwerd is als wierde bijna geheel afgegraven. Wat nog rest is de Bolhuislaan met de boerderijplaats. Hij kreeg een goede opleiding en studeerde bijvoorbeeld in Groningen,Erfurt, Wittenberg en Keulen. In 1580 moest hij vluchtten naar Emden, zoals velen, wegens hun getoonde hervormingsgezindheid. In 1590 stierf hij in ballingschap.

Wat hij naliet zijn kronieken over de periode 1550-1590 geschreven in Emden. Een veel geciteerde bron. Eén van zijn zoons, Leo, werd in 1595 de eerste dominee in Loppersum.
http://de.wikipedia.org/wiki/Abel_Eppens
in Equart, Provinz Groningen; um 1590 in Emden, Ostfriesland) war ein bedeutender friesischer Chronist der Reformationszeit.

Leben [Bearbeiten]

Eppens entstammte einem alteingesessenen Bauerngeschlecht der Provinz Groningen. Er wurde als Sohn von Eppo Aepkens auf dessen Gut, dem Bolhuis bei Equart geboren. Seine Mutter war Etgyn Ellema (oder auch: Elema). Sie entstammte ebenfalls einer bekannten Familie friesischer Landwirte.

Sein Vaters verstarb bereits fruh und so verbrachte Eppens seine Schulzeit in Farmsum und Groningen. Spater studierte er in Lattich, 1557 in Koln, dann in Groningen. Von dort ging er nach Wittenberg zu Philipp Melanchthon, einem Freund Martin Luthers. Eppens blieb bis zu Melanchthons Tod im Jahr 1560 in Wittenberg und kehrte dann in die Niederlande zuruck.

1562 heiratete Eppens Frouke Louwens. Er bewohnte zunachst einen der Hfe seines Vaters. Erst einige Jahre später zog er zum Stammsitz der Familie auf das Gut Bolhuis. Er war entschiedener Anhanger der Reformation und engagierte sich stark im hollandischen Unabhangigkeitskampf gegen das katholische Spanien. Als 1580 Groningen und die Umlande an die Spanier fielen, floh Eppens mit seiner Familie nach Emden.

Wahrend seines Emder Aufenthalts hat Eppens eine umfangreiche und zeitgeschichtlich bedeutende Chronik geschrieben. Sie wurde als Chronik von Abel Eppens tho Equart allerdings erst im Jahre 1911 verlegt und gedruckt von Johannes Muler, Amsterdamin zwei Banden mit insgesamt etwa 1500 Seiten. Mit dem Jahr 1589 endet die Chronik abrupt. Vermutlich ist Eppens zu dieser Zeit erkrankt und kurz darauf verstorben.

Abel Eppens hatte acht Kinder, von denen zwei Sahne allgemeine Bekanntheit erlangt haben: Eppoâ und Louwe Abels, letzterer auch bekannt unter dem Namen Leo Abeli ab Equart. Er wurde 1595 erster reformierter Pfarrer von Loppersum - der Gemeinde, der auch Equart und der Familiensitz Bolhuis zugeordnet sind. Leo Abeli hinterlie zwei Sne; Adolphus Louwens, war von 1663 bis 1668 Burgermeister von Groningen; Abelus Leonis war ebenfalls Pfarrer in Loppersum und starb 1652.
http://www.webincunabula.com/html/nederlan/a/abeli_l.htm
Abeli ab Equart, Leo

Abeli ab Equart (Leo), zoon van den kroniekschrijver Abel Eppens van Eekwerd, heeft als balling in Ostfriesland geleefd tijdens de spaansche onlusten en werd in 1595 predikant te Lopersum. Hij woode de Synoden bij van 1595, 1598, 1602, 1603 en 1604, was meermalen gedeputeerde der Synode en behartigde allerlei kerkelijke zaken in gemeenten en bij de hooge overleid. In 1603 is hij afgevaardigd naar de gestorven te zijn. Zijne twee zoons werden op aanbeveling der Synode, door de Staten vanStad en Land met hunne studin voortgeholpen. Een van hen, Adolphus Louwens werd burgemeester van Groningen. Uit den andere, den predikant Abelus Leonis, is het geslacht van Bolhuis ontstaan.

Zie: Reitsma en van Veen, Acta I, 326; VII, zie register;
H. H. Brucherus, Kerkherv. in Groningen 283, 326;
Feith en Brugmans, De Kroniek van Abel Eppens tho Eppens tho Equart, inleiding.

(F. S. Knipscheer)
http://www.eppens.net/origin/sophie.htm
Abel Eppens originates from a distinguished, inheriting old-established farmer lineage. 1534 were born Abel as a son of the Eppo Aepkens on this one estate. His mother, Etgyn Ellema or Elema, was from an also distinguished farmer lineage, that adifferent scholar had already produced. Abel Eppens only had two stepsisters and a sister.

After the early death of his father his guardians took him to school to Farmzum and Groningen, later on Eppens studied at Lüttich university. He went 1557 to Cologne, then again to Groningen. He went from there to Wittenberg to Philipp Melanchthon, the grand friend of Luther, he followed him and stayed up to the death of this one, 1560.

Abel Eppens 1562 married Frouke Louwens, after returned to The Netherlands, and sat down on one of the estates of his father; he moved to Bolhuis not before some years later. Just now -1568- broke off those terrible church conflicts mentioned before. Eppens, beeing a determined supporter of the reformation, fought as a provisions master on pages of the "states". When Rennenberg betrayed 1580 Groningen and the surroundings to the Spaniards now, Eppens fled with his mother, woman and children to Emden (East Frisia).

We don't know how long he stayed there and when he has died. Since 1582 and within the following years he is mentioned several times in archive pieces as deputy (local parliament) escaped to East Frisia.

Eppens has mainly written its chronicle in the exile to Emden (Chronicle of Abel Eppens tho Equart, published and printed in 1911 by Johannes Müller, Amsterdam, 2 volumes about 1500 pages together, "About the history of the Groningen country andtheir time")

His manuscript rather suddenly ends 1589 and we probably aren't wrong with the acceptance that he has died in 1590. So he hasn't experienced the liberation of his native country any more! The son of the Prince of Orange -Prince Moritz of Orange-managed to storm Groningen and to relive it from the Spaniards only 1594. In 1600 an armistice was made and later on the definite peace.

Abel Eppens had 8 children two sons are known: "Eppo" and "Louwen Abels" well-known under the name "Leo Abeli at Equart", 1595 first Reformed parish priests of Loppersum municipality where Equart and respectively Bolhuis is situated. Leo Abeli left two sons; "Adolphus Louwens", was mayor of Groningen in 1663-1668; the different one "Abelus Leonis" parish priest also was in Loppersum and died 1652.

Other descendants of the Abel Eppens accepted the name "van Bolhuis" in first half of the 17th century. Abel Eppens van Bolhuis, very probably one grandson of the chronicler, is progenitor of the gender van Bolhuis. The Christian name "Abel" and"Eppo" still has had left commonly in the family van Bolhuis for a long time.
BOLHUIS..., BIJ WIRDUM... GEBOORTEPLAATS VAN ABEL EPPENS, DEN KRONIEKSCHRIJVER
Op de thans afgegraven wierde Eekwerd even ten noorden van het Damsterdiep, in de omgeving van 't vriendelijk dorpje Wirdum, stond tot 1844 een deftige hoerenhof stede: een edele heerd in den ouden trant. Naar de eigenaardige oude gedaante werd deze boerderij Bolhuis genoemd. Deze huisnaam werd op zijn beurt in de 17e eeuw de naam der familie van daar afkomstig: de leden dezer familie noemden zich Van Bolhuis. Het oostelijk deel van het landschap Fivelgo is een merkwaardig hoekje: niet minder dan zes in eikaars nabijheid liggende plekjes zijn daar aan te wijzen, waar eenmaal mannen gewoond hebben met liefde, groote liefde voor de geschiedenis, de lotgevallen van hun geboortegrond. Deze mannen hebben ons werken nagelaten, waarinvele groote en typeerende kleine bizonderheden omtrent de rijke historie van ons gewest worden medegedeeld. We bedoelen: Emo en Menco, abten van het klooster Wittewierum, die ons hun kroniek nalieten, die nagenoeg over de heele 13e eeuw handelt,belangrijke bron voor de oudste geschiedenis van ons gewest; Doede van Amsweer (bij Appingedam), die zoon werkzaam aandeel had in de beweging der Hervorming en van wien nog een enkel werkje is bewaard gebleven; Mr. D. F. J. van Halsema op Rusthoven, bij Wirdum, de kundige rechtsgeleerde, die o.m. schreef „De Staat- en Regeeringsvorm der Ommelanden"; Ds. N. Westendorp te Losdorp, wien we mede belangrijke historische werken danken, en ten slotte Abel Eppens tho Equart, die woonde op Bolhuis en ons zn uitvoerige Kroniek naliet.

Abel Eppens tho Equart wil zeggen: Abel Eppens te Eekwerd. Te Eekwerd — op Bolhuis — woonde in de eerste helft der 16e eeuw de eigenerfde boer Eppe Aepkens (Aepke = Abel), met zn huisvrouw Etgijn Elema, die afkomstig was van den aiouden Elemaheerd in de onmiddellijke nabijheid van Uithuizen gelegen. Dit echtpaar verkreeg in 1534 een zoon: Abel Eppens, de latere Kroniekschrijver. Toen Abel Eppens elf jaar oud was, overleed zn vader aan de pest. De grootvader van Abel, die te Zeerijp woonde, achtte zn kleinzoon meer geschikt voor de studie dan voor de „copenschap". Abel, ofschoon „urn zijnen vorigen mesters hardicheyt" tegenzin in de school hebbende, werd ter verdere ontwikkeling in 1547 naar Groningen gezonden, waar hij leerlingwerd aan de bij de A-kerk behoorende A-school later van de St. Maartenschool. Hier ontving hij les van den bekenden geleerden Rector Regnerus Praedinius. Eppens deelt in zn Kroniek vele aardige bizonderheden uit het leven van Praedinius mee. In1555 bezocht Eppens de Hoogeschool te Leuven" twee jaar later was hij te Keulen, voltooide zn studie te Wittenberg, waar hij tot de leerlingen van Melanchton behoorde. In 1560 keerde de jongeling naar ons gewest terug, vestigde zich voorloopig op een boerderij Enselens, bij Loppersum. Eenige jaren later betrekt hij den ouderlijken heerd Bolhuis. Trots zn over grooten afkeer van de Katholieke Kerk — welke hij voornamelijk te Leuven had verkregen — liet men den vurigen aanhanger der Hervorming toch rustig op Bolhuis wonen. In 1572 heeft hij Bolhuis waarschijnlijk eenigszins laten verbouwen. Althans'in de eerste helft der vorige eeuw zag men in den noordermuur van t gebouw een gevelsteen, met het opschrift: „Abel Eppens anno 1572— 2 Junij". Het rustig wonen op Bolhuis duurde tot 1580: het verraad van Rennenberg. Toen begonnen wederom in de Ommelanden de geloofsvervolgingen! Eppens achtte zich niet meer veilig op Bolhuis. Met vele andere Ómmelanders week hij uit naar hetgastvrije Emden in O. Friesland, „der ballingen herberg". Emden opende de poorten, ontving mild, onbekrompen gastvrij de duizenden, die hun vaderland om den geloofswille verlieten. Boven de oosterdeur der Groote Kerk te Emden, de moederkerk derProtestantsche Nederlanders, was een schip in steen gehouwen met het bovenschrift: „Schepken Christi". Rondom het schip las men:

Godte kerke vervolgt, verdreven Heeft Godt hyr troost gegeven.

Hier vond Abel Eppens met de zijnen rust, hier was hij veilig, hier schreef hij zijn Kroniek.

Zn vrouw, Frouke Louwens, met wie hij in 1562 was gehuwd, zn kinderen en zn moeder Etgijn Elema volgden hem naar Emden. Zn moeder overleed er in 1582 aan de pest. Te Emden heeft Abel Eppens een aantal jaren doorgebracht. Wel wilde hij zich eerstmet de zijnen te Weener vestigen, maar is toch te Emden gebleven. In 1580 begon hij „tho Embden in onse ballingscap" met het schrijven van zn Kroniek. Hierin vertelt hij met trots over de oude afkomst van 't geslacht zijner moeder, Elema en overde vele vooraanstaande mannen, die 't geslacht heeft opgeleverd. Elema is nog steeds een klinkende naam in onze landbouwwereld, in die der landbouwwetenschappen. De Kroniek begint met een inleiding. Daarop volgt de historie van Groningen en Ommelanden van 1537 af. Toen hij tot het jaar 1566 gekomen was zette hij zn werk onder een anderen titel voort tot 1589. Vooral over de jaren na 1580 geeft hij uitvoerige mededeelingen. Aardig en ook belangrijk is de „petit historie", waaraan zn Kroniek zoo rijk is: gedetailleerde beschrijvingen van allerlei voorvallen, betreffende de historie van Stad en Lande en die van O. Friesland tusschen de jaren 1580 en 1589. Eppens heeft alles — zooals hij zelf getuigt — genoteerd „na dat gemene geruchte schalde" en zooals hij het „sulven erfaren hefft".

De Kroniek is, behalve voor de historie van ons gewest, ook interessant door: anecdoten over allerlei personen, bijnamen, scheldnamen, eigenaardige' gezegden, berichten over landbouw, voorspellingen, folklore, gedichtjes, gegevens over de leefwijze der Ommelander geestelijken vóór de Hervorming, van de Ommelander edelen en Groninger burgers, die er in voorkomen. Bovendien is de kroniek geschreven in de taal der 16e eeuw —' een taal met een sterk lokaal karakter — van belang voor onze dialect-studie.

Eppens vertelt van de Meifeesten, die in Groningen gevierd werden. Ondanks al de ellende, die dr in 1582 in de stad heerschte, vierden de burgers van Groningen toch hun vroolijk Meifeest. „Myt een vastelavendtslevendt", alsof er geen wolkje aan de lucht was, haalden „sy die Meyboomen yn, hoveren aldaer, nodigen und scenken den koninck van Spannien in een personage gestalt, dragen den Sint Jurgen, des darden Vrijdages na Paesschen, na 'hoer olde gewoente, und maken zich in all°s triumphanten". Ook in de Ommelanden wordt in 't laatst der 16e eeuw vroolijk Meifeest gevierd. Zoo verhaalt Eppens, hoe de Winsumers „na maniere des landes" op Mei-avond een Meiboom gingen planten.

Hij bezocht' in O. Friesland den „Upstalsboom", in de buurt van Aurich gelegen. Van de zeven boomen, die dr oorspronkelijk aanwezig waren — symbolen voor de zeven Friesche Zeelanden — wa. ren er nog drie over, echter geheel „versoeret und vernichtiget". Een er van — de „groenste" — lag in twee stukken gezaagd op den grond. Hier kwamen gedurende de 12e en 13e eeuw jaarlijks in de Pinksterweek de afgevaardigden der Friesche stammen samen, om besprekingen te houden, hoe elkaar het best te helpen tegen gemeenschappelijke vijanden. Tegenwoordig vindt men op deze aloude historische plaats een piramide temidden van plantsoen»_De pyramide werd in 1833 opgericht.

Als kind van zijn tijd was Eppens natuurlijk bijgeloovig: hekserij, tooverij zijn voor hem ernstige zaken. Hij vertelt daarover bij het jaar 1587. Te Den Dam en Farmsum werd een Walinne, een Waalsche soldatenvrouw, beschuldigd van tooverij en giftmengerij tegenover een offieier. Er werd op haar aanwijzing een tooverdrank gemengd door de vrouw van Willem, kastelein in de toen zeer bekende herberg „de Hulks" te Appingedam. Hij zou iemand aanwijzen door die van den tooverdrank een „schulp vuil" onwetend op den rug te gieten „tot een prove" „So sic schuldich bena onsinnioh solde begrepen worden". De Walinne werd door den redger, Berent Reijners, gegrepen en ter dood veroordeeld

Wanneer Eppens het heeft over de komst van Maria van Hongarije hier in 1545, vertelt hij, dat zij „heerlicke to Gronnigen ontfangen worde, dat die kereke to Sunte Meerten oock gestoffiert und gewittet muste worden". „Daer dan twe arbeiders, myt wynde ant gevelt upgewonnen (met windassen tot het gewelf opgehesohen) ongeluckelichen int koer up hoege altaer sindt meder ter doet gevallen, als ick gesien hebbe und eerste mede hoerde den sware vall myt het vat". Als Eppens melding maakt van deturfgraverij van Van Ewsum in Vredewold, merkt hij op, dat „noch nummer enich torffgraver rijck was worden". Op een andere plaats, waar hij het heeft over „huysluyden, die in harbargen leven", zegt hij: „kroeghouders worden rijck". Eigenaardig is de uitdrukking: „die Staten willen endtlick den padde treden, dat he pijpen muste". Van Emden getuigt hij: „Embder gelove, Embder trouwe".

Oterdum, vroeger een sterkte aan de Eems, waar heel wat krijgstafereelen zijn afgespeeld, wordt herhaaldelijk genoemd. Met een aardige woordspeling roept Eppens uit: „Otardum, quasi longa miseria".

Het handschrift van Abel Eppens werd fn 1863 voor f4O op een publieke veiling door het Groninger Archief aangekocht. De heeren J. A. Felth en H. Brugmans hebben het handschrift in 1911 met een interessante inleiding en belangrijke aanteekeningenin druk uitgegeven: een lijvig boekwerk, waaraan we vele gegevens hebben ontleend.

Abel Eppens wordt in 1588 nog genoemd als eigenaar van Bolhuis, maar reeds vroeger waren zn goederen — als afkomstig van een landsvijand — ten verkoop aangeboden. Men weet niet precies wanneer hij overleed. Zn overlijden zal in 1590 of kort daarna hebben plaats gehad. Een merkwaardige man, levende in een bizonderen, veel bewogen tijd! Van zijn acht kinderen zijn alleen twee zoons bekend, geworden: Eppo en Louwe Abels. Deze laatste, ook wel Leo Abeli ab Equart genoemd, werd in 1595 de eerste Hervormde leeraar te Loppersum, waar hij in 1604 nog in functie was. Eppo zal zich op Bolhuis gevestigd hebben. Louwe Abels, de predikant, liet twee zoons na: Adolphus Louwens en Abelus Leonis. Beide studeerden aan onze Hoogeschool. AdolphusLouwens treffen we later als Burgemeester van Groningen (1663—1668), terwijl Abelus Leonis van 1620 tot 1634 predikant was te Loppersum. -Iffldere nakomelingen van Abel Eppens —-t-öe nazaten van zn zoon Eppo waarschijnlijk — nemen in de eerste helft der 17e eeuw naar den stamheerd Bolhuis den familienaam Van Bolhuis aan. Als eerste van Bolhuis treffen we Abel Epponis van Bolhuis: hoogstwaarschijnlijk een zoon van Eppo Abels, een kleinzoon dus van Abel Eppens, den kroniekschrijver. AbelEpponis van Bolhuis studeerde aan onze Hoogeschool. Hij werd de stamvader van 't geslacht Van Bolhuis. In het laatst der 17e eeuw vestigde zich Michiel van Bolhuis te Warffum, waar vijf geslachten van vader op zoon de hoogste bedieningen hebbenbekleed. Op den heerd Bolhuis hebben nog lang nazaten van onzen Kroniekschrijver gewoond. Enno Doedes Star, vice-admiraal der Admiraliteit te Harlingen, die — ofschoon een Oost Fries van geboorte — zn gansene leven bijna in dienst was van Stad en Lande, nam in tijden van vrede rust op Bolhuis. Hier ging hij ook de eeuwige rust in: 1707. De laatste eigenaar van Bolhuis was Mr. Abraham Buning, vrederechter in het kanton Loppersum. Hij overleed op Bolhuis in 1826 op 64-jarigen leeftijd enwerd in de kerk te Wirdum begraven. Zijn weduwe, Mevrouw A. C. Buning—Marissen, bleef op Bolhuis wonen.

De heer Schenkel van Loppersum vertelde voor een 20-tal jaren — de man was toen reeds 84 jaar — aan Dr. Wumkes allerlei bizonderheden over Bolhuis. Mevrouw Buning was zeer mild. Eiken winter deelde ze 500 kilo rundvet uit aan de armen van het dorp. Ze overleed omstreeks 1843. De familie zag haar stoffelijk overschot gaarne bijgezet naast dat van haar man in de kerk te Wirdum. Dit mocht echter niet: het begraven in de kerken was verboden. Maar men wist raad De Diaconie en de Kerkvoogden kregen ieder f 500. Toen gaven de kerkheeren consent Eerst had de begrafenis op het kerkhof plaats Eenige dagen later werd de kist echter weer opgegraven. Met nog negen andere mannen droeg Schenkel de kist naar de kerk. 't Was middernacht fakkelsbrandden, In het mtddelpad der kerk lag het graf open De kist daalde neer en de steen werd weer over 't graf gelegd Na afloop ontvingen de mannen ieder een rijksdaalder en een warmen maaltijd in de herberg Spoedig daarna was het boeldag op Bolhuis. De wapens, die in de gang hingen, werden ook verkocht. Het oude deftige Bolhuis ging over in handen van de familie Jullens. Wed. A. Jullens verkocht den 16 Sept. 1844 Bolhuis met zn hoven, tuinen, singels en landerijen. Het huis werd afgebroken, de fraaie hoven in tuinen herschapen. Niets herinnert meer aan den vroegeren heerd, alleen de naam Bolhuis voor het terrein is blijven voortleven
Nieuwsblad van het Noorden 27 maart 1937
https://nazatendevries.nl/Genealogie/Van%20Bolhuis/Het%20geslacht%20Van%20Bolhuis%20in%20Groningen.html?utm_source=pocket_mylist
Abel [Eppens tho Equart]
geb. 4-3-1534 te Eekwerd (op Bolhuis)
ovl. 1590 te Oost Friesland (Dld)zoon van:Eppo [Abels tho Equart]
Eeke [Sickens Tammen] _( III-1-2 )
Persoonlijke informatie
(Abel Eppens van Eekwert) Gedoopt 29-3-1534 te Wirdum (Eekwerd). Overleden in het voorjaar van 1590.
Beroep: eigenerfde landbouwer te Eekwerd op "Bolhuis", kroniekschrijver, gedeputeerde der Ommelanden.
Hij studeerde theologie bij Melangton in Wittenberg (1558). In 1580 was hij gedeputeerde der Ommelanden. Na het verraad van Rennenberg vlucht hij naar Oost Friesland. Zijn beroemde kroniek, "Der Vresen Chronicon", werd in 1911 uitgegeven, voorzien van toelichtingen door Feith en Brugmans, deze is in 2005 bij een antiquariaat te koop voor 300 euro.
Abel Eppens stamt af van een oud boerengeslacht uit de Provincie Groningen. Hij werd als zoon van Eppo Aepkens op "de edele heerd", het "Bolhuis" bij Equart geboren.
Zijn vader stierf vroeg en zo bracht Abel Eppens zijn schooltijd door in Farmsum en Groningen. Later studeerde hij in Leuven, 1557 in Keulen, toen in Groningen. Van daar ging hij naar Wittenberg naar Philipp Melanchthon, een vriend van Martin Luthers. Abel Eppens bleef tot Melanchthons dood in 1560 in Wittenberg en keerde daarna naar Nederland terug.
In 1562 trouwde Abel Eppens Frouke Louwens. Zijn schoonmoeder was Etgyn Ellema (ook wel: Elema). Zij stamt af van de net zo bekende Friese familie. Abel Eppens bewoonde het huis naast de boerderij van zijn vader. Een paar jaar later ging hij naarde hoofdboerderij van de familie op het landgoed Bolhuis. Hij was onderscheiden aanhanger van de Reformatie en organiseerde zich sterk in het Hollandse onafhankelijkheidskamp tegen het Katholieke Spanje. Toen in 1580 Groningen en omlanden door Spanje veroverd werden, vluchtte hij met zijn familie naar Emden.
Tijdens zijn verblijf in Emden heeft Abel Eppens een omvangrijke kroniek geschreven. Zij werd als Kroniek van Abel Eppens tho Equart in het jaar 1911 vernieuwd en gedrukt door Johannes Müller, Amsterdam in twee banden met gebonden ongeveer 1500 bladzijden. Na terugkeer woonde hij te Enselens een wierde niet ver van Eekwerd, op een boerderij van Louwe Havickes (zijn schoonvader).
In het jaar 1589 eindigde de Kroniek abrupt. Vermoedelijk is Abel Eppens in die tijd ziek geworden en kort daarop gestorven.
Abel Eppens had 8 kinderen, van de twee zonen is meer bekend: "Eppo" en "Louwe Abels", later ook bekend als "Leo Abeli ab Equart". Hij werd in 1595 de eerste gereformeerde pastor in Loppersum; de gemeente waar ook Equart en de familieboerderij "Bolhuis" zijn. Leo Abeli liet 2 zonen na: "Adolphus Louwens", hij was van 1663-1668 burgemeester van Groningen en "Abelus Leonis" hij was ook predikant in Loppersum en stierf in 1652.
In de 15e eeuw stond in de omgeving van Appingedam, aan de zuidkant van de wierde Eekwerd "Het Bolhuis", de principale heerd. De eerst bekende bewoner is Eppo to Equart, 1450(?)-1496.
Der Vresen Cronicom is in 1911 bewerkt door jhr.J.A.Feith en dhr. H. Brugmans en is in het rijksarchief te Groningen in te zien.
Hij trouwde op 10-5-1562 te Loppersum (Enselens) met:
Frouwke [Louwens] _
geb. ca 1540 te Slochteren (Enselens)
ovl. 7-11-1626 te Wirdumdochter van:Louwe [Havickes] THO ENSELENS
Etgijn [Waalckos] ELAMA
Uit deze relatie
1.Louwe [Abels] BOLHUIS geb. ca 1563 te Wirdum / ovl. na 1604( V-1-1 )
2.Sicco [Abels] _ geb. ca 1565 te Wirdum / ovl. na 1605( V-1-2 )
3.Eppo [Abels] van BOLHUIS geb. ca 1567 te Wirdum / ovl. na 1615( V-1-3 )
4.Eysche [Abels] _ geb. ca 1569 te Wirdum( V-1-4 )
5.Popko [Abels tho Equart] van BOLHUIS geb. 1571 te Eekwerd (Bolhuis) / ovl. 1625 te Middelbert( V-1-5 )
6.Engele [Abels] _ geb. ca 1573 te Wirdum( V-1-6 )
7.NN [Abels] _ geb. ca 1575 te Wirdum( V-1-7 )
8.Ettien [Abels] _ geb. 1577 te Wirdum / ovl. 1623( V-1-8 )
?t=644
Verleden van Groningen 3/8 met presentator Roel Dijkhuis
https://historischekring-demarne.nl/iets-over-de-kroniek-van-abel-eppens-tho-equart/
https://www.groene.nl/artikel/van-godt-worde-nichtes-geleert
Kunst & Cultuur Wie was Abel Eppens?
‘Van Godt worde nichtes geleert’
Vroeger bestond identiteit niet als nu. De zestiende-eeuwse kroniekschrijver Abel Eppens was protestants, Fries, boer. Of beter: geen paap, geen Spanjool, geen burger. Want identiteit is vooral wat je níet bent.

Chris van der Heijden

13 juli 2016 – verschenen in nr. 28-29

Delen

Op het eerste gezicht was Abel Eppens in elke zin anders dan u en ik. Hij was boer en diep gelovig. Hij leefde op het ritme van de seizoenen. Hij sprak en schreef een taal die wij niet of nauwelijks verstaan. Zijn horizon was zo klein dat het voor ons nauwelijks voorstelbaar is. Hij kleedde zich anders, at anders, dacht anders, deed anders. Kortom, Abel Eppens is een vreemdeling. Tussen hem en ons staat een muur, ondoordringbaar, onoverkomelijk.

Tegelijkertijd is Eppens een landgenoot, weliswaar van lang geleden maar toch. Ook deelt hij met ons een aantal eigenschappen, waaronder fysieke en psychische kenmerken plus het vermogen tot communicatie. Wat betreft dit laatste liet hij over zijn eigen tijd een geschrift na van, in druk, zo’n dertienhonderd pagina’s. De tekst is niet eenvoudig te lezen, maar met enige moeite kun je alles wat Eppens schrijft begrijpen. Wellicht is de muur tussen Eppens en ons een glaswand.

Abel Eppens tho Equart komt ter wereld rond Palmzondag van het jaar 1534 op de boerenhofstede Bolhuis op de terp Eekwerd (vandaar dat tho Equart), een gehucht in de noordoosthoek van de provincie Groningen, ergens tussen Loppersum en Delfzijl. Als hij twaalf is sterven zijn vader en diens derde vrouw aan de pest en blijven Eppens, een zusje en twee halfzusters alleen over. Huis en goederen worden verkocht (veel te goedkoop, schrijft Eppens) en de kinderen worden naar het ruim tien kilometer verder gelegen Farmsum, aan de Eems, onder Delfzijl, gebracht. Eppens blijft daar kort en wordt in 1547 door zijn voogden en grootvader naar Groningen gestuurd waar hij school gaat bij de in de verre omtrek beroemde Reinier Veldman, beter bekend als Regnerus Praedinius. Praedinius was een humanist uit de school van Erasmus en dus niet alleen goed onderlegd in de klassieken maar ook zeer kritisch over de katholieke kerk, zij het dat hij, net als Erasmus, deze kerk nooit vaarwel zei. Wellicht is Eppens in Groningen ook nog school gegaan bij Gerlacus Verrutius oftewel Gerlach Verrooten, directeur van een andere beroemde Groningse school en net als Praedinius zowel humanist als kritisch katholiek. In elk geval kenden student endocent elkaar. Eppens woonde een tijdlang bij Verrootens ouders.

Zoals destijds gebruikelijk maakte Eppens na zijn Groningse studietijd een zogenoemde peregrinatio academica, een academische pelgrimstocht. In zijn geval ging die achtereenvolgens naar Leuven, Keulen en Wittenberg. In laatstgenoemde stad volgdehij colleges van Philipp Melanchthon, de grote lutherse onderwijsman die nog tijdens zijn leven de eretitel Praeceptor Germaniae, Leraar van Duitsland, kreeg. Met irritatie had hij eerder in Leuven college gelopen. De theologen aldaar zou hij later niets minder dan ‘verdarvers van regementen’ (levenswijzen) noemen. ‘Gij solde nene toganck hebben tot der konigen oeren’, we zouden jullie ver moeten houden van allen die het voor het zeggen hebben. Met de Leuvense theologen opent Eppens ookzijn kroniek. Sprekend over de ‘orspronck und orsake der Nederlandtsche oorlogen’ noemt hij in de eerste plaats hun oproep tot kettervervolging.

Gezien zijn vorming en ervaring zal het niet verbazen dat Eppens spoedig een vurig aanhanger van het protestantisme en dus een fel bestrijder van het katholicisme en de Spanjaarden werd. Wanneer deze overgang zich precies voltrok, weten we niet.Wat we weten is dat hij in 1560, 26 jaar jong, terugkeerde naar zijn geboortestreek, een goede partij trouwde en spoedig tot de Ommelandse prominenten behoorde. Eppens was een zogenoemde ‘eigenerfde boer’, dat wil zeggen een boer die onafhankelijk was en eigen grond bezat. De grens tussen zo’n boer en een edelman kon klein zijn en veel eigenerfde boeren stonden dan ook niet zelf in de grond te klauwen, maar lieten dat over aan pachters terwijl zij zich bezighielden met zakendoen, politiek, rechtspraak, studie en vertier. Dit geldt op z’n minst gedeeltelijk ook voor Eppens.

Nieuwsbrief
Ontvang de selectie van de dag, met op zondag een terugblik op onze belangrijkste verhalen

Inschrijven
In 1569 wordt hij in een document wedman van Wirdum genoemd, gerechtsdienaar. Ruim tien jaar later begint hij aan zijn grote project Der vresen chronicon, De Friese kroniek – de reden ook dat hij in tegenstelling tot 99,9 procent van zijn tijdgenoten meer is dan een naam. Deze tekst, in 1911 gepubliceerd in twee dikke boeken en in manuscript meer dan vijfhonderd dubbel beschreven foliobladen, bestaat uit drie delen. Die delen gaan respectievelijk over de achtergronden van de opstand tegen de Spanjaarden, de geschiedenis van de Ommelanden als onderdeel van de Bourgondisch-Habsburgse landen en, verreweg het langste deel, de opstand zelf, beginnend in 1566 en eindigend op het moment dat Eppens om redenen van ziekte of dood de pen neerlegt (1589).

Tot zo ver lijkt dit niet meer dan een biografisch verhaaltje, maar het gaat hier om iets anders, namelijk de vraag die in de aanhef staat: wie was Abel Eppens, hoe zag hij zichzelf, hoe zouden wij hem moeten zien, waarin onderscheidt hij zich? Kortom: wat is de ‘eigenheid’ of identiteit van Abel Eppens en wat zijn de principiële verschillen, als die er al zijn, tussen zijn identiteit en ‘de onze’?

Het antwoord op deze vragen begint met een enorme handicap: dat Eppens in zijn verhaal nauwelijks mededelingen over zichzelf doet. Hij vertelt iets over zijn geboorte, over de dood van zijn vader, zijn studiereis, maar dat is het wel zo ongeveer.Een van de verklaringen voor zoveel zwijgzaamheid is dat hij geen autobiografie maar een kroniek beoogde. Niettemin doorspekt hij het derde deel hiervan met zoveel kleinmenselijke details uit de eigen omgeving dat Wiebe Bergsma hem in een doorwrochte studie (De wereld volgens Abel Eppens: Een Ommelander boer uit de zestiende eeuw, 1988) niet alleen een goed waarnemer en een seismograaf van het dagelijks leven, maar ook ontwapenend eerlijk noemt. Dat was naar Eppens’ eigen zeggen ook debedoeling. Hij schrijft wat hij ‘sulfen erfaren heeft’, hij schrijft over alles en iedereen, bovendien schrijft hij alleen voor de eigen kring (‘trouwelicken voer den sijnen’). Dus waarom dan zo weinig over zichzelf?

Eppens begon zijn geschrift in het voor de Nederlanden belangrijke jaar 1580, toen Rennenberg, stadhouder van de noordelijke provincies, bij het zogenoemde Verraad van Rennenberg de kant van de Spanjaarden koos. Vooraanstaande noorderlingen die Willem van Oranje trouw bleven moesten vluchten. Onder hen Abel Eppens. Met tal van land- en lotgenoten nam hij de wijk naar het aan de overkant van de Eems gelegen Emden, hemelsbreed op nog geen veertig kilometer van Loppersum, en deed daar wat ballingen zo vaak doen: schrijven over het land van herkomst, over de redenen van ballingschap, om het voorbije te onthouden, schrijven kortom als plaatsvervangend leven. Ook om die reden is het des te vreemder dat Eppens zichzelf bijna volledig buiten zijn tekst houdt.

Toch heeft Eppens’ bijna-anonimiteit een evidente reden: identiteit in onze betekenis van individuele eigenheid was hem niet alleen onbekend, ze was zelfs onvoorstelbaar. Een dergelijke identiteit is dan ook van veel latere datum, op z’n vroegstvan de negentiende eeuw. Niettemin had Eppens zonder het met zoveel woorden te benoemen, en vermoedelijk zelfs zonder er ooit over na te denken, wel degelijk een besef van identiteit. Dat besef was zelfs sterker dan het onze. Eppens’ identiteitwas collectief, per definitie. Ook werd identiteit door hem niet, zoals door ons, gezocht of gewenst, ze was gegeven. Vandaar ook dat hij er niet over na hoefde te denken. Identiteit ‘had’ je gewoon, ze sprak voor zich; identiteit was onveranderlijk, onbetwijfelbaar.

Tot voor kort – in Nederland grofweg tot de ontzuiling, uitzonderingen uit kunstzinnige hoek en zonderlingen daargelaten – was het gebruikelijk een individu als onderdeel van een groter geheel te bezien. ‘Individuum est ineffabile’ luidt het klassieke gezegde: het individu c.q. het individuele of unieke is onuitspreekbaar of, wat op hetzelfde neerkomt, niet te vatten. Begrijpelijk zou alleen het algemene zijn: een verband, een concept, een zaak. Dat is ook wat Eppens meende. Daarom kon individuele identiteit voor hem op z’n best een unieke combinatie van collectieve identiteiten zijn. In Eppens’ geval waren er minstens vier van zulke collectieve identiteiten: (protestants-)christen, Fries, boer en vader.

Het christen-zijn stond destijds voor elke Europeaan voorop; voor Eppens zelfs in versterkte mate. Een van de redenen hiervoor is de dan woedende godsdienstoorlog. Maar voorzover na te gaan was Eppens ook een vromere figuur dan zijn tijdgenoten.In elk geval klaagde hij steen en been over hun religieuze zin – en dat niet alleen als het katholieken betrof. De meeste protestanten waren in zijn ogen slechts een haar beter. ‘Van Godt worde nichtes gedacht noch geleert bij emant’, schreef hij: niemand trekt zich iets van God aan, de mensen doen maar.

Het religieus besef van Eppens gaat, zeker vergeleken met ons wereldbeeld, nog een stap verder dan het christelijk geloof. Zoals we ook weten uit het prachtige boek De kaas en de wormen (1976) van Carlo Ginzburg over een tijdgenoot van Eppens, deItaliaanse molenaar Domenico Scandella alias Menocchio (1532-1599), was alles destijds doortrokken van het hogere. Religie was meer dan christendom. Ze was overal. Daarom zag Eppens net als Menocchio steeds tekenen. Bliksem, hagel, pest, overstromingen, gekke gebeurtenissen: stuk voor stuk signalen van de Overkant. In het perspectief van Eppens was het heelal betoverd, en betoverd was dus ook ieders leven. Identiteit lag van begin tot eind in de hand van God. Om het met de Franse historicus Lucien Febvre (Le problème de l’incroyance au XVIe siècle, 1947) te zeggen: de zestiende eeuw was een eeuw die geloven wil, ‘un siècle qui veut croire’. Men ervoer niet alleen dat alles opgenomen was in een bezield verband, men wilde ook dathet zo was.

Met dit aspect heeft overigens ook het tweede cruciale verschil tussen Eppens’ en onze identiteit van doen: de onveranderlijkheid en onbetwijfelbaarheid der dingen. Abel Eppens leefde in een, wat wij zouden noemen, korset. Hij ervoer dat echter geenszins als beklemmend, integendeel. Alles had zijn plek, ieder zijn plaats en het was niet alleen verkeerd maar ook onjuist daaraan te tornen, ja zelfs om het te betwijfelen. Je zou gemakkelijk kunnen volhouden dat Eppens in deze niet consequent was. Met zijn keuze voor het protestantisme streefde hij immers een breuk met het verleden na. Maar zo zal hij het niet gezien hebben. De breuk met het verleden was in zijn ogen juist bewerkstelligd door de katholieken. Zij waren van de oorsprong afgeweken. De protestanten wilden die oorsprong herstellen. Revolutie in de ware betekenis van het woord betekende wat het woord zegt: beweging naar achteren, terugkeer. En dat was dan ook precies wat de protestanten wensten.

Wat betreft het tweede collectieve element van Eppens’ identiteit, het Fries-zijn, was zo’n revolutie niet nodig. Voorbijgaand aan de ingewikkelde discussie of de Ommelanden en Groningen Fries genoemd kunnen worden, lijdt het geen twijfel dat Eppens zich eens en voor altijd Fries voelde. Friesland en Fries-zijn waren voor hem een gegeven zoals zijn verbondenheid aan God, grond en geschiedenis een gegeven waren. Zijn kroniek voorzag hij niet voor niets van de omschrijving ‘Fries’ en in een brief aan een van zijn zonen schreef hij met lichte nostalgie over ‘onse Vresssche Ommelanden [waar] wy vresen [Friezen] meer dan twe duysent yaren lanck in geboeren gewest und gelevet hebben’.

Minder eenvoudig dan zeggen dat Eppens Fries was is achterhalen wat dit voor hem betekende. Maar zoals in alles (alles stond immers vast) was Eppens ook wat dat betreft niet erg origineel en herhaalde hij wat iedereen herhaalde: Fries-zijn was vrij-zijn. Deze ‘karaktertrek’ had in tijden van oorlog en ballingschap vanzelfsprekend meer betekenis dan ooit en verklaart mede dat Eppens zich met zoveel ijver inzette voor de antikatholieke en anti-Spaanse zaak. Papen en Spanjolen hadden de Friese vrijheid geschonden.

Maar terwijl vrijheid een goed motto is voor strijd is ze te vaag en te universeel voor identiteit. Fries-zijn moet meer betekenen, ook voor Eppens. Opmerkelijk hierbij is dat hij niet verwijst naar dat waarmee wij het Fries in eerste instantie associëren: taal. Eppens sprak en schreef niet eens Fries, Bergsma noemt zijn taal ‘een noordelijke variant van het Nederduits’. In de boekjes wordt Eppens’ dialect ook wel Oost-Fries, Oost-Fries Nedersaksisch of nog ingewikkelder genoemd, maar volgens mij maakt dat de zaak er niet beter op. In elk geval geldt voor Eppens niet wat sinds ruime tijd voor de meeste Friezen geldt: dat zij ‘wonen in hun taal’, oftewel dat taal een cruciaal deel van hun identiteit is.

Maar als taal voor het Fries-zijn van Eppens niet kenmerkend is en vrijheid te algemeen, waaruit kan die Friese identiteit dan wél bestaan? Bergsma komt niet veel verder dan gewoontes en noemt er aan de hand van een anekdote twee: het drinken uitkoehoorns en het eten van gort. Maar zijn dat geen bijkomstigheden? En kunnen bijkomstigheden identiteitsbepalend zijn? Onder één voorwaarde moet het antwoord op deze laatste vraag bevestigend luiden. Die voorwaarde is dat je aanvaardt dat identiteit eerst en vooral gevoel is. Eppens voelde zich Fries en zou, naast een geografische verwijzing, ter verklaring vermoedelijk een paar willekeurige zaken opgesomd hebben. Maar dergelijke zaken waren niets dan illustraties. Het was het onbeschrijflijke, onverklaarbare gevoel waar het om gaat. Een geschiedenis van het nationaal sentiment toont dat er wat dat betreft in de loop van eeuwen niets is veranderd. Jacob van Maerlant zei het in de dertiende eeuw al: dat eenieder het gevoel heeft tot een gemeenschap te behoren en om die reden over die gemeenschap vervolgens ook de loftrompet steekt. ‘Die Brabantsoen prijst Brabant Ende die Fransois Vrankerike, Die Duutsce dat keyserrike, Die Baertoene (Breton) prisen Baertanien, Die Tsampanoise (Champenois) Tsampanien.’

Concreter, in elk geval uit ons perspectief, dan het Fries-zijn was het boer-zijn. Voor Eppens betekende dat echter niet alleen verbondenheid met (Friese!) grond, leven van landbouw en veeteelt en een specifieke sociale positie, het betekende ooken misschien vooral een tegenstelling met de stad, met Groningen. Ook wat dat betreft dacht hij als eenieder in zijn omgeving.

De belangrijkste reden voor de spanning tussen Groningen en de Ommelanden was praktisch. De stad bezat sinds lang het zogenoemde stapelrecht, dat wil zeggen dat alle goederen die in de Ommelanden geproduceerd en verkocht (geëxporteerd) werden Groningen moesten passeren. Deze centralisatie lag ten grondslag aan meer kwesties. Zo wisten de Groningers het tijdelijk voor elkaar te krijgen dat in de Ommelanden alleen bier gedronken mocht worden dat in de stad gebrouwen was. Omdat het stapelrecht ook op andere gebieden (rechtspraak, belastingen) centralisatie met zich meebracht, was de irritatie bij de Ommelanders enorm. Vandaar dat zij steeds weer beklemtoonden dat zij geen Stadjers waren.

In de tijd van Eppens doelden zij daarmee vermoedelijk niet zozeer op een sociale als wel op een praktische tegenstelling. Maar op den duur kwam hieruit wel een sociale tegenstelling voort: boeren waren vooral geen burgers – en andersom. Je kuntoeverloos delibereren over wat dat in concreto betekent, je zou zelfs kunnen stellen dat Eppens als intellectuele herenboer al heel wat burgerlijke kenmerken had, het feit blijft. Terwijl Eppens als boer tot op zijn laatste vezel gebonden was aan grond (‘van onse olde vresen und voerolderen erholden worden’), hadden burgers zich daarvan juist losgemaakt. De enige verbintenis die ze hadden was met geld en stenen, maar ja, die waren inwisselbaar en verplaatsbaar. In Eppens’ ogen hoorden burgers dan ook nergens. Het ontbrak hen aan roots.

Het is nu al de zoveelste keer dat het eenvoudiger is identiteit negatief dan positief te benoemen. Identiteit is vooral wat je niet bent. In het geval van Eppens betekent dat: geen katholiek, geen Spanjaard, geen burger. Het is een verschijnseldat uit literatuur en alledaagse ervaring goed bekend is. Zo werden de Fransen volgens Eugen Weber (Peasants into Frenchmen, 1976) pas Fransen toen ze zich eind negentiende, begin twintigste eeuw door oorlog gedwongen realiseerden dat ze eerst en vooral geen Duitsers waren. Het is een oeroud thema dat via zondebokmechanismes, discriminatie, haat en onderdrukking tot onvoorstelbaar veel ellende heeft geleid: we zijn misschien wel in de eerste plaats wat we niet zijn; identiteit is niet zozeer een positief als wel een negatief verschijnsel. Het maakt elk zoeken ernaar een hachelijke onderneming.

Negatieve kenmerken gelden niet voor het laatste aspect van Eppens’ identiteit: het vaderschap. Het verschil met de andere identiteitskenmerken ligt voor de hand. Vader (of moeder) zijn of worden verreweg de meesten van ons, zoals we in ieder geval allemaal kind zijn geweest. Maar ook dat is zo universeel dat het nauwelijks iets zegt. Niettemin is het een belangrijk kenmerk van elke persoon en dus identiteitsvormend. Eppens ervoer dat zeker zo. Vandaar dat hij, zoals bekend is uit brieven, zijn zonen met klem bepaalde normen en waarden probeerde op te dringen. ‘Niet doende, leert men quaat doen’, schrijft hij, ‘und he sal ock niet eeten, soe he myt handen neyt wercket.’

Het zijn oeroude, karaktervormende lesjes die terloops een laatste aspect van identiteit suggereren. Eppens zal ook wel begrepen hebben dat er binnen zijn groep van protestantse Friese boeren verschillende types rondliepen en dat die verschillenbepaald werden door unieke kenmerken als afkomst, opvoeding, talent en karakter. Hoe collectief identiteit in zijn ogen ook geweest mag zijn, ze was gedeeltelijk ook altijd individueel. Een hint in die richting valt in Eppens’ kroniek echter nergens te ontdekken. Want individualiteit deed niet ter zake, nooit. Een groter contrast dan met ons perspectief is ondenkbaar.

Heeft u aanvullingen, correcties of vragen met betrekking tot Abel Eppens tho Equart?
De auteur van deze publicatie hoort het graag van u!


Tijdbalk Abel Eppens tho Equart

  Deze functionaliteit is alleen beschikbaar voor browsers met Javascript ondersteuning.
Klik op de namen voor meer informatie. Gebruikte symbolen: grootouders grootouders   ouders ouders   broers-zussen broers/zussen   kinderen kinderen

Voorouders (en nakomelingen) van Abel Eppens tho Equart

Abel Eppens tho Equart
1534-± 1590

1562

Frouke Louwens
± 1540-1626


    Toon totale kwartierstaat

    Via Snelzoeken kunt u zoeken op naam, voornaam gevolgd door een achternaam. U typt enkele letters in (minimaal 3) en direct verschijnt er een lijst met persoonsnamen binnen deze publicatie. Hoe meer letters u intypt hoe specifieker de resultaten. Klik op een persoonsnaam om naar de pagina van die persoon te gaan.

    • Of u kleine letters of hoofdletters intypt maak niet uit.
    • Wanneer u niet zeker bent over de voornaam of exacte schrijfwijze dan kunt u een sterretje (*) gebruiken. Voorbeeld: "*ornelis de b*r" vindt zowel "cornelis de boer" als "kornelis de buur".
    • Het is niet mogelijk om tekens anders dan het alfabet in te voeren (dus ook geen diacritische tekens als ö en é).



    Visualiseer een andere verwantschap

    De getoonde gegevens hebben geen bronnen.

    Aanknopingspunten in andere publicaties

    Deze persoon komt ook voor in de publicatie:

    Historische gebeurtenissen

    • Graaf Karel II (Oostenrijks Huis) was van 1515 tot 1555 vorst van Nederland (ook wel Graafschap Holland genoemd)
    • In het jaar 1534: Bron: Wikipedia
      • 10 mei » De Franse zeevaarder Jacques Cartier ontdekt Newfoundland.
      • 15 augustus » Ignatius van Loyola richt met zes medestudenten in Parijs de Orde van de Sociëteit van Jezus (S.J.) op.
      • 3 november » Koning Hendrik VIII van Engeland wordt hoofd van de Anglicaanse Kerk.
      • 4 december » De Turkse sultan Süleyman I verovert Bagdad.
      • 6 december » Spanjaarden stichten de stad Quito in Ecuador.
    • Graaf Filips III (Oostenrijks Huis) was van 1555 tot 1581 vorst van Nederland (ook wel Graafschap Holland genoemd)
    • In het jaar 1562: Bron: Wikipedia
      • 17 januari » Catharina de' Medici garandeert de Franse hugenoten geloofsvrijheid met het Edikt van Saint-Germain-en-Laye.
      • 1 maart » De Franse religieuze oorlog begint met een bloedbad, waarbij 1000 Hugenoten in Vassy worden vermoord.
      • 19 december » Slag bij Dreux als resultaat van het Bloedbad van Wassy-sur-Blaise en onderdeel van de eerste Hugenotenoorlog.
    

    Dezelfde geboorte/sterftedag

    Bron: Wikipedia


    Over de familienaam Eppens tho Equart


    De publicatie Stamboom Westerman is opgesteld door .neem contact op
    Wilt u bij het overnemen van gegevens uit deze stamboom alstublieft een verwijzing naar de herkomst opnemen:
    Harry Westerman, "Stamboom Westerman", database, Genealogie Online (https://www.genealogieonline.nl/stamboom-westerman/I2481.php : benaderd 1 januari 2026), "Abel Eppens tho Equart (1534-± 1590)".