Hij is getrouwd met Guyote VAN IJSSELSTEIN.
Zij zijn getrouwd
Hij had een relatie met Guyote van IJselstein.
Kind(eren):
Arend Heer van Egmond ± 1340-1409
Gerrit van Egmond
Albrecht van Egmond
Beatrix van Egmond
Baerte van Egmond
Maria van Egmond ????-± 1584
Catharina van Egmond
Antonia van Egmond
Elisabeth van Egmond
Griete van Egmond
Kind(eren):
in december 1327 is er sprake van dat hij "corteliken zine jaren hebben zoude" en dan leenhulde zou moeten doen (vgl. Holl. Leenk. 37 fol 19). In 1328 streed hij al mee bij Cassel tegen de Vlaamse opstandelingen , later Kabeljauwsgezind, vocht 4 augustus 1351 mee in de scheepsstrijd bij Zwartewaal, werd in 1356 door Graaf Willem V, met zijn broer Gerrit benoemd tot stadhouder van Holland benoorden de Maas. Later raadsheer van Albrecht van Beieren. Op 31 maart 1331 tochtte hij zijn vrouw aan de tienden van Huisduinen en de tienden van Zegwaard (Holl. Leenkamer 2 fol. 71 en 1 fol. 68 v.) Zij zullen kort voor die dag gehuwd zijn.
in december 1327 is er sprake van dat hij "corteliken zine jaren hebben zoude" en dan leenhulde zou moeten doen (vgl. Holl. Leenk. 37 fol 19). In 1328 streed hij al mee bij Cassel tegen de Vlaamse opstandelingen , later Kabeljauwsgezind, vocht 4 augustus 1351 mee in de scheepsstrijd bij Zwartewaal, werd in 1356 door Graaf Willem V, met zijn broer Gerrit benoemd tot stadhouder van Holland benoorden de Maas. Later raadsheer van Albrecht van Beieren. Op 31 maart 1331 tochtte hij zijn vrouw aan de tienden van Huisduinen en de tienden van Zegwaard (Holl. Leenkamer 2 fol. 71 en 1 fol. 68 v.) Zij zullen kort voor die dag gehuwd zijn.
Dr. Brokken "Ontstaan Hoekse en Kabeljauwse twisten": Al op 20 mei 1330 gaf graaf Willem III Jan I van Egmond en zijn vrouw Guyote de verzekering hen in het bezit te zullen stellen van het huis en de heerliikheid IJsselstein met toebehoren, wanneerhaar vader, heer Arnoud, die in 1343 zijn vader Gijsbrecht van Amstel als heer van IJsselstein zou opvolgen, geen zonen zou nalaten. Nadat keizerin Margareta op 26 augustus 1346 Arnoud van IJsselstein en zijn vrouw hun van de Hollandse grafelijkheid in leen gehouden goederen in onversterfelijk erfleen gegeven had, verklaarden Jan I van Egmond en zijn vrouw op 27 december 1346 alle schulden van Arnoud van IJsselstein te zullen betalen en zijn testamentaire beschikkingen te zullen uitvoeren, "alsoe verre alse ons ende onsen erfnamen die heerscap van Yselsteine van sijnre doer aencoemt". Dit geschiedde uiteindelijk in 1364, na het overlijden van Arnoud van IJsselstein in 1363. Het uitzicht op deze omvangrijke erfenis, leengoed van de Hollandse grafelijkheid, heeft grotendeels de opstelling van Jan I van Egmond tegenover de opvolgende landsheren bepaald, waarbij hij, ondanks zijn initiatief tot de vorming en het leiderschap van de Kabeljauwse partij, een grote flexibiliteit aan dedag heeft gelegd. Hij was een pragmaticus. Bovendien was deze erfenis zo veelbelovend dat hij tijdens zijn lange politieke en militaire loopbaan - hij nam in augustus 1328 deel aan de slag bij Cassel en was nadien bij alle militaire evenementen betrokken - zich niet heeft toegelegd op de uitbouw en versterking van zijn vermogenspositie.In het onderhavige tijdvak was Jan I van Egmond een van de belangrijkste personen in het landsheerlijk bestuur. Tijdens het stadhouderschap van Jan van Henegouwen nam hij een eerste plaats in de 'raad van Hillegom'. In augustus 1344 kreeg hij de grafelijke burcht Nieuwendoorn nabij Alkmaar in bewaring en van 7 december 1344 tot 31 maart 1345 nam hij deel aan de derde tocht van graaf Willem IV naar Pruisen. In juni 1345 nam hij deel aan de veldtocht tegen de stad Utrecht en hij zal vermoedelijk ook graaf Willem IV in september 1345 naar Westlauwers Friesland gevolgd zijn. Als raadslid bleef hij tijdens de regering van keizerin Margareta enigszinsop de achtergrond, maar hij bleef toen wel in de raad. Onder Willem de Verbeider kwam hij als raadslid en verantwoordelijk bestuursman weer naar voren, onder meer bij de afwikkeling van de bestandsovereenkomst met de Oostfriezen van 17 juli 1347 die hij met zijn schoonvader en andere Hollandse raadsleden wist af te houden, en voorts als voorstander van de hernieuwde oorlog met de bisschop van Utrecht in 1348. Aldus nauw betrokken bij de politieke ontwikkelingen tijdens het verbeiderschap van Willem van Beieren, heeft hij na de afwijzing van Margareta's abdicatievoorstel in 1349 gekozen voor de inhuldiging van Willem van Beieren als landsheer. In de tweede helft van 1349 en de eerste maanden van 1350 legde hij samen met Gerard van Heemskerk , de grondslag voor het Kabeljauws verbond van 23 mei 1350 en stelde hij, in samenwerking met Wolfert III van Borselen in Zeeland, pogingen in het werk om Willem van Beieren landsheer te maken. Om hem heen vormde zich in Holland de Kabeljauwse partij. Zeer waarschijnlijk inspirator van en organisator achter de usurpatie van de macht door Willem van Beieren in februari 1351, viel hem vanzelf een leidende positie in het landsbestuur onder graaf Willem V ten deel. In november 1351 werd hij, met de abt van Egmond, belast met een gezantschap naar koning Eduard III van Engeland om diens steun te winnen voor Willem V in de oorlog en het huwelijk van de graaf met Machteld van Lancaster, nicht van de koning, voor te bereiden. Aan de raadswerkzaamheden nam hij, evenals Willem van de Wateringe ,gedurende de regering van Willem V in Holland met de hoogste frequentie deel. Van 23 januari 1353 tot 22 april 1354 was hij baljuw van Kennemerland, welk baljuwschap hij mede aanvaardde om de door hem als Kabeljauws voorman gemaakte onkosten op de landsheerlijke schatkist te verhalen. Bij de organisatie van de oorlog met bisschop Jan van Arkel en de stad Utrecht in 1355-1356 was hij als raadslid, maar ook als particulier door het erfgoed van zijn vrouw Guyote en het huwelijk van zijn dochter Beatrijs met Gijbrecht I van Vianen begin 1355, ten nauwste betrokken. In oktober 1355 werd hem de verdediging van Naarden en de militaire leiding over Kennemerland, West-Friesland,Amstelland en Waterland toevertrouwd. Hij kreeg toen ook een vast daggeld als raadslid van Willem V. Hij behoorde tot de drie ridders en de vier steden, die de vrede van 30 juni 1356 met de bisschop van Utrecht meebezegelden. Op 9 juli 1356 droeg Willem V hem en zijn broer Gerard van Egmond met een commissie van stedelijke vertegenwoordigers het bestuur van het land benoorden de Maas tijdens zijn verblijf buiten het graafschap in verband met zijn inhuldiging als graaf in Henegouwen op. De aanvaarding van het ruwaardschap door hertog Albrecht van Beieren werd voorts door hem gesteund: hij leende de hertog 7.000 Brugse schilden, met Wieringerland als onderpand, voor de aflossing van de schuld van 20.000 schilden aan Lodewijk de Romein. Jan I van Egmond was in hoge mate verantwoordelijk voor het uitbreken van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, alsmede voor de beeindiging van de burgeroorlog met de terugkeer van Hoeken in het land en het landsbestuur. Met hem braken de Egmonds door tot de hoogste en belangrijkste bestuursadel in Holland.
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.