genealogieonline

Stamboom van der Heiden, Roth, van der Hek, de Groot » Lorenz Roht (1752) Het leven in een regiment

Veel van deze huursoldaten en -officieren hebben zich na hun diensttijd voorgoed in Nederland gevestigd, waardoor veel Nederlanders buitenlandse voorvaderen hebben

Het Staatse leger
Ondanks het feit dat het Staatse leger een nationaal karakter had, was het geen Nederlands leger zoals wij het nu kennen. Het Staatse leger was een huurleger. Deze huurlingen kwamen uit streken in Duitsland, Schotland, Frankrijk, Engeland en Zwitserland. Nederland had dus al in de 17e eeuw met gastarbeiders te maken.

Veel van deze huursoldaten hebben zich na hun diensttijd voorgoed in Nederland gevestigd, waardoor veel Nederlanders buitenlandse voorvaderen hebben. Dit geld ook voor de Nederlandse tak van de familie Roth, immers Luitenant-Kapitein Lorenz Roht (1752) vestigde zich in het plaatsje Ameide en trouwde met Kornelia van Es (1780).

 

'Laurenz Roth (der Bartholome): Er trat um 1770 in holländische Dienste ein und wurde von der Fähnrich bis zur Kapitänsstelle befördert. Als 1796 die Schweizertruppen in Holland entlassen wurden, erhielt er wegen seines 20 - jährigen Dienstes eine jährliche Pension von 400 Gulden. Daran war aber die Bedingung geknüpft, dass er die Pension in Holland verzehren müsse. Er verheiratete sich mit dem Regimentskind Lisette Bahr, mit welcher er mehrere Kinder zeugte. Als die Kapitulation mit Holland erneuert wurde, hätte er eine Hauptmannsstelle erhalten, welche er aber ablehnte und sie mitsamt der jährlichen Vergütung an einen Schoch abtrat. Im gleichen Jahr vertauschte er das Bürgerrecht von Speicher mit demjenigen in Holland'.

én

'1815 gibt Laurenz Roth, ein Vater von 9 Kindern und Kapitän in holländischen Diensten, das hiesige Gemeinderecht auf'.

Bron

 

Was het geld op of waren ze overbodig, dan werden ze afgedankt. De allerbeste huursoldaten waren de Zwitsers. Het spreekwoord zegt: ‘Geen geld, geen Zwitsers’. Zelfs Koning Willem I had nog een Zwitsers regiment. Zijn nieuwe Koninkrijk der Nederlanden kon deze dure Zwitsers niet meer betalen en om die reden werd het Zwitsers regiment eind 1828 ontbonden.

 

Kleding Regiment Zwitsers 2: Geen borstomslag, wel lissen.

Uniform 1795 Blauwe rok met gekleurde kraag, voering, borst en mouwomslagen.

Op de mouwomslagen eventueel lissen (per regiment verschillend van vorm) of knopen, op de borstomslagen meestal lissen (per regiment verschillend van vorm).

Bron

 

 

 

 

 

Grenadier
Lorenz Roht (1752) en zijn jongere broer Johannes Roth (1763) waren als grenadier gespecialiseerde militaire officieren (respectievelijk Luitenant-Kapitein en Tweede Luitenant) binnen het Infanterie Regiment Stokar de Neuform 748j. Een grenadier was oorspronkelijk een soldaat die gespecialiseerd was in het werpen van handgranaten. (een keursoldaat der infanterie) Ze werden voor het eerst in de 16e eeuw vermeld in de militaire krijgsgeschiedenis. Later waren ze de keursoldaten van de infanterie, vaak gekozen omwille van hun grote gestalte en onverschrokkenheid.

Tijdens de 18e eeuw werd typisch één compagnie in elk bataljon aangeduid als Grenadierskompagnie en op de rechterflank ingezet. Tijdens de eerste helft van de 18e eeuw werden deze compagnieën in de meeste legers samengevoegd tot aparte eenheden, soms alleen voor de duur van een oorlog, maar ook permanent. Veel landen hadden een garderegiment Grenadiers.

Rechts: Infanterie Regiment Stokar de Neuform 748j waar Lorenz Roht als Kapitein-Luitenant en zijn jongere broer Johannes Roth als Tweede-Luitenant diende.

 

Het regiment werd opgericht in 1748 als Regiment Zwitsers der kleine kantons. In 1748 hadden de Staten-Generaal een capitulatie afgesloten met de kantons Bern, Zürich, Neuchâtel, Schaffhausen, Glarus en Appenzell-Ausserrhoden voor 4 linieregimenten van 2400 man, als mede voor een Regiment Zwitserse Gardes van 1600 man.

Het verkreeg na de verdediging van Walcheren in 1786/1787 tegen de patriotten de titel Prinsenregiment. In 1772 werd de officiële benaming gewijzigd in Regiment Zwitsers 2.

Het regiment werd op 23 maart 1796 uit de Nederlandse Dienst ontslagen. De terugmars in mei van dat jaar verliep via Vlaanderen en de Elzas naar Zwitserland.

Dat Lorenz grenadier was werpt licht op zijn onverschrokkenheid. Grenadier (Encyclopedie uit 1920): In bijna alle Europeesche legers waren in de 17e eeuw bij elke compagnie infanterie eenige manschappen ingedeeld, die tot taak hadden bij den stormaanval handgranaten in de vijandelijke afdeelingen te werpen.

Deze opdracht bracht mede, dat zij in de voorste gelederen ingedeeld werden, waarom hiertoe onversaagde soldaten nodig waren. Om het gevaarlijke van hun werk kregen zij bijzondere belooningen en onderscheidingen in de uniform. Dit laatste vindt men nog terug in de bestaande grenadierskorpsen.

 

Garnizoensplaatsen waar Lorenz Roht (1752) en zijn jongere broer Johannes Roth (1763) 'gehuisvest' waren (Infanterie Regiment Stokar de Neuform 748j)

 

Het Regiment werd met een zekere regelmaat verplaatst. En zwaarwegende reden daarvoor was het gevaar dat er onvoldoende afstand zou blijven tussen de lokale bevolking en het Regiment. Vooral de officieren hadden een goede band met de burgerij, maar te nauw contact werd niet wenselijk geacht.

Officieren verbleven veelal in een huurhuis in de garnizoensplaats. De manschappen verbleven veelal in barakken.

Overzichtskaart van de garnizoenen waar Lorenz gelegerd was.

Meer informatie over dit Regiment.

 

 

 

 

 

 

 



In 1795 verplaats het Regiment van Lorenz zich naar Schoonhoven. (Niet ver van het plaatsje Ameide, de geboorteplaats van Kornelia van Es (1780), zijn toekomstige Hollandse echtgenote).

Op 2 januari 1795 trokken 500 Franse soldaten met kanonnen Schoonhoven binnen. Deze Franse troepen zouden lang in de stad blijven. Pas 18 jaar later vertrokken de Fransen weer, als gevolg van nederlagen die Napoleon leidde in andere delen van Europa.

Het Infanterie Regiment Stokar de Neuform 748j werd op 26 maart 1796 opgeheven. De terugmars in mei van dat jaar verliep via Vlaanderen en de Elzas naar Zwitserland.

 

 

 







Door de komst van de Fransen wordt het Regiment op non-actief gesteld. Lorenz zal de verwachting gehad hebben dat de komst van de Fransen maar van korte duur zou zijn. Lorenz, toen 43 jaar oud, overweegt dan ook niet om in Franse dienst te treden. Hij gaat met pensioen. Zijn jongere broer Johannes treed wél in Franse dienst.

 

Het leven van een Regimentsoldaat in dienst van de Republiek der Verenigde Nederlanden

Het Staatse leger
Het Staatse leger werd gevormd na de Pacificatie van Gent in 1576. Dit was een overeenkomst tussen de noordelijke en zuidelijke Nederlanden om de Spanjaarden te verdrijven. Kort daarvoor hadden muitende Spaanse troepen vreselijk huisgehouden in Antwerpen en honderden mensen over de kling gejaagd.

Het Staatse leger hield op te bestaan na de inval van de Fransen in 1795. Het was een beroepsleger dat voor een groot deel uit buitenlanders bestond, zoals Duitsers, Zwitsers, Schotten, Walen en uit vele andere Europese staten.

De Republiek der Verenigde Nederlanden was niet zo eensgezind als de naam doet vermoeden. De federale structuur van de Republiek, de statenbond, was voor de toenmalige Nederlanders een vast gegeven. En men bevond zich er wel bij en niemand – behalve soms het gewest Holland – voelde behoefte aan meer eenheid. Maar ten tijde van oorlogsdreiging vond men elkaar toch.

Het politieke orgaan van de zeven soevereine gewesten, de Staten-Generaal zetelde in Den Haag en hield zich vooral met het buitenlandse beleid bezig. De legerzaken hadden ze grotendeels gedelegeerd aan de Raad van State. Een college voor het leven benoemd – dus met alle ervaring - dat zorgde voor het leger ter velde en de jaarlijkse petitie (begroting) van oorlog opstelde. Voor de betaling van de legerkosten was het repartitiestelsel ingevoerd. Elk gewest moest allereerst de troepen binnen zijn grenzen betalen. Heel slim want dat dwong tot prompte betaling. Soldaten die hun soldij niet op tijd kregen sloegen licht aan het muiten en dan konden de burgers in de garnizoenssteden zich wel bergen. De rest van de quoten was bestemd voor de garnizoenen buiten de grens, de vestigingwerken, de wapens en munitie.

Ondanks het feit dat het Staatse leger een nationaal karakter had, was het geen Nederlands leger zoals wij het nu kennen. Het Staatse leger was een huurleger. Deze huurlingen kwamen uit streken in Duitsland, Schotland, Frankrijk, Engeland en Zwitserland. Nederland had dus al in de 17e eeuw met gastarbeiders te maken.

Veel van deze huursoldaten hebben zich na hun diensttijd voorgoed in Nederland gevestigd, waardoor veel Nederlanders buitenlandse voorvaderen hebben. Was het geld op of waren ze overbodig, dan werden ze afgedankt. De allerbeste huursoldaten waren de Zwitsers. Het spreekwoord zegt: 'Geen geld, geen Zwitsers'. Zelfs Koning Willem I had nog een Zwitsers regiment. Zijn nieuwe Koninkrijk der Nederlanden kon deze dure Zwitsers niet meer betalen en om die reden werd het Zwitsers regiment eind 1828 ontbonden.

De verschillen nu en toen
Twee grote verschillen tussen de huidige soldaat en die van vroeger zijn echter van groot belang:

De broers Lorenz Roht (1752) en Johannes Roth (1763) vochten gezamelijk (in hetzelfde Zwitsers regiment) in Staatse dienst. Later, toen Lorenz met pensioen ging, trad zijn jongere broer Johannes in Deense dienst en vervolgens in Franse dienst als Kapitein onder Napoleon.

 

Binnen onze republiek leverden de armere grensprovincies veel meer soldaten dan het rijke Holland. Opvallend daarbij is het geringe aantal Amsterdammers dat soldaat was. Na 1688 wijzigde de Republiek de basis van aanname van militairen, toen men ook met bevriende staatshoofden contracten ging afsluiten voor de levering van complete regimenten. Zo leende Denemarken ons tijdens de Spaanse Successieoorlog â raison van een flink bedrag zijn hele leger uit. Deze vreemde troepen werden subsidietroepen genoemd en maakten omstreeks 1710 bijna éénderde deel uit van alle troepen onder Staats bevel. De subsidietroepen werden met de Vrede van Utrecht in 1713 weer afgedankt, maar de Zwitserse regimenten niet. Er verdwenen toen dus veel buitenlanders (naar schatting 35.000 man) waarvan een deel in ons land en het huidige België waren getrouwd o.a. in Maastricht. In 1701 werden nog twee regimenten uit Hugenoten geformeerd namelijk de regimenten Vicouse en Lislemarais.

De burgerbevolking van een garnizoensstadje zag zo'n grote stroom vreemdelingen met gemengde gevoelens arriveren. Enerzijds brachten ze meer "welvaart", anderzijds kwamen ook strubbelingen voor tussen de burgers en het garnizoen. In de Rooms Katholieke garnizoenen van vooral beneden de grote rivieren stonden bijvoorbeeld de Protestante Schotse militairen nogal eens klaar om processies te verstoren.

Onze Republiek was in 1610 één van de weinige (drie) landen in Europa met een permanent leger, dus ook in vredestijd. De overige landen konden zich deze luxe niet permitteren. Na de Vrede van Munster in 1648 kregen meerdere landen ook een permanent leger, dat net als bij ons uiteraard in vredestijd veel kleiner was dan in oorlog.

De soldaten
Over de gecontracteerde diensttijd is nauwelijks iets met zekerheid bekend. Meestal tekende de soldaat voor onbepaalde tijd, dat wil zeggen voor een campagne of tot de vrede gesloten was, met dien verstande dat hij altijd tussentijds kon worden afgedankt. Na 1750 komt daarin meer orde. Men kon voor 2, 4, 6 of 8 jaar tekenen en/of bijtekenen. Zes jaar schijnt het meest te zijn voorgekomen. Na afloop van de dienst vestigde menig gewezen soldaat zich in het laatste garnizoen of in de omgeving, vaak als kleine zelfstandige.

Soldaten waren lang niet altijd domme ruwe analfabeten. Zo bestaat er nog een oud Engels-Nederlands woordenboek dat in 1647 te Rotterdam is gedrukt en waarvan de auteur een soldaat was die zoals hij in het voorwoord vermeldt, daarmee zijn ledige tijd wilde vullen. Deze Engelsman, Henry Hexham genaamd, moet beide talen dus perfect hebben beheerst. Overigens was de talenkennis bij soldaten veel groter dan bij de burgers. Gezien hun gezwerf door Europa ook heel begrijpelijk. Menig soldaat sprak wel vier talen. In Maastricht komt in 1761 een Zwitsers soldaat voor die tevens schoolmeester was. In 1653 in Den Bosch een soldaat die schermmeester was. Onder de Dragonders komen opvallend vaak Poolse jongens voor. Ruiters kwamen meestal van het platteland. Zij konden immers het beste met paarden omgaan. Onder de mineurs en sappeurs (later genie genoemd) treffen we veel Luikerwalen aan. Officieren kwamen bijna altijd uit de adelstand althans uit de bezittende klasse en niet zelden betrof het buitenlandse adel.


De regimenten
Vóór 1795 droeg ieder regiment de naam van de regimentscommandant b.v. het regiment van Lorenz en Johannes, Stokar de Neuform. Na 1795 wordt de nummering zoals Frankrijk die na de revolutie had ingevoerd overgenomen. Overleed een regimentscommandant dan werd hij meestal opgevolgd door een hoofdofficier uit datzelfde regiment. Daarbij moet men bedenken dat soldaten nooit werden overgeplaatst naar een ander regiment, maar bij commandowisseling alleen een nieuwe kapitein of kolonel kregen. Uiteraard konden ze als vrijwilliger na hun contracttijd wel dienst nemen in een ander regiment. Dat kwam voor als bijvoorbeeld de garnizoenswisseling toevallig samenviel met einde contract. Officieren werden wel eens overgeplaatst, maar dan meestal als er sprake was van promotie.

De huisvesting
Ook de huisvesting speelde bij de soldaat een rol of hij bijtekende of niet en of hij overstapte naar een ander regiment. Omdat men niet wilde dat de bevolking te eigen werd met het garnizoen waren garnizoenswisselingen nodig. Ook wilde men voorkomen dat de militair zich met de plaatselijke aangelegenheden zouden gaan bemoeien. Hoewel er nooit sprake is geweest van militaire dictatuur, was men er wel bang voor. Amsterdam heeft, na zijn ervaring van 1650 tot aan de dreigende burgeroorlog in 1787 geen Staats garnizoen binnen de poorten gehad, daarentegen wel een sterke burgerwacht. In 1651 werd daarom bepaald dat zonder medeweten der Staten ener provincie geen troepen verplaatst mochten worden. Het gevolg was dat tot 1672 dan ook maar weinig garnizoenswisselingen voorkomen. Verder waren er garnizoenen met goede huisvesting en met zeer slechte. Doornik had wat dat betreft een slechte naam. Sommige garnizoenen waren zeer ongezond bijvoorbeeld vanwege de malaria, zoals de meeste garnizoenen in Zeeland. Vooral Zwitsers waren allergisch voor deze ziekte en konden maar kort daar in garnizoen blijven. De resterende tijd werd dan vaak in het garnizoen van Bergen op Zoom doorgebracht.

Enkele passages uit het boek 'Veere: van vissersbuurt tot vestingstad' van Tiny Polderman en Pieter Blom werpen hier wat licht op. Op pagina 58 lezen we: "In de periode 1572 tot1795 hebben nooit vijandelijke soldaten voor Veere's poorten gestaan; wel waren er steeds zogenaamde vredesgarnizoenen in de stad aanwezig. Toen de Fransen in 1747 de zuidelijke provincies binnenvielen lag Zeeland in de frontlinie.
In Veere werden twee kazernes gebouwd: één in de Nieuwstraat en één aan de Mijnsherenstraat. In de Nieuwstraat moesten hiervoor 7 woonhuisjes worden afgebroken. De barak die hier kwam te staan, bestond uit elf afzonderlijke woningen. Elk behuizinkje bestond uit twee vertrekken, één op de begane grond en één op de zolder, onder een beschoten dak. Hier woonden behalve de militairen, ook hun vrouwen en kinderen. Bij een verplaatsing van de garnizoenen trokken de gezinnen mee. Dat dit niet bepaald luxe onderkomens waren, laat zich raden. Zo blijkt dat in 1767 alle barakken in een behoorlijke staat moesten worden gebracht. Een bataljon Zwitsers van honderd personen zou (tijdelijk) worden ondergebracht in het oude Schotse huis aan de Wijngaardstraat. Op 7 april 1787 verzocht major Nanny, commandant van een bataljon Zwitsers, dit huis permanent in gebruik te mogen nemen als kazerne. De Zwitsers verbleven op dat moment in barakken bij de warwijksepoort. Hier kon niet met goed fatsoen worden geleefd, aangezien er meer ziekten en sterfgevallen voorkwamen dan in andere kazernes in de stad.

Sommige soldaten waren zo rijk dat ze hun eigen huis konden kopen. De huisvesting bestond meestal uit inkwartiering bij burgers, maar sommige garnizoenen hadden ook privé huizen voor soldatengezinnen. In Loevestein zijn enkele van zulke soldatenhuizen gerestaureerd. Bij extra zware bezetting werden houten barakken op de wallen bijgebouwd, oude kerken in gebruik genomen enzovoorts. Het is begrijpelijk dat niet altijd voor ieder gezin plaats was binnen de stadsmuren. Menig soldatengezin woonde dan ook in de directe omgeving van zijn garnizoen in één van de dorpen.

Het percentage gehuwden lag hoger bij officieren dan bij onderofficieren en manschappen. Huwelijken met Hollandse vrouwen waren bij de overheid niet bijzonder populair. Zürich stelde bijvoorbeeld voorwaarden in 1699 aan de bruid: van voldoende stand, eerlijk, Godvruchtig en in het bezit van minstens 300 gulden (meer dan drie jaarsalarissen van een soldaat!). Een huwelijk met een bruid van onvoldoende sociale afkomst kan bevorderingen frustreren. Zoons treden vaak jong in de voetsporen van vader.

Het garnizoen
Garnizoenswisselingen vonden in vredestijd meestal als volgt plaats: De kapitein-generaal (dit is de stadhouder) had het recht van patent en kon een overplaatsing gelasten. Tussen 1715 en 1745 komen garnizoenswisselingen met regelmaat om de drie jaar voor (behalve in 1734, want toen dreigde er in Europa weer een oorlog).

De jaren van wisseling waren kleine volksverhuizingen. Ieder garnizoen moest plaats maken voor het nieuw komende, net zolang tot alles was opgeschoven. Nooit is daarmee iets misgelopen. De kwartiermeester-generaal moest alles van te voren organiseren en tijdens de uitvoering waren de regimentskwartiermeesters belast met het oplossen van de resterende problemen.

De verhuizing begon meestal in mei en duurde vaak enkele maanden. Het vervoer ging zoveel mogelijk met platte schuiten. Waar niet gevaren kon worden werd gemarcheerd. Vrouwen, kinderen en huisraad, waarvan u niet te al te veel moet voorstellen, ging mee en waar soldaten moesten marcheren werden voor hen karren bij gehuurd.

Het spreekt vanzelf dat in oorlogstijd zo'n volksverhuizing onmogelijk was en dan bleef het gezin in het garnizoen. Als er geen kinderen waren, vertrok de jonge vrouw soms naar familie en niet zelden werd daar dan het eerste kind geboren in plaats van in het garnizoen van de soldaat.

Van het soldij behoefde de soldaat zijn inkwartiering niet te betalen. De kosten hiervan kwamen voor rekening van de Algemene Kas. De burgers kregen voor die huisvesting vergoeding, serviesgelden genoemd. Toen in 1689 deze serviesgelden werden ingetrokken vanwege bezuiniging, leverde dat Den Bosch een enorm verlies op en de nodige rellen. Daarop werd bepaald dat Den Bosch, Breda, Bergen op Zoom en Steenbergen voor elke soldaat of ruiter drie stuiver per week zou worden vergoed. Het was veel te weinig, maar aan meer viel niet te denken.

In kleine grensvestingen was de huisvesting vaak uitermate benard. Toen in 1697 het regiment van Tobias Reynhard te Hulst in garnizoen kwam kregen de soldaten de beschikking over slechts ruimte voor hoogstens 200 man, terwijl zij 600 man sterk waren. De soldaat kon aan zijn nachtverblijf toch al geen hoge eisen stellen, want de reglementen schreven voor dat twee man slechts recht hadden op één bedstede.

Bij veldtochten werd door de infanterie alles te voet afgelegd. Gemiddeld liep men bepakt en bezakt 20 km per dag. Napoleon liet zijn soldaten veel langer lopen, maar daarover straks meer. Voor marcherende troepen gold het herziene reglement van 1675. Elke ruiter of soldaat kreeg recht op één kan bier, 2 pond brood en een kwart pond boter of spek per maaltijd. De ruiter voor zijn paard 16 pond hooi en 3 bossen stro.

In de garnizoenen hielpen de soldaten bij de poortwacht, het innen van accijnzen en dergelijke. De soldaat liep altijd in uniform en de soldatengezinnen vormden een aparte gemeenschap, vergelijkbaar met die van de buitenlandse gastarbeiders in het huidige West-Europa. Men leefde zo genaamd in het regiment. Zonen van soldaten huwden vaak met dochters van soldaten uit hetzelfde regiment en later werd de zoon ook soldaat, soms generaties lang.

En dan trouwen
Omdat de burgerbevolking zodoende weinig van de soldatengezinnen af wist, had de Staten-Generaal bepaald, dat bij een voorgenomen huwelijk van een militair, behalve de gebruikelijke drie huwelijksafkondigingen in de kerk op Zondag, de soldaat ook een consent (briefje) van zijn kapitein moest tonen, waarin deze verklaarde geen bezwaar te hebben tegen het voorgenomen huwelijk. In enkele plaatsen zoals Amersfoort en Den Bosch zijn enkele van zulke concenten bewaard gebleven. De predikant bleek daarvan letterlijk alles in het ondertrouwboek over te schrijven. Knoeierijen in de naam zijn dan meestal het gevolg van eerder opgeschreven fouten. Had de soldaat het concent niet dan ging het huwelijk niet door, zoals uit de vele aantekeningen die ik vond, blijkt. Ook bleek dat bigamie zodoende nogal eens werd voorkomen.

Als in 1591 in Utrecht Simon de Ree uit Atrecht wil trouwen met Janneke de Galee uit Tubeeck staat erbij geschreven: 'Dese man bevonden en hebbende een ander vrouw'. In 1627 staat bij een inschrijving: 'Deze vrouwe hadde een andere man in 't leven, denwelke sij tot Bommel getrout hadde' en in 1638: 'opgehouden alsoo hij noch een vrouw heeft tot Alem'.

Eenmaal vond ik dat een soldaat betrapt werd die een vals concent dat hij zelf gemaakt had, aan de predikant van Leur (Noord Brabant) overhandigde. Omdat die soldaat tevens geen attestatie kon of wilde overleggen, informeerde de predikant bij de kapitein van de soldaat, Bentinck in garnizoen te Coevorden. Bij de briefwisseling bleek dat Bentinck geen concent wilde geven omdat de aanstaande bruid als slecht bekend stond. Het huwelijk werd dus niet gewettigd.

In 1731 trachtten vier dragonders uit het garnizoen van Maastricht in Den Bosch illegaal te trouwen. Daarbij hadden ze zich als burgers verkleed, maar ook zij werden betrapt.

Gemengde militaire huwelijken
De overheid in de 18e eeuw was gekant tegen gemengde huwelijken, ook van militairen. Toch was het tij langzamerhand niet meer te keren.

Zo vaardigde de Staten Generaal op 3 juni 1750 een plakkaat uit waarbij het gemengde huwelijk in de Republiek werd geregeld. Zij constateerden tot hun leedwezen dat 'meer en meer komen in te kruipen huwelijken tussen personen van de Gereformeerde en die van de Roomse godsdienst, waaruit niet alleen vele twisten en onenigheden tussen de echtgenoten, hun kinderen en huisgezinnen ontstaan, maar waardoor ook komt te gebeuren, dat enige, zo niet alle kinderen uit die huwelijken geboren, in de Roomse religie worden opgevoed, ja dat zelfs Gereformeerde echtgenoten door lastige aanhoudingen en vexatien (kwellingen) van haar Roomsgezinde mans of vrouwen en van hun aanhang worden verleid, om tot openbare ergernis, de ware Gereformeerde religie te verlaten, en zich te begeven tot de Roomse dwalingen'.

Door middel van de volgende bepalingen wilde de Staten Generaal hun ingezetenen beschermen tegen de verderfelijke gevolgen van dergelijke huwelijken. Voor het aangaan van een gemengd huwelijk moest de man tenminste 25 jaar en de vrouw 20 jaar zijn.

Trouwbeloften konden elk moment weer verbroken worden zonder dat de rechter het nakomen daarvan kon constringeren (afdwingen). De drie huwelijksproclamaties werden niet van week tot week afgekondigd, maar met tussenpozen van zes weken. Dan hadden de partijen meer tijd om van hun dwaling terug te keren. Huwelijksgeboden werden pas na verloop van een jaar, nadat zij de Gereformeerde of Protestantse godsdienst hadden verzaakt, en van het Roomse geloof professie gedaan hadden, gegund. Bovendien moest men het bewijs daarvan kunnen overleggen.

De Staten Generaal verzocht alle magistraten, commissarissen van huwelijkszaken, kerkenraden en predikanten nauwlettend de naleving van het plakkaat te controleren. Dit op straffe van 100 zilveren ducatons boete, waarvan 1/3 deel ging naar de officier van calange (‘openbare aanklager’), 1/3 deel was voor de aanbrenger en 1/3 deel voor de armen ter plaatse.

Werving
Over de werving van soldaten is het volgende op te merken. Het ging, behalve waar het complete regimenten betrof, meestal zo dat de Staten van een gewest met een kolonel een verdrag sloot waarin men overeen kwam dat de kolonel de troepen zou werven, bewapenen, kleden, voeden en van soldij voorzien. Hiervoor ontving hij per man een vast bedrag als werfgeld, waarvan de eerste uitrusting betaald moest worden en, nadat de nieuwe soldaat aan de monstercommissaris was vertoond, maandelijks zijn soldij. De aanstelling van compagniescommandanten berustte gewoonlijk bij de kolonel en bij de kapiteins. De kolonel bepaalde bij het nieuw op te richten regiment ook de kleuren van het uniform. Iedere officier in Staatse dienst mocht overal in ons land werven. Voor officieren in dienst van een andere natie was toestemming der Staten-Generaal vereist. Misbruik werd streng gestraft. Toen in 1735 een Pruisisch officier in Maastricht zonder toestemming had geworven, werd hij prompt opgehangen.

Beloning
Daden van moed beleid en trouw werden vroeger met geld en/of promotie beloond. In 1702 maakte Menno van Coehoorn zich meester van het fort Sint Donaes bij Sluis. Voor vijf soldaten van het regiment Plettenburg en twee van Lauder stelde de Raad van State 500 pond beschikbaar 'tot belooning van haar dapperheid in het overzwemmen van de graft en het kappen der palissaden van de linie omtrent St. Donaes onder het vuur van 's vijands musquettery, van welke som Johan Coldits en Antoon van den Berg, soldaten onder Plettenberg, sullen deelen met een dubbele hand als de anderen voorgegaan zijnde'. In Sluis trouwt op 8 november 1703, ruim een jaar later Johannes Coldits, sergeant in het regiment van de heer Plettenberg met Adriana Roulands, j.d. van Sluis. Coldits hield er behalve een gratificatie dus ook een promotie aan over.

Napoleon wijzigde dit beloningssysteem in een onderscheiding met een medaille met lint. Dat was goedkoper en bleek even effectief. Zelfs zo dat deze vorm van beloning later ook in de burgermaatschappij werd overgenomen.

Wat verdient een soldaat?
Voor het Bataafse leger van 1795 word een 'generaal Plan ter organiseering van de Armée van de Republicq' opgesteld. De gedetailleerde beschrijving geeft ons een indruk van de omstandigheden, waarin de soldaten in die tijd verkeren.

Een gewone fuselier ontvangt per dag vijf stuivers soldij, dus 91 1/2 gulden per jaar. Een sergeant krijgt per dag acht stuivers meer. Een tweede luitenant verdient ongeveer twee keer zoveel als een sergeant. Een kapitein, commandant van een compagnie, ontvangt bijna zeven keer zoveel. Iedere militair moet van zijn inkomen nog wel de kosten van zijn voeding, onderdak en geneeskundige verzorging betalen.

 

 

Generaliteits gulden Holland (1680 - 1795)

In Holland wordt in 1680 het initiatief genomen guldens van 20 stuivers te slaan. Aanvankelijk betreft dit guldens met het provinciewapen. Deze hebben een gemeenschappelijke keerzijde, die met gewijzigd randschrift op de guldens van 1681 en 1682 terugkeert. De voorzijde die in 1681 de gulden siert.. zal ongewijzigd blijven tot de laatste generaliteitsgulden geslagen wordt in 1800

Vertaling Latijnse teksten op de munt : voorzijde : HAC NITIMVR HANC TVEMVR = Op haar steunen wij, haar beschermen wij; keerzijde : MONETA ARGENTEA ORDINVM FÆDERATARVM BELGICARVM HOLLANDIÆ = Zilveren munt van de Staten van Holland van de Verenigde Nederlanden.

bedoeld word de vrijheid verdedigen we (gesymboliseerd door Pallas Athene met de vrijheidshoed) en op de (afgebeelde bijbel ) steunen wij. Pallas Athena of Athene word vaak aangeduid als de Nederlandse Maagd, in de volksmond werd weer gesproken over een pop, dat werd ook de bijnaam voor de gulden samen met piek = de speer die Pallas in haar rechterhand houd.

 

 

 

Pensioen
Tegen het einde van de 18de eeuw komt dikwijls 'gepensioneerd soldaat' voor. Na 30 jaar trouwe dienst was er, ook voor de gewone soldaat, een pensioentje weggelegd.

Deze sociale primeur was een extra lokkertje voor de arme drommels uit alle streken van Europa. Ook toen behoorde ons land bij de rijksten ter wereld (l'histoire se repête).

Maakte de soldaat zijn dertig jaar niet vol dan kreeg hij bij zijn ontslag toch nog een deel van het pensioen. Hij was dan een gegageerd soldaat.

Hoewel er geen vakbonden en CAO's waren zorgde de republiek toch goed voor zijn oude en vaak verminkte militairen. Zij werden niet op straat gezet maar mochten, vaak met lichte dienst, hun tijd volmaken. De vijf compagnieën Invaliden vinden we vanaf 1726 in de garnizoenen van Delft, Woerden, Woudrichem, Naarden en Klundert.

Overplaatsing kwam bij hen niet voor. Voor het oorlogsjaar 1673/4 werd voor deze groep oude en verminkte militairen een groot bedrag n.l. 250.000 pond t.b.v. hun onderhoud uitgetrokken. Vanaf het laatste deel der 18e eeuw zijn in het Nationaal Archief in Den Haag pensioenregisters aanwezig.

De medische verzorging
De medische verzorging had niet veel te betekenen. Om te beginnen was er geen sprake van een keuring vooraf. Anders was het volgende voorval uitgesloten geweest. 'Tijdens het beleg van Bonn' in 1673 werd een soldaat gewond, die als tamboer in dienst was getreden. De chirurgijn ontdekte toen met een vrouw te doen hebben. Zij kreeg haar afscheid met een jaarlijks pensioen van 200 pond en werd in 1677 de moeder van de schilder Jacob Campo Weyerman.

In de staf waren voor die tijd wel enkele bekwame medici opgenomen, maar de chirurgijns in de regimenten waren bijna altijd gewone soldaten, die alleen bijzonder handig waren in het hanteren van gereedschap, zoals slagers en barbiers. De combinatie barbier-chirurgijn komt meerdere malen voor. Door de routine werden zij zo bekwaam.

Na een veldslag kregen de gewonden die weinig overlevingskans hadden hooguit bezoek van een geestelijke. Van de overigen werden de officieren het eerst geholpen, daarna de lageren in rang en die van de vijand het allerlaatst. Veel gewonden moesten met karren naar ver afgelegen hospitalen vervoerd worden over zeer slechte wegen. Als die verhard waren, was dat met zo genaamde kinderhoofdjes. Het is geen wonder dat alsnog van hen een hoog percentage overleed ten gevolge van onbekendheid met infecties zoals tetanus.

Het aantal zieken was ook in vredestijd hoog, vooral in Zeeland waar de malaria (Zeeuwse Koorts) veel slachtoffers eiste. De Engelse invasie op Walcheren werd in 1809 dan ook niet zozeer door militaire overmacht beslist, maar door de malaria.

Toch had een gewonde soldaat betere overlevingskansen dan een even zwaar gewonde boer op het platteland, want in het leger was hulp altijd direct bij de hand en die hulp was bovendien van de best mogelijke kwaliteit. Van de meest voorkomende ziekten onder de soldaten zijn te noemen: dysenterie, tuberculose en syfilis, destijds even ongeneeslijk als nu aids.

Zoekgeraakte militairen
In Coevorden ontbreken daarentegen veel huwelijksinschrijvingen blijkens aantekeningen in de trouwboeken zoals in 1735: 'in desen tijt zijn er verscheiden getrouwt die hen niet hebben laten intekenen en niet hebben gewilt'.

In 1747 en 1748 herhaalt zich dat met soortgelijke aantekeningen. Ongetwijfeld waren daar militairen bij, misschien wel allemaal, en wie weet of zij dat weigeren in andere garnizoenen ook voor elkaar kregen, zonder dat daar aantekening van is gemaakt. Wie de pech heeft dat zijn voorvader bij deze dwarsliggers hoorde, zit nu dik in de problemen.

Uiteraard zijn wij zo benieuwd naar onze militaire voorvaderen en verwachten de gegevens dan te vinden binnen onze huidige landsgrenzen, maar vergeten vaak dat het Staatse leger regelmatig opereerde in het huidige Belgie, in Noord-Frankrijk, tussen 1688 en 1702 in Groot-Brittannië, verder in Duitsland, Spanje en incidenteel in Denemarken. In de Napoleontische tijd is het gebied waar uw voorvader gehuwd kan zijn nog veel groter.

 

 

Terug naar de startpagina van deze publicatie