Hij is getrouwd met N.N. van Meerte.
Zij zijn getrouwd
Kind(eren):
Hoofdschepen van de rechtbank van de graaf van Brussel, schepen van Brussel 1173 en 1207
1173 en 1207 eenen Hugues Clutinc is schepen van Brussel
Hij bezat een allodium te Nederokkerzele ... zou ook zijn verwante Eppo van VELPEN. Hij was schepen van het Hooggerechtshof van het graafschap Brussel in 1176. Waarschijnlijk getrouwd met de erfgename van het steen met hoge gerechtigheid "De Meerte". Zijn stiefvader moet de "baenrots van MEERTE" zijn geweest die vochten tijdens de oorlogen van Grimbergen (tussen 1125-59).
PS Een allodium was tijdens het ancien régime een onroerend goed dat geen leengoed was en waarover bij erven geen belasting hoefde te worden betaald. Een andere benaming is zonneleen of eigengoed.
Toelichting[bewerken | brontekst bewerken] Het duidt op een uitzonderlijke vorm van grondbezit, waarover het bezitsrecht absoluut is. In de meest beknopte definitie zei men in oude wetteksten dat boven een allodium alleen nog God en de zon stonden, vandaar de naam zonneleen. Iedere vorm van vruchtgebruik of rechtspleging binnen het betrokken grondstuk behoorde toe aan de bezitter.
Vele allodia, allodiale goederen, vinden hun oorsprong in een rijks- of koningsgoed, dat door de vorst wegens bewezen diensten aan een trouwe vazal werd geschonken en waarbij het statuut van allodium ten eeuwigen dage werd gewaarborgd. Ook het stichtingsgoed van de meeste middeleeuwse abdijen en kerken was doorgaans allodiaal, om de immuniteit van de stichting te waarborgen.[1]
Een allodium mag niet verward worden met een leengoed. Bij een leengoed verwerft men slechts het vruchtgebruik over het betrokken goed en blijft, in hedendaags Nederlands, het naakte eigendom steeds bij de leenheer. Een leengoed is overigens niet (altijd) ontheven van de omringende jurisdictie. Vele landsheerlijke allodia hebben nochtans de basis gevormd voor een allodiaal leenhof. Daarin werd het leengoed geadministreerd, dat de bezitter (een graaf of hertog) als allodiaal goed had verworven en verder aan vazallen in leen gaf.
Allodia zijn veelal grondstukken met beperkte oppervlakte. Er bestaan nochtans ook allodiale graafschappen, bijvoorbeeld het Vrijgraafschap Bourgondië. Dit zijn landsheerlijke entiteiten waarover de vorst in uiterste totaliteit afstand had gedaan van de rechtspleging en de begunstigde in wezen niet leenhuldeplichtig meer was aan de koning. In een dergelijk graafschap bestaat er bijgevolg geen feodale hiërarchie meer: er heerst een graaf, die in wezen aan niemand nog rekenschap is verschuldigd. De betrokken graaf kan ook niet in feodale gradatie stijgen, bijvoorbeeld naar markgraaf of hertog: er is geen behoefte aan een gelaagde hiërarchie en bovendien bezat de koning zelfs niet meer het recht er een titel te verlenen.[2]
Een bijzondere vorm van allodium was het opgedragen leen, ook genoemd fief de reprise.
verder in de 12e eeuw is er een melding van een Clutinc de Coudenberg De Meerte's, Clutincs, Eggloy's en Pipenpoy's stammen rechtstreekse af van Robert II (de Vrome) van Frankrijk (996-1031) van het koningshuis Capetiens
Binnen het geslacht Serhuyghs waren de families Clutinc, Coudenberg, Pipenpoy, Meerte, Huldenberge, Herthuys, Eggloy, Cassaert, Taye, Menne, Bogaerde, Sire Jacob verbonden
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.