Jacobus is begraven op de begraafplaats aan de dr. Heyelaan in Abbenes in een koopgraf 2e klasse, in graf nr. C3. Kosten waren 6 gulden voor het graf, 1 gulden voor het doodskleed, 1,50 gulden voor het luiden van de klok, 1 gulden als loon voor de klokluider en 1 gulden als loon voor de doodgraver.
Jacobus van Rijssel in 1870 in de Haarlemmermeer geboren in een huis aan de ringdijk in sectie G, wat tegenwoordig de Cruquiusdijk tussen Vijfhuizen en de Cruquius is. Hij kwam in 1892 ongehuwd te overlijden in Lisserbroek.
Jacobus is in 1891 eenhalf jaar opgenomen geweest in het krankzinnigengesticht 'Meerenberg' in Bloemendaal. Dit vanwege "zijne gevaarlijke neiging om brand te stichten (pyromanie)". Jacobus bleek er "lust" in te hebben omo.a. hooischelven en kippenhokken in de brand te steken en had ook soms last van "vlagen van woestheid". In de dagen voor zijn opname in het gesticht was hij zo onhandelbaar geworden dat hij door eensterk man bewaakt moest worden, welke "verklaarde dat de jongen bang voor hem was en daardoor onderworpen".
Op 23 maart 1891 maakte de dokter A.C. van Ewijk uit Lisse een verklaring op omtrent Jacobus zijn vermeende 'krankzinnigheid'. De dokter had geconstateerd dat Jacobus aan pyromanie leed en dat hij ook graag sprak over alles wat met vuur en brand te maken had. Zijn moeder had verklaard tegen de dokter dat Jacobus van jongs af aan altijd al lastig en "ongezeggelijk" was geweest. Op de vraag of de ouders ook wel eens "ziekelijk" waren geweest, had zij verteld dat vader Pieter en een van Pieter's broers (Klaas, Adrianus of Abraham?) ook altijd "wat wonderlijk" waren geweest en dat zij "weinig lust in 't werken" hadden en probeerden zonder te werken "op allerlei wijzen aan den kost te komen". Ook had zij verklaard dat ze tijdens haar zwangerschap van Jacobus "een schrik" had gehad en daarom "wat zenuwachtig" was geweest tijdens de bevalling van hem.
Met deze verklaring diende zijn broer Jozef op 25 maart een verzoek in bij de kantonrechter in Hoofddorp om Jacobus op te laten nemen in een gesticht. De kantonrechter beschikte daarop dat Jacobus in gesticht Meerenberg moest worden opgenomen, wat twee dagen later ook gebeurde.
Op 28 maart werd Jacobus daar voor het eerst geobserveerd door de artsen. Hij werd omschreven als "een klein 21 jarig jongmensch met dom en brutaal uiterlijk, liggend laag voorhoofdsbeen en kuilvormig gehemelte" (m.a.w. weinig ruimte voor hersenen dus). Op de vraag hoe hij heette had Jacobus geantwoord met "R1" en volgens de artsen waren zijn andere antwoorden "evenzoo quasi humoresk". Maar "op 't onbehoorlijke van zoo iets attent gemaakt", had hij dom gegrinnikt. Zij omschreven hem verder als rustig en ordelijk, maar ook imbeciel en onverschillig. Zijn gedrag bleef de eerste veertien dagen onveranderd. Op 10 april had Jacobus echter de hoofdbediende "in 't gelaat" geslagen "toen deze hem vermaande van plaats te verwisselen". Al met al werd op 13 april geconcludeerd door de artsen:
"Bovengenoemde vertoonde alhier duidelijke verschijnselen van krankzinnigheid onder den vorm deridiotia atrophica. De jongeman heeft een afwijkende schedel, een dom en brutaal uiterlijk etc; op de meeste vragen weigert hij of is hij niet in staat antwoord te geven,- soms echter verrast een kortonverschillig antwoord door rustieke humor. Aanleiding tot zijne plaatsing alhier was zijne gevaarlijke neiging om brand te stichten (pyromanie). Een en ander doet ons zijne verpleging in een gesticht voor krankzinnigen nuttig en noodig achten."
In de weken hierna werkte Jacobus " trouw mede buiten" in het park, maar bleef echter "onverschillig en imbecil". In de maand junibegon zijn gezondheid wat achteruit te lopen en moest hij behandeld worden vanwege opgezwollen voeten (oedema pedum). Er werden wat onregelmatigheden aan zijn hartslag opgemerkt. In juli kreeg Jacobus ook een sterke pijn aan zijn linkerzijde en zag er erg bleek uit. Er werd echter niets aan hem gevonden behalve een matige miltzwelling.
Volgens de artsen was er echter psychisch wel vooruitgang en op 12 augustus werd Jacobus op proef ontslagen uit het gesticht. Volgens zijn moeder was zijn toestand "zeer bevredigend" en was Jacobus langzamerhand weer aan het werk gegaan, "het welk hijnog met lust en zonder iets buitengewoons aan hem te bespeuren verricht". De artsen concludeerden daarom dat Jacobus blijkbaar alleen "periodisch motorisch onrustig" was "met aandrang tot perverse handelingen". Daarom werd hij op 17 september als hersteld verklaard en definitief ontslagen uit het gesticht.
Iets langer dan een jaar hierna kwam Jacobus echter op 22-jarige leeftijd op 30 november 1892 te overlijden. Het is mogelijk dat zijn kwakkelende gezondheid, welke in Meerenberg al werd beschreven, hier een rol in heeft gespeeld. De artsen daar hadden al opgemerkt dat zijn hartslag onregelmatig was. Het is bekend dat een slechte hartwerking kan leiden tot oedeem (opzwelling) van de voeten en de milt. Hoewel dit uiteraard puur speculatie is, is het mogelijk dat een hartafwijking de oorzaak is geweest van zijn vroegtijdige dood.
Op 1 december, de dag na het overlijden van Jacobus deed zijn oudste broer Pieter hiervan aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Jabobus werd begraven op de begraafplaats in Abbenes in een koopgraf van de 2e klasse (opties waren huurgraf klasse 1-3 en koopgraf klasse 1-3).
Zijn broer Pieter was in die periode korte tijd ziek geweest en had daarna regelmatig last van waanvoorstellingen. Een van deze waanideeën heeft hem ruim drie maanden na het overlijden van Jacobus doen besluiten om met een schep naar Abbenes te gaan en zijn overleden broer daar op te graven, in de veronderstelling verkerende dat Jacobus daar levend was begraven! Hij werd hierbij echter betrapt en iets minder dan twee jaar nadat Jacobus in gesticht Meerenberg was gekomen, werd ook zijn broer Pieter hier opgenomen. Pieter is echter niet meer hersteld van zijn psychische problemen en is uiteindelijk na 17,5 jaar overleden in gesticht Meerenberg.
grootouders
ouders
broers/zussen
kinderen