Hij is getrouwd met Sara Bekau.
Zij zijn getrouwd op 11 januari 1634 te Leiden.
Leupenius, Petrus * tussen 15 januari en 18 mei 1607 Colchester; 15 januari 1670 Amsterdam, predikant en taalkundige.
In november 1622 werd Petrus Leupenius (ook wel Leupen of Lupe) als student in Leiden ingeschreven. In 1633 werd hij als predikant beroepen in 's-Hertogenrade, in 1637 in Hattem en in 1642 in Amsterdam. Hij heeft een drietal werken gepubliceerd; in elk ervan heeft hij aandacht besteed aan de Nederlandse taal.
Ontwikkeling en karakterisering
De geessel der sonden (1651) bevat een Aanspraak tot den bescheiden leeser van Leupenius' hand, waarin hij zich heeft gekeerd tegen het gebruik van leenwoorden in het Nederlands. Uit dit voorwoord blijkt tevens dat Leupenius zich terdege rekenschap gaf van de wijze waarop hij zijn moedertaal (daar bysonderlijk op te letten staat) spelde: hij verontschuldigt zich bij de lezer ervoor dat zijn spelling hier en daar afwijkt van wat gebruikelijk is, maar voegt daaraan toe dat hij daar argumenten voor heeft die hij eventueel wil wisselen.
Aanmerkingen op de Neederduitsche taale (1653) is geheel aan het Nederlands gewijd, een taal die wy alle eerbiedigheid schuldig syn. Het boek heeft niet de pretentie een volledige spraakkunst te bieden; daar heeft de auteur zich niet toe in staat geacht. Leupenius levert slechts kanttekeningen bij grammaticale geschriften van voorgangers.
Zijn grondregel voor de spelling is dat deze zich naar de uitspraak richt. Een lange klank heeft hij daarom steeds met een dubbel teken aangeduid (taafel), een korte met een enkel (kasteel, maar ook manier). De regel van de gelijkvormigheid gaat deze basisregel te boven, zodat gront (uitspraak) grond wordt vanwege gronden, zoals dach (uitspraak) dag wordt vanwege dagen; in dat laatste woord wordt een enkel vocaalteken gebruikt omdat dat ook in het enkelvoud zo is. Ook gesel wordt gesell op grond van gesellen, maar bevel blijft bevel.
Leupenius' woordsoortenleer bevat, vergeleken met die van zijn voorgangers, enkele vereenvoudigingen. Tot de naamen behoren bij hem, naast de zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, ook de voornaamwoorden en de lidwoorden, tot de werkwoorden ook de deelwoorden, die in navolging van de klassieke grammatici tot Weiland (1805) gewoonlijk als een aparte woordsoort werden beschouwd. De overige woorden werden verenigd tot bywoorden. Slechts drie naamvallen heeft Leupenius onderscheiden omdat het Nederlands niet meer dan drie veranderingen heeft.
In 1654 plaatste de katholieke Joost van den Vondel een Noodigh berecht over de Nederduitsche misspellinge achter de uitgave van Lucifer. Hierin viel hij de gansch ongerymde en overtollige misspellinge aan van de predikant Leupenius, zonder overigens diens naam te noemen. Vooral tegen het gebruik van een dubbel teken ter aanduiding van de lange klank in open lettergreep (vaader, gesleepen) kwam Vondel in het geweer. Niet alleen wist Leupenius via de kerkenraad de verdere opvoering en de uitgave van Lucifer te verbieden, in Naaberecht gedaan op J. v. Vondelens Noodigh berecht (1654) heeft hij fel uitgehaald naar Vondels spellinginzichten en diens argumenten tegen zijn spelling. De polemiek werd tot in de achttiende eeuw door auteurs van taalkundige geschriften het Nederlands betreffend, gememoreerd.
G.R.W. Dibbets
[mei 2004]
Voornaamste geschriften
De geessel der sonden (1651).
Aanmerkingen op de Neederduitsche taale (1653).
Belangrijkste secundaire literatuur
Caron, W.J.H.: Petrus Leupenius, Aanmerkingen op de Neederduitsche taale en Naaberecht, uitgegeven, ingeleid en toegelicht. Groningen, 1958.
Dibbets, G.R.W.: Leupenius' taalkunde en zijn boekenkast. In: Voortgang, jaarboek voor de Neerlandistiek 18 (1999), p. 113-128.
Petrus Leupenius | ||||||||||
1634 | ||||||||||
Sara Bekau | ||||||||||
De getoonde gegevens hebben geen bronnen.