geg van D van der Vliet Amsterdam
getuigen doop Jacob Rotteveel en Engelina Maria van Hebbemse
«b» Het vierde kind Swerus komt ook voor als SWEERIS ROTTEVEEN en hij was blind zoals uit het onderstaande artikel blijkt
«/b»
De Nederlandse arts en Vrijmetselaar Johan Rudolf Deiman (1743 1808) werd op 17 oktober 1785 lid van de Société Royale de Médécine te Parijs. Deiman was de eerste die zich aktief inzette voor onderwijs aan blinden in Nederland. In het "Register der Resolutiën" van het Grootoosten van Nederland (1807) lezen we: "dat de eerstgenoemde Broeder J.R. Deiman reeds sedert enige jaren bedacht geweest was, om de zichtbare voorwerpen aan Blinden, door het gevoel, te doen kennen, of liever, hun door het tasten de gedaante der letters en andere voorwerpen te leeren onderscheiden". Op 13 november 1808 werd het Instituut voor Onderwijs aan Blinden in Amsterdam gesticht met als eerste bestuursvoorzitter Willem Hoprop. Jan van Wijk Roelszoon werd als eerste onderwijzer aangesteld. In december 1808 ontving J, van Wijk Rz, zijn leerlingen om 18.00 uur en gaf les tot 20.30 uur. Zijn eerste leerlingen waren: Gerrit Smit, geboren 16 november 1797, «b» Sweeris Rotteveen,«/b» «b» geboren 26 april 1801«/b» en Elizabeth Kalis, geboortedatum onbekend en reeds op 26 mei 1809 van school verwijderd wegens oligofrenie (zwakzinnigheid).
De eerste methodieken komen uit de nalatenschap van Deiman: drie landkaarten, twee rekentafeltjes met gegoten cijfers van 0 tot 9, de matrijs en haak tot gieten van de gemelde cijfers, ongeveer 75 kg. bruikbare letters en 7,5 kg. beschadigde letters é. Op 16 mei 1809 wordt het eerste examen gehouden in het Vrijmetselaarsgebouw te Amsterdam. Zeven blinde leerlingen leggen examen af in spellen, rekenen en aardrijkskunde. Rekening houdende met het feit dat de leerlingen maximaal 2,5 les ontvingen, dat er een kort tijdsbestek (ongeveer anderhalf jaar) lag tussen de oprichting van het instituut en het examen en ten slotte, dat de inschrijfdata der leerlingen sterk verschilden, kan men aan dit examen moeilijk veel waarde toekennen. Men dient het meer te zien als een onderzoek naar de mogelijke geestelijke vorderingen van blinde kinderen. Na afloop van het examen nam men de beslissing meer onderwijs in handwerken, muziek en zang te geven. Ook ging men ten rade bij L. van Limburg om het wetenschappelijke leerplan in een vaste vorm te gieten. Aangaande deze leer was het advies van L. van Limburg: 'Zij moeten een juist denkbeeld van hun eigen bestaan, voor hun IK en de betrekking in dewelke zij met andere Menschen staan hebben, willen zij gevolglijk over dat wezen dat hun dit ik gegeven heeft, redekaavelen kunnen'.
Daar het aantal leerlingen toenam, was men verplicht naar een andere, geschiktere ruimte te zoeken. Op 9 mei 1810 werd die gevonden in de Koestraat nr. 2 te Amsterdam. Niettegenstaande het slechter wordende politiek klimaat kreeg het onderwijs aan blinden meer steun en bekendheid. In de eerste jaren van het blindenonderwijs werd getracht de blinden te leren lezen en schrijven met behulp van de gewone Romeinse letters, welke dan in het papier in reliëf werden gedrukt. Het bleek evenwel al spoedig, dat het lezen van die letters voor de blinden niet of nauwelijks mogelijk was. Het aantal boeken bleef zeer beperkt en was vrij duur. Aan het geheugen van de leerlingen werden hoge eisen gesteld. Schrijven was zo goed als uitgesloten niettegenstaande het feit dat er verschillende apparaten op de markt waren. A1 spoedig werd dan ook gezocht naar een systeem dat de blinde in staat zou stellen te lezen en te schrijven. Na vele mislukte pogingen werd tenslotte door Barbier (Frankrijk) een 12 puntenstelsel samengesteld. Louis Braille verbeterde en vereenvoudigde het naar een 6 puntensysteem dat heden nog naar hem genoemd wordt (Brailleschrift). In 1829 maakte hij zijn methode bekend (3). Met dit systeem kunnen alle lees-, muziek- en algebraïsche tekens worden aangegeven. Alhoewel er in Nederland een gelijkvormig schrijf- en leessysteem kwam, slaagde men er niet in de lijn van gelijkvormigheid in methodieken door te trekken naar andere vakken zoals o.a. aardrijkskunde en rekenen. Men kan stellen dat in de vorige eeuw de Vrijmetselarij, gevolgd door de Rooms Katholieke Kerk, de zorg van het onderwijs aan blinden in Nederland op zich hadden genomen en zo bijdroegen aan de maatschappelijke integratie van nietzienden. Door te tonen onder welke moeilijke omstandigheden het eerste onderwijs aan blinden in Nederland op gang kwam en zich langzamerhand ontplooide kunnen de bezoekers van de tentoonstelling een indruk krijgen van de geschiedenis van het onderwijs aan blinden. Deze geschiedenis wordt hoofdzakelijk aan de hand van methodieken tentoongesteld. Wij hopen dat deze tentoonstelling een beter begrip bij 'de grote groep zienden' oplevert voor de problemen van de niet-zienden. Aanpassingen worden aangebracht binnen het Nationaal Schoolmuseum zodat de thematentoonstelling voor de niet- en/of slechtziende (ook rolstoelgebruikers) te bezichtigen is.
«b» A.C.I. Hekkens«/b»
'Even voor de kerkklok zessen slaat, steekt onderwijzer Van Wijk in zijn huiskamer een aantal kaarsen aan. Voor wat extra warmte legt hij een groot houtblok in de potkachel. «b» Sweeris Rotteveen«/b» komt binnen, gevolgd door Gerrit Smit en Elizabeth Kalis. Ze nemen plaats aan een grote tafel. Op die tafel liggen drie landkaarten klaar: een van de wereld, een van Europa en de nieuwste kaart van de Zeven Verenigde Nederlanden. Aan de zijkant van de tafel liggen speciaal uitgestanste houten letters. Want voor vandaag staat aardrijkskunde en lezen op het programma.' citaat uit het boekje "Anderhalve eeuw onderwijs aan blinden (1808-1958) geeft de allervroegste geschiedenis van Visio weer zo'n 200 jaar geleden. De lessen werden op vijf dagen in de week gegeven van 18.00 tot 20.30 uur 's avonds. De eerste les vond op 12 december 1808 plaats. 1808 startte het Instituut tot Onderwijs van Blinden in Amsterdam met drie leerlingen in de leeftijd van zeven tot negen jaar. werd Louis Braille geboren.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen